Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7539

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
200.259.061
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.061

(zaaknummer rechtbank Overijssel 227783)

beschikking van 17 september 2019

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, verder te noemen: de kinderrechter, van 5 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 mei 2019;

- het verweerschrift in hoger beroep met producties van de GI;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming, verder: de raad, van 13 mei 2019;

- een journaalbericht van mr. Scheele van 2 augustus 2019 met producties;

- een journaalbericht van mr. Scheele van 12 augustus 2019 met productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2019 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [medewerker 1 GI] en [medewerker 2 GI] , jeugdbeschermers. Voorts is de vader verschenen. Namens de raad is - met bericht vooraf - niemand verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van [kind 1] geboren op [geboortedatum] 2016 te [plaats] en [kind 2] geboren op [geboortedatum] 2018 te [plaats] .

De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.2

De kinderen zijn onder toezicht gesteld en met een machtiging uit huis geplaatst. De GI heeft op 21 januari 2019 verzocht de duur van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 15 maart 2019 te verlengen met een jaar.

3.3

De kinderen verblijven sedert 14 december 2018 in het netwerkpleeggezin van een tante moederszijde.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 15 maart 2020.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, dan wel te beslissen als het hof juist acht.

4.3

De GI voert verweer en verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder te verwerpen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat het hoger beroep alleen betrekking heeft op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

Het hof maakt hieruit op dat de moeder de gronden van het hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in dat verzoek in hoger beroep.

5.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

De moeder kan zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen niet verenigen. Zij voert aan dat de financiën goed gaan, dat zij met de vader werkt aan de aflossing van de schulden, dat zij wat haar (vermeende) drugsgebruik betreft heeft meegewerkt aan urinecontroles, en dat zij en de vader een stabiele baan en een stabiele woon- en verblijfplaats hebben.

5.4

De GI betwist de stellingen van de moeder en voert aan dat uit de overgelegde stukken niet blijkt van verbeteringen van haar situatie.

5.5

Het hof is van oordeel dat de moeder haar stellingen, dat op verschillende opvoedgebieden haar situatie is verbeterd en dat zij samen met de vader de kinderen een stabiele opvoedomgeving kan bieden, niet - althans onvoldoende - heeft onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij thans met de vader op een chaletpark aan [adres] woont. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep woonde de moeder in [plaats] , zo staat in het verzoekschrift vermeld. Uit de inschrijving van de moeder in de gemeentelijke basis administratie, waarvan het hof ambtshalve kennis neemt, blijkt dat de moeder op 5 augustus 2019 stond ingeschreven op [adres 2] . In het uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie van de vader staat vermeld dat hij geëmigreerd is. In het verleden is meerdere malen sprake geweest van een huisuitzetting, waar de kinderen ook bij betrokken zijn geweest. Het is het hof is onvoldoende gebleken dat de moeder en de vader thans beschikken over een woning waarin zij met de kinderen duurzaam kunnen verblijven en hun een veilige en stabiele woon- en opvoedomgeving kunnen bieden.

Over de urinecontroles, nodig om het eventuele drugsgebruik van de moeder in kaart te brengen, heeft de moeder onvoldoende duidelijkheid verschaft. Uit de overgelegde stukken valt niet op te maken dat de moeder al een langere periode geen drugs heeft gebruikt.

Met betrekking tot eventuele schulden heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet hoeveel schulden zij heeft. De moeder heeft geen stukken overgelegd die inzicht geven in haar schulden. Het is goed dat de moeder, naar haar zeggen, hulp voor het in kaart brengen van de schulden heeft ingeschakeld, maar daarmee heeft zij niet aangetoond dat zij de financiën goed op de rit heeft. Ook heeft de moeder haar stelling dat zij een fulltime baan heeft en voldoende inkomen geniet niet met bewijsstukken gestaafd. De verklaring van de vader, dat hij fulltime werkt en geen schulden heeft, is niet te controleren omdat ook daarvan geen stukken zijn overgelegd.

De slotsom is dat de moeder er niet in slaagt aan te tonen dat zij en de vader de kinderen thans een opvoedingsklimaat kunnen bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding wel zijn gewaarborgd.

De grieven van de moeder slagen niet. Het hof zal de bestreden beschikking wat de verlenging van de uithuisplaatsing betreft, bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 5 februari 2019 wat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen betreft.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, E.B. Knottnerus en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 17 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.