Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7537

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.244.989/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweersters in hoger beroep (moeder en twee meerderjarige dochters) verzoeken op grond van artikel 36 Wbp tot vernietiging van een dossier dat Veilig Thuis heeft opgemaakt naar aanleiding van een melding door de politie. Anders dan de rechtbank, oordeelt het hof dat Veilig Thuis het verzoek terecht heeft afgewezen. Het is redelijkerwijs aannemelijk dat bewaren van het dossier van aanmerkelijk belang is voor een derde, in dit geval de minderjarige dochter van de moeder).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBJ-Wmo/2019/023 met annotatie van Frédérique Robeers
GJ 2019/162
JBP 2020/139
Module Privacy & AVG 2020/3663
JBP 2019/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.244.989/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/122782/HA RK 18/22)

beschikking van 16 september 2019

in de zaak van


De publiekrechtelijke rechtspersoon GGD Drenthe,
gevestigd te Assen,
verzoekster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,
hierna te noemen: Veilig Thuis,
advocaat: mr. T.A.M. van den Ende, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde1] ,
2. [geïntimeerde2] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde2] ,
3. [geïntimeerde3] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde3] ,
verweersters in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoeksters,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. J.M. Suurmeijer, kantoorhoudend te Stadskanaal.

1
1. Het geding in eerste aanleg

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen (hierna: de voorzieningenrechter) van 20 juli 2018.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- het beroepschrift (met producties) van Veilig Thuis, ter griffie ontvangen op 16
augustus 2018;
- het verweerschrift in hoger beroep van [geïntimeerden] c.s., ter griffie ontvangen op 10
oktober 2018;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 juni 2019;
- de akte overlegging producties (met producties E en F) van Veilig Thuis van 9 juli
2019;
- de brief van mr. Van den Ende voornoemd van 2 augustus 2019;
- de brief van mr. Suurmeijer voornoemd van 7 augustus 2019.

2.2

Bij haar brief van 2 augustus 2019 heeft mr. Van den Ende nieuwe stukken gevoegd. Het hof zal deze stukken buiten beschouwing laten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof bepaald dat Veilig Thuis de gelegenheid krijgt twee specifieke stukken in het geding te brengen, waarop Veilig Thuis zich had beroepen. Veilig Thuis heeft die stukken vervolgens ook in het geding gebracht. Het hof heeft Veilig Thuis niet in de gelegenheid gesteld ook nog andere stukken in het geding te brengen. Het betreft stukken waarop Veilig Thuis zich niet eerder heeft beroepen en die ook niet ten grondslag liggen aan de beslissing die in deze zaak centraal staat, de weigering van Veilig Thuis om persoonsgegevens betreffende [geïntimeerden] c.s. te verwijderen. Met deze stukken krijgt het debat tussen partijen een geheel nieuwe wending. Het hof acht dat, gelet op het feit dat de stukken pas na de mondelinge behandeling in hoger beroep in het geding zijn gebracht, in strijd met de goede procesorde, ook al kon Veilig Thuis niet eerder beschikken over deze stukken.

2.3

Het beroep van Veilig Thuis strekt ertoe dat de beschikking van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en dat het verzoek van [geïntimeerden] c.s. alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten in beide instanties.

3
3. De feiten

3.1

De voorzieningenrechter heeft rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.9) van de beschikking de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook verder is niet van bezwaren gebleken. Het hof zal uitgaan van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten, die - aangevuld met enkele andere vaststaande feiten - op het volgende neerkomen.

3.2

[geïntimeerde1] is de moeder van de dochters [geïntimeerde2] (geboren [in] 1998) en [geïntimeerde3] (geboren [in] 1999). In 2018 is [geïntimeerde1] moeder geworden van een derde dochter. [geïntimeerde1] en de vader van haar meerderjarige dochters zijn gescheiden. In oktober 2015 heeft [geïntimeerde1] de voormalige echtelijke woning verlaten. [geïntimeerde2] is aanvankelijk bij haar vader blijven wonen.

3.3

Op 15 maart 2016 heeft Veilig Thuis meldingen ontvangen van de politie en de spoedeisende hulp van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen betreffende een incident tussen [geïntimeerde2] en haar vader, waarbij [geïntimeerde2] letsel heeft opgelopen. In het rapport dat door Veilig Thuis naar aanleiding van de meldingen is opgemaakt, is onder het kopje “Beoordeling en besluit” het volgende vermeld (waarbij het hof opmerkt dat het door het hof ontvangen rapport gedeeltelijk is geanonimiseerd, doordat enkele in het rapport vermelde namen zijn zwart gemaakt):
(…)
Besluit op basis van triage
Inzetten vervolgtraject (02)
Type vervolgtraject
Overdragen aan het lokale veld
Urgentiebepaling
Laag
(…)
Overdracht met monitoring door Veilig Thuis?
Ja

Datum einde bemoeienis AMHK (02)
29-03-2016
Toelichting/opmerking naar aanleiding van het besluit

Meerderjarige dochter is het ziekenhuis in geslagen door [zwart]. [zwart] woont nog bij moeder. Onderzoek door VTD is in 2015 afgerond en overgedragen aan CJG Aa en Hunze. Zij hadden het inmiddels weer afgerond omdat er geen hulpvraag was van moeder [zwart gemaakt]. Lijkt ook een moeilijke samenwerking te zijn tussen moeder [zwart gemaakt] en de betreffende hulpverlener. Ten tijde van de ziekenhuisopname heeft VTD (SSM) contact gehad met de betrokkenen (moeder en hulpverlener) en de zorg bij de hulpverlener neergelegd om in contact te gaan met het systeem en te vragen in hoeverre zij ondersteuning nodig hebben.
(…).

3.4

Op 30 december 2016 heeft de politie een ‘zorgmelding’ gedaan bij Veilig Thuis naar aanleiding van een incident tussen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , waarvan [geïntimeerde3] (toen nog minderjarig) getuige was. In het rapport dat door Veilig Thuis naar aanleiding van de meldingen is opgemaakt, is onder het kopje “Beoordeling en besluit” het volgende vermeld (waarbij het hof opmerkt dat het door het hof ontvangen rapport gedeeltelijk is geanonimiseerd, doordat enkele in het rapport vermelde namen zijn zwart gemaakt):
(…)
Korte samenvatting van melding
Op 21 december 2016 hebben moeder en dochter ( [geïntimeerde2] 18 jaar) een conflict gehad. Zowel moeder als dochter hebben de politie gebeld omdat de situatie uit de hand dreigde te lopen. Mogelijk is er fysiek geweld gebruikt. Er is mogelijk sprake van financiële problemen. Ook speelt mogelijk de scheiding en het verwerken hiervan een rol. Moeder en dochter hebben een moeizame communicatie met elkaar. Tijdens het incident was [zwart gemaakt] ooggetuige.
Argumenten tegen onderzoek VTD
Er is sinds juni 2016 hulpverlening aanwezig in het gezin. De hulpverlener van het CJG is [zwart gemaakt]
(…)
Is er sprake van (ernstige) kwetsbaarheid van het systeem?
Geen of onbekend
(…)
Besluit op basis van triage
Inzetten vervolgtraject (02)
Type vervolgtraject
Overdragen aan het lokale veld
(…)
Kennisgeving overdracht melding aan lokaal veld, wie informeren
CJG Aa en Hunze, moeder en dochter
Overdracht met monitoring door Veilig Thuis?
Ja
Datum einde bemoeienis AMHK (02)
04-01-2017
Toelichting / opmerking naar aanleiding van het besluit
Zorgmelding van politie, betrokkenen op de hoogte. Er is hulpverlening vanuit het CJG betrokken. VTD heeft tweemaal eerder overgedragen aan het CJG, er is contact geweest met [zwart gemaakt] (VTD: CJG medewerker). Eerst wegens scheiding ouders eind 2015 wat gepaard ging met geweld, later omdat [geïntimeerde2] met fysiek letsel op de SEH verscheen wat toegebracht zou zijn door [zwart gemaakt]. [geïntimeerde2] heeft nu een verbaal en fysiek conflict gehad met haar moeder, waar [zwart gemaakt] getuige van was. Overgedragen aan voorliggend veld met het verzoek de melding te bespreken met [geïntimeerde2] en ouders en ondersteuning in te zetten waar nodig. [zwart gemaakt] (VTD: CJG medewerker) is nubetrokken vanuit CJG.

3.5

Op 3 januari 2018 ( [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] waren toen meerderjarig) heeft [geïntimeerde2] contact opgenomen met de politie. Naar aanleiding daarvan heeft de politie een melding gedaan aan Veilig Thuis. In het meldingsformulier zijn de namen van [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] vermeld. Onder het kopje “Omschrijving incident” is het volgende vermeld:
Bewoonster [geïntimeerde1] is zwanger en is samen met haar dochters woonachtig op het adres

[a-straat 1] te [A] . Gisteren is er in de woning onenigheid geweest

tussen [geïntimeerde1] en een van haar dochters. Gisteravond is [geïntimeerde1] alleen met een personenauto vertrokken en even daarna kwam er een app-je van haar binnen bij dochter [geïntimeerde2] . In dat app-je stond verwoord dat zij het niet meer zag zitten en een einde

aan haar leven wilde maken. [geïntimeerde2] was op dat moment alleen thuis en heeft de

politie gebeld. Bij aankomst toonde zij ons de inhoud van het app-je, waarna door ons

een onderzoek werd ingesteld. [geïntimeerde2] deelde ons mede dat haar zus, genaamd [geïntimeerde3] ,

niet thuis was, maar onderweg was naar [B] , naar haar paard. Diverse

opsporingsmogelijkheden ingesteld. Later op de avond belde [geïntimeerde1] met rapporteur en

gaf aan dat men zich geen zorgen hoefde te maken, want zij vond de melding van haar

dochter overtrokken. Zij gaf aan in Duitsland te zitten en wilde niet aangeven waar

exact.

In ieder geval een terugkoppeling aan meldster gedaan. Zij gaf aan dat mocht moeders

thuis komen, zij zou verwachten dat het mogelijk tot een handgemeen zou kunnen komen.

De andere dochter was inmiddels ook thuis. [geïntimeerde2] deelde ons mede dat zij en [geïntimeerde3]

niet op 1 lijn zaten mbt. de omgangsregels. Zaak is vanmorgen besproken in het

Sociaal Team AA en HUNZE en tevens is [geïntimeerde1] hiervan op de hoogte gesteld door

collega [C] .

Specificeer de betrokkenheid van de minderjarigen:

De politie maakt zich zorgen over een ongeboren kind, omdat: Dit gezien het feit dat

het mogelijk tot een handgemeen kan komen tussen [geïntimeerde1] en haar dochter.

Daarnaast staat er in het app-je hetgeen aan ons werd getoond, dat [geïntimeerde1] het niet

meer zag zitten en een eind aan haar leven wilde maken.

3.6

Veilig Thuis heeft naar aanleiding van de melding van de politie geprobeerd een

onderzoek uit te voeren naar de situatie in het gezin van [geïntimeerden] c.s.. [geïntimeerden] c.s. hebben

aangegeven niet mee te willen werken aan het onderzoek.
In dat verband heeft [geïntimeerde2] onder meer het volgende geschreven in een e-mailbericht van 13 januari 2018 aan Veilig Thuis:
Wij hebben een brief van u ontvangen met daarin een afspraak.
Hier hebben wij geen behoefte aan.
De hele situatie berust op een misverstand.
De relatie tussen ons drie is normaal tot goed te noemen.
Als ik het thuis niet naar mijn zin heb ga ik het huis uit. Ik ben immers al 20.
De politie heeft olie op het vuur gegooid.
We houden ontzettend veel van elkaar hier maar we zijn allemaal vrouwen die soms wat kattig kunnen doen. Ik was enkel bezorgd en achteraf gezien ten onrechte.
In een e-mailbericht van 13 januari 2018 heeft [geïntimeerde3] het volgende geschreven aan Veilig Thuis:
Ik heb uw brief gelezen waarin u onze relatie met mijn moeder zorgelijk noemt.
Ik ga hier niet verder op in, behalve dan dat deze bewering totaal niet terecht is! Mijn moeder is enkele jaren geleden gescheiden en heeft, net als wij, pittige tijden gekend. Maar ze heeft gevochten als een leeuw! En niet zonder resultaat. Altijd staat hier de deur open voor ons, maar ook voor onze vrienden en als we weg willen hebben wij, ik en mijn zus, alle vrijheid!

Ik ben 19, mijn zus is 20. Denkt u echt dat mensen van onze leeftijd bij een moeder blijven die mishandelt?

Ik heb uw informatiefolder gelezen en ik kan mij totaal niet vinden in hetgeen waar mijn moeder van wordt verdacht. Ik wens met u op geen enkele wijze in gesprek te gaan of anders in contact te komen. Ook geef ik u hierbij met klem te kennen dat wanneer u een onderzoek instelt naar mij op school, contact legt met mijn huisarts of wat dan ook, ik over zal gaan tot vervolging. U schaadt mij daarmee onterecht en ik geef u absoluut geen toestemming tot het schaden van mijn naam of schenden van mijn privacy! Ik wil onder geen beding bekend zijn bij jullie organisatie en eis per direct verwijdering van het gezinsdossier aangezien ik de Jongste ben en meerderjarig.

Mijn moeder is een sterke vrouw. Zij zal nooit zelfmoord plegen. De politie heeft steken laten vallen. Zo was ik ook thuis, maar hebben ze mij niets gevraagd terwijl ik wist dat mama gewoon boodschappen aan het doen was en daarvoor met mij mee was. Mama was nog geen half uur bij de AH in Borger toen de politie een burgernet melding liet uitgaan. Dit terwijl een vriendin van mama om kwart voor 7 bij de politie had gemeld dat mama bij de AH was. Blijkbaar had de politie zin in sensatie.

Laat het duidelijk zijn dat ik op geen enkele wijze contact met jullie wil. Verwijder het gezinsdossier en laat ons met rust!”

3.7

In een e-mailbericht van 19 januari 2018 aan [geïntimeerde1] heeft Veilig Thuis geschreven:
Ik heb geprobeerd u telefonisch te bereiken, helaas krijg ik geen gehoor. Vandaar dat ik u probeer te bereiken via de email.

Wij hebben de mails van u en uw dochters ontvangen waarin er wordt aangegeven dat er geen behoefte is aan de betrokkenheid van Veilig Thuis Drenthe.

Gezien u allen meerderjarig bent is dit ook aan u.

Echter, hebben we van de politie vernomen dat er sprake zou zijn van een zwangerschap. Gezien de inhoud van de melding maken wij ons zorgen over deze zwangerschap. U heeft telefonisch bij een collega van mij aangegeven dat u een miskraam heeft gehad. Dit vind ik spijtig om te horen.

Het is onze wettelijke taak om te verifiëren of deze informatie klopt. Daarom ontvang ik graag voor dinsdag 24-01 de gegevens van uw huisarts om na te gaan of deze informatie klopt en wij het dossier kunnen sluiten.

3.8

In (afzonderlijke) brieven van 23 januari 2018 aan [geïntimeerden] c.s. heeft Veilig Thuis geschreven dat zij het verzoek om het dossier te vernietigen in behandeling zal nemen.

3.9

In (afzonderlijke) brieven van 26 januari 2018 aan [geïntimeerden] c.s. heeft Veilig Thuis geschreven het onderzoek te sluiten.

3.10

In (afzonderlijke) brieven van 20 februari 2018 aan [geïntimeerden] c.s. heeft Veilig Thuis onder meer het volgende geschreven:
Naar aanleiding van uw verzoek d.d. 13 januari 2018 om uw dossiers te vernietigen, deel ik u het volgende mede.

Een verzoek om vernietiging dient VTD In leder geval te honoreren als door de uitkomst van het onderzoek van VTD de inhoud van de melding wordt weerlegd. Echter in dit geval is daar geen sprake van, de inhoud van de melding is niet onderzocht en daarmee kan het ook niet bevestigd of weerlegd worden. Uw verzoek tot vernietiging van het huidige dossier, en de dossiers die In onze historie bekend zijn, kunnen wij niet inwilligen aangezien de gegevens van belang kunnen zijn bij de beoordeling van eventuele nieuwe meldingen over deze of eventuele toekomstige leden van het gezin, zodat dan goede toeleiding naar hulp vormgegeven kan worden.

4
4. Het verzoek, het verweer en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerden] c.s. hebben de voorzieningenrechter, met een verwijzing naar artikel 46 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), verzocht om het dossier naar aanleiding van de melding van januari 2018 en hun persoonsgegevens te vernietigen. Ook hebben zij om veroordeling van Veilig Thuis tot betaling van de door hen geleden schade verzocht.

4.2

Veilig Thuis heeft verweer gevoerd. Omdat niet duidelijk is op welke datum het verzoekschrift van [geïntimeerden] c.s. bij de rechtbank is binnengekomen, kan niet worden nagegaan of het verzoek tijdig - binnen zes weken na het in rov. 4.10 vermelde antwoord van Veilig Thuis op het verzoek tot vernietiging - is ingediend. Volgens Veilig Thuis is het verzoek tot vernietiging alleen toewijsbaar indien sprake is van een evident onjuiste melding. Die situatie doet zich niet voor, omdat het vermoeden is weerlegd noch bevestigd. Het dossier kan van belang zijn bij de beoordeling van eventuele nieuwe meldingen over deze of toekomstige leden van het gezin, aldus Veilig Thuis.

4.3

Nadat de mondelinge behandeling van het verzoek had plaatsgevonden, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [geïntimeerden] c.s. ontvankelijk zijn in hun verzoek, voor wat betreft de vernietiging van het dossier, maar niet voor wat betreft de schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft in dat verband overwogen dat het verzoek op 28 februari 2018 bij de rechtbank is ingediend, maar dat het vertraagd is behandeld als gevolg van een foutieve interne doorverwijzing bij de rechtbank.
Volgens de voorzieningenrechter is onvoldoende onderbouwd dat de melding van de politie bij Veilig Thuis noodzakelijk was. Omdat van de melding geen enkele onderbouwing is gegeven kan in het verlengde daarvan niet worden gezegd dat de bewaring van het dossier van aanmerkelijk belang is voor een ander dan [geïntimeerden] c.s., te weten de pasgeboren dochter van [geïntimeerde1] . Om die reden is de bewaring van de persoonsgegevens van [geïntimeerden] c.s. niet proportioneel. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot vernietiging toegewezen en Veilig Thuis bevolen het dossier betreffende de melding van januari 2018 binnen veertien dagen na betekening te vernietigen. Hij heeft Veilig Thuis veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] c.s.

5
5. De bespreking van het beroep

5.1

In hoger beroep staat de ontvankelijk van het verzoek van [geïntimeerden] c.s. tot vernietiging van het dossier naar aanleiding van de melding van januari 2018 niet expliciet ter discussie. Veilig Thuis merkt wel op dat het inleidende verzoek van [geïntimeerden] c.s. op 30 april 2018 door de rechtbank is ontvangen. Het hof gaat hieraan voorbij omdat de rechtbank, gemotiveerd, heeft overwogen dat het verzoek op 28 februari 2018 is ingediend. Die datum komt ook overeen met het stempel dat door de griffie van de rechtbank op het verzoek is aangebracht. Onder deze omstandigheden gaat het hof ervanuit dat het verzoek inderdaad op 28 februari 2018, dus ruimschoots binnen de termijn van zes weken na 20 februari 2018, is ingediend.
c.s. hebben geen beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzieningenrechter hen niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek tot schadevergoeding, zodat dit verzoek in hoger beroep niet aan de orde is.

5.2

Partijen komen (terecht, gelet op artikel 48 lid 10 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming) niet op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat op het verzoek de Wbp van toepassing is en niet de Algemene verordening gegevensbescherming. Het verzoek is immers (ruim) voor 25 mei 2018 bij de rechtbank ingediend.

5.3

Op grond van artikel 4.1.1 lid 2 sub b van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is het de taak van Veilig Thuis om naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of huiselijk geweld of een vermoeden daarvan te onderzoeken of daarvan daadwerkelijk sprake is.
Op grond van artikel 5.1.6 Wmo is Veilig Thuis bevoegd zonder toestemming persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van het vervullen van die taak.
Op grond van artikel 5.3.4 Wmo 2015 is Veilig Thuis verplicht de persoonsgegevens die zij op grond van de wet onder zich heeft gedurende vijftien jaren te bewaren, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van haar taken op grond van deze wet noodzakelijk is. Artikel 5.3.5 Wmo 2015 bepaalt echter dat Veilig Thuis persoonsgegevens moet vernietigen binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de gegevens betrekking hebben. Dat is anders (artikel 5.3.5 lid 2 Wmo 2015) indien redelijkerwijs aannemelijk is dat het bewaren van de persoonsgegevens van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker.

5.4

Op grond van artikel 8 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft ieder recht op privéleven. Op grond van artikel 8 lid 2 EVRM is geen inmenging in dit privéleven toegestaan dan voor zover bij de wet voorzien. Die inmenging moet noodzakelijk zijn voor de gezondheid, de goede zeden of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
De Wmo 2015 voorziet in een wettelijke basis voor de inmenging in het privéleven als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM. Daarbij geldt dat de inmenging ook moet voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

5.5

In artikel 36 Wbp is geregeld dat de betrokkene aan wie kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens de verantwoordelijke kan verzoeken deze gegevens te verbeteren, aan te vullen, af te schermen of te verwijderen indien deze gegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Wanneer de verantwoordelijke een verzoek tot verwijdering afwijst, kan de betrokkene de rechtbank verzoeken de verantwoordelijke te bevelen de gegevens alsnog te verwijderen.

5.6

Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, dient de Wbp te worden uitgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8 EVRM. Dit betekent dat dient te worden beoordeeld of de persoonsgegevens van [geïntimeerden] c.s. zijn verwerkt op een wijze die verenigbaar is met het bepaalde in artikel 8 EVRM, op grond waarvan een belangenafweging dient plaats te vinden. Bij elke gegevensverwerking moet niet alleen sprake zijn van een wettelijke basis maar dient ook te zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt met zich dat de inbreuk op de belangen van betrokkenen niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwerkelijkt. Bij de belangenafweging moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van de verwerker van de persoonsgegevens mag slechts een belangenafweging worden verlangd aan de hand van de beschikbare gegevens. Als betrokkene nadere gegevens verschaft, kan dit tot een nieuwe of meer volledige belangenafweging aanleiding geven. Als betrokkene erop wijst dat bij een bepaalde verwerking van persoonsgegevens met zijn belangen onvoldoende rekening is gehouden, zal de verwerker de afweging alsnog moeten maken op basis van de dan bekende feiten en omstandigheden (Hoge Raad 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2O11:BQ8097).

5.7

Het zogenaamde VNG-model Handelingsprotocol AMHK (hierna: het handelingsprotocol) bevat adviezen aan gemeenten over de richtlijnen die zij met betrekking tot de uitvoering van hun taken kunnen meegeven aan Veilig Thuis (voorheen AMHK: Advies- en Meldpunt huiselijk geweld en Kindermishandeling in hun regio.

Artikel 8.1 van het handelingsprotocol luidt:

Doel
Het doel van het onderzoek is te beoordelen of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Welke (onderliggende) problemen er zijn die (ook) moeten worden opgelost om tot duurzame veiligheid en herstel te komen. Welke stappen of maatregelen genomen moeten worden om, waar nodig, fysieke veiligheid met onmiddellijke ingang te herstellen. Welke ondersteuning, hulp, behandeling of maatregelen nodig zijn voor alle betrokkenen om te komen tot duurzame veiligheid en tot herstel van de gevolgen van het huiselijk geweld of de kindermishandeling voor betrokkenen.”

In artikel 8.4.8 van het handelingsprotocol staat omschreven tot welke uitkomsten het onderzoek door Veilig Thuis kan leiden:
- het vermoeden is weerlegd;
- het vermoeden is niet bevestigd;
- het vermoeden is bevestigd.

Als het vermoeden is weerlegd, sluit Veilig Thuis het dossier zonder meer. Als het vermoeden niet is bevestigd, zal Veilig Thuis voordat zij het dossier sluit:
“- overwegen of desondanks hulp nodig is en betrokkenen daarnaar verwijzen;
- het besluit nemen om al dan niet rappel uit te voeren;
- vaststellen op welke termijn, bij wie en op welke manier rappel zal worden uitgevoerd:
- het dossier sluiten;
- de melder en alle professionals met wie in het kader van het onderzoek contact is gelegd informeren over de resultaten van het onderzoek.
Over een verzoek om vernietiging is in artikel 10.3 .7 van het handelingsprotocol opgenomen, voor zover van belang:

10.3.7

Recht op vernietiging
Een direct betrokkene heeft, op grond van artikel 5.3.4 Wmo 2015, het recht om het AMHK te verzoeken om de gegevens die op hem betrekking hebben te vernietigen. Het AHMK vernietigt deze gegevens binnen drie maanden na ontvangst van dit verzoek, tenzij het bewaren van de gegevens van ‘aanmerkelijk belang’ kan zijn voor een ander dan degene die het verzoek heeft ingediend.
In veel gevallen zal een verzoek om vernietiging door het AMHK moeten worden geweigerd vanwege het 'aanmerkelijk belang’ van een ander lid van het gezin, of van mogelijke toekomstige slachtoffers van geweld. Bijvoorbeeld omdat het AMHK over de gegevenswenst te beschikken in geval van een nieuwe melding of om de toeleiding naar de hulp te kunnen volgen, of om een kind of een partner tegen toekomstig geweld te beschermen.

10.3.8

Vernietiging als de melding is weerlegd
Een verzoek om vernietiging dient het AMHK in ieder geval te honoreren als door de uitkomst van een onderzoek van het AMHK de inhoud van de melding wordt weerlegd. In het contact dat het AHMK met betrokkenen heeft over de uitkomsten van het onderzoek, wijst het AHMK hen op hun recht om te verzoeken om vernietiging van hun gegevens nu het onderzoek de inhoud van de melding in het geheel niet heeft bevestigd. Het AMHK reageert uiterlijk binnen vier weken schriftelijk en gemotiveerd op het verzoek.

5.8

Het handelingsprotocol heeft een informeel karakter. Het is niet op de wet gebaseerd, maar bevat slechts richtlijnen en adviezen aan organisaties als Veilig Thuis. Wanneer Veilig Thuis zich aan deze richtlijnen heeft gehouden, betekent dat nog niet, en zeker niet zonder meer, dat het verzoek van [geïntimeerden] c.s. niet toewijsbaar is. Dat verzoek dient te worden beoordeeld op basis van (artikel 36 van) de Wbp, in het licht van artikel 8 EVRM. De toetsing aan het handelingsprotocol komt dan ook niet in de plaats van de toetsing aan (artikel 36 van) de Wbp. Het antwoord op de vraag of Veilig Thuis heeft gehandeld overeenkomstig het handelingsprotocol is wel een van de gezichtspunten bij de toetsing van het verzoek aan artikel 36 Wbp. Bovendien kan ervan worden uitgegaan dat indien de gegevens op grond van het handelingsprotocol verwijderd dienen te worden, Veilig Thuis het verzoek van [geïntimeerden] c.s. tot verwijdering dient te honoreren.

5.9

Met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, zal het hof nu beoordelen of de door Veilig Thuis aangevoerde gronden tegen de beslissing van de voorzieningenrechter tot vernietiging van het dossier betreffende de melding van januari 2018 terecht zijn opgeworpen.

5.10

Veilig Thuis voert aan dat zij een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 5.3.5 Wmo 2015 heeft gelet op het feit dat zij procedures kan verwachten van [geïntimeerden] c.s., die haar een schadeclaim en een strafrechtelijke aangifte in het vooruitzicht hebben gesteld. Om in de daarmee verband houdende procedures verweer te kunnen voeren, dient zij de persoonsgegevens waarom het gaat, te bewaren, aldus Veilig Thuis.

5.11

Het hof volgt Veilig Thuis niet in dit betoog. Dat betoog komt erop neer dat wanneer een verzoek tot verwijdering wordt gedaan, Veilig Thuis de persoonsgegevens waarop het verzoek betrekking heeft altijd kan bewaren. Veilig Thuis moet immers rekening houden met een mogelijke (schade)claim van degene wiens gegevens zijn bewaard. Die kan zich, ook als de gegevens zijn verwijderd maar zeker wanneer dat verzoek niet is gehonoreerd, altijd op het standpunt stellen dat de gegevens ten onrechte zijn bewaard. Op deze manier wordt voor alle gevallen vanwege een mogelijk procesbelang een aanmerkelijk belang gecreëerd, ook wanneer inhoudelijke gronden voor zo’n aanmerkelijk belang ontbreken. Dat is in strijd met de ratio van artikel 5.3.5 Wmo 2015, dat een verzoek om verwijdering dient te worden gehonoreerd (lid 1), tenzij de bewaring in strijd is met het aanmerkelijk belang van een ander (lid 2) dan degene die om verwijdering verzoekt. Het ligt niet voor de hand dat met “een ander” in lid 2 ook gedoeld wordt op de instantie die de persoonsgegevens bewaart, omdat deze instanties in lid 1 met zoveel woorden worden omschreven.
Dat twee rechtbanken in het verleden anders hebben beslist, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof legt artikel 5.3.5 Wmo 2015 anders uit dan deze colleges.

5.12

Veilig Thuis heeft vervolgens aangevoerd dat het bewaren van de gegevens van aanmerkelijk belang is voor de jongste dochter van [geïntimeerde1] . Het vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling is niet weerlegd. Zowel het whatsapp-bericht van [geïntimeerde1] , waaruit kan worden afgeleid dat zij suïcidaal was, als de vrees van de politie voor een handgemeen tussen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] bieden reden tot zorgen, die het bewaren van het dossier rechtvaardigen. Veilig Thuis wijst in dit verband op de eerdere meldingen over geweld in de thuissituatie van [geïntimeerden] c.s.

5.13

Het hof stelt vast dat nog steeds niet duidelijk is wat er op 3 januari 2018 precies is gebeurd. Duidelijk is wel dat [geïntimeerde2] (onder meer) in van [geïntimeerde1] ontvangen whatsapp-bericht aanleiding zag om de politie te waarschuwen, omdat zij zich zeer ongerust maakte over haar moeder. [geïntimeerde2] was bang dat haar moeder suïcidaal was. Verder is duidelijk dat de politie het whatsapp-bericht ook heeft gelezen en daaruit, net als [geïntimeerde2] , heeft opgemaakt dat [geïntimeerde1] "het niet meer zag zitten en een einde aan haar leven wilde maken" (vgl. het in rov. 3.5 aangehaalde meldingsformulier). Bovendien heeft de politie uit de reactie van [geïntimeerde2] op het feit dat moeder weer naar huis zou komen, opgemaakt dat [geïntimeerde2] bang was voor een handgemeen met moeder.
Gelet op het feit dat niet alleen [geïntimeerde2] maar ook de politie het whatsapp-bericht hebben geïnterpreteerd als een signaal van suïcidaliteit van [geïntimeerde1] , hebben [geïntimeerden] c.s. hun stelling dat sprake was van een misverstand en een misinterpretatie onvoldoende onderbouwd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerden] c.s. het desbetreffende whatsapp-bericht niet in het geding hebben gebracht. Dat het bericht niet meer beschikbaar zou zijn, vindt het hof niet aannemelijk, tenzij beiden het bericht hebben gewist. Dat het bericht door technische problemen niet meer te achterhalen zou zijn, acht het hof zonder nadere onderbouwing, die achterwege is gebleken, niet waarschijnlijk. Als zij het bericht gewist hebben, komt dat voor rekening en risico van [geïntimeerden] c.s.

5.14

Het hof gaat er dan ook vanuit dat de politie op basis van de melding van [geïntimeerde2] en de van haar en van [geïntimeerde1] verkregen informatie mocht menen dat sprake was (geweest) van een reële dreiging van suïcide van [geïntimeerde1] en van een kans op escalatie van een conflict tussen (de op dat moment zwangere) [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Onder deze omstandigheden ligt het voor de hand dat de politie de situatie heeft gemeld aan Veilig Thuis en Veilig Thuis vervolgens onderzoek heeft willen doen, ook gelet op de zwangerschap van [geïntimeerde1] . Bij de dreigende situatie waren niet alleen (jong) volwassenen betrokkenen, maar ook een nog ongeboren kind.

5.15

[geïntimeerden] c.s. hebben vervolgens niet meegewerkt aan een onderzoek door Veilig Thuis. Dat staat hun vrij, maar het betekent wel dat Veilig Thuis op basis van de van de politie verkregen gegevens en van de reactie van [geïntimeerden] c.s. op de melding moet beoordelen of sprake is geweest van een dreiging van huiselijk geweld. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] c.s. met hun reacties, die erop neerkomen dat sprake is van ‘een storm in een glas water’, het vermoeden van huiselijk geweld (waaronder ook begrepen de dreiging van suïcide) niet weerlegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerden] c.s. de aanleiding tot de melding, het whatsapp-bericht, niet heeft doorgestuurd naar Veilig Thuis.

5.16

Veilig Thuis heeft erop gewezen dat de melding van januari 2018 niet de eerste melding is betreffende het gezin van [geïntimeerden] c.s. Vaststaat dat in maart 2016 (rov. 3.3) en in december 2016 (rov. 3.4) twee meldingen zijn gedaan. De eerstgenoemde melding betreft een incident waarbij [geïntimeerde2] en haar vader betrokken zijn, maar de tweede melding heeft betrekking op een incident tussen [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] , waarbij een conflict tussen hen zo is geëscaleerd dat geweld is gebruikt. De melding van december 2016 en januari 2018 lijken in die zin op elkaar dat [geïntimeerde1] zich zeer stoort aan de in haar ogen lakse houding van [geïntimeerde2] , dit tot een conflict leidt, dat conflict escaleert, waarna ofwel geweld wordt gebruikt ofwel een dreiging met suïcide (en vrees voor nieuw geweld) volgen. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] wonen nog bij elkaar. Gesteld noch gebleken is dat zij professionele hulpverlening hebben ingeschakeld of dat de verhouding tussen hen drastisch is veranderd, zodat niet uit te sluiten valt dat een conflict tussen hen opnieuw escaleert, nu in het bijzijn van een minderjarige, het jongste kind van [geïntimeerde1] .
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof redelijkerwijs aannemelijk dat het bewaren van de persoonsgegevens van aanmerkelijk belang is voor een ander dan [geïntimeerden] c.s., te weten het minderjarige kind van [geïntimeerde1] , zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 5.3.5 Wmo. Het bewaren van de melding van januari 2018 voldoet ook aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het met het bewaren van de melding te dienen doel - het indien nodig verlenen van adequate hulpverlening aan het minderjarige kind van [geïntimeerde1] - kan niet op een voor [geïntimeerden] c.s. minder nadelige wijze worden verwerkelijkt en de inbreuk op de belangen van [geïntimeerden] c.s. is ook niet onevenredig aan dit doel. Het hof neemt bij dit laatste in aanmerking dat op (de medewerkers van) Veilig Thuis een geheimhoudingsplicht rust ten aanzien van informatie die zij uit hoofde van hun functie onder zich hebben.

5.17

Gelet op het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, de melding niet is weerlegd, bood het handelingsprotocol Veilig Thuis de mogelijkheid de melding te bewaren (vgl. artikel 10.3.7 van het handelingsprotocol), zodat Veilig Thuis ook niet in strijd met het handelingsprotocol heeft gehandeld met haar weigering de melding te vernietigen.

5.18

De slotsom is dat Veilig Thuis het verzoek van [geïntimeerden] c.s. tot verwijdering van de melding van januari 2018 terecht heeft geweigerd. het hof zal de beschikking van de rechtbank dan ook vernietigen en de verzoeken van [geïntimeerden] c.s. alsnog afwijzen. [geïntimeerden] c.s. zullen worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties (geliquideerd salaris van de advocaat in beide instanties: 2 punten, tarief II).

6
6. De beslissing


Het gerechtshof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de van de voorzieningenrechter van 20 juli 2018,
en opnieuw rechtdoende:

wijst de verzoeken van [geïntimeerden] c.s. af;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het geschil en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van Veilig Thuis gevallen:
- voor de procedure in eerste aanleg op € 291,- aan verschotten en op € 1.086,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
- voor de procedure in hoger beroep op € 726,- aan verschotten en op € 2.148,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mrs. H. de Hek, M.M.A. Wind en J. Smit en is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.