Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7534

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
200.262.098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 354.2 Fw. Schone lei alsnog verleend na korte verlenging looptijd WSNP. Toerekenbare tekortkoming in nakoming sollicitatieverplichting vanwege geringe betekenis buiten beschouwing gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.262.098

(insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C/05/16/93 R)

arrest van 16 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te ’ [woonplaats] ,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M. van der Linden.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), van 25 januari 2016 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank van 29 januari 2019 is de schuldsaneringsregeling van [appellant] met vier maanden, tot 25 mei 2019, verlengd omdat [appellant] niet had voldaan aan zijn sollicitatieverplichting. Tegen dit vonnis heeft [appellant] geen hoger beroep ingesteld.

1.3

Bij vonnis van de rechtbank van 27 juni 2019 (hierna: het bestreden vonnis) is vastgesteld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting. Hiermee is de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd zonder dat daarbij de zogenoemde schone lei aan hem is verleend. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 5 juli 2019 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en alsnog te beslissen om zijn wettelijke schuldsaneringsregeling te beëindigen met verlening van de schone lei, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de op
13 augustus 2019 van mr. Van der Linden ontvangen stukken en de op 22 augustus 2019 ontvangen brief met bijlagen van de bewindvoerder, [naam bewindvoerder] .

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2019. [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. De bewindvoerder is eveneens verschenen.
2.4 Ter mondelinge behandeling heeft mr. Van der Linden een verklaring re-integratietraject/opleiding’ van de gemeente Montferland van 4 september 2019 overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] is geboren op [geboortedatum] . Op 18 september 2016 heeft Ausems en Kerkvliet een rapportage uitgebracht naar aanleiding van een op 8 september 2016 bij [appellant] verricht medisch belastbaarheidsonderzoek. In deze rapportage wordt geconcludeerd dat [appellant] op grond van rug- en psychische klachten op dat moment geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft op de vrije arbeidsmarkt en dat hij is aangewezen op sociale activering, met het advies tot een herbeoordeling na een jaar. Vervolgens heeft de rechter-commissaris [appellant] voor 3 maanden ontheven van de sollicitatieverplichting tot 1 december 2016, onder de voorwaarde dat [appellant] actief deelneemt aan een re-integratietraject van de gemeente Montferland.

[appellant] was aanvankelijk met behoud van uitkering werkzaam als algemeen medewerker bij [naam bedrijf] . Met ingang van 15 mei 2017 fulltime (40 uur per week) heeft hij van deze werkgever een arbeidscontract gekregen voor bepaalde tijd (zes maanden). Dit contract is met ingang van 15 november 2017 verlengd met zes maanden, tot 15 mei 2018.
Op 16 mei 2018 heeft [appellant] zich ziek gemeld bij zijn werkgever. Het op 15 mei 2018 aflopende contract is niet verlengd. Vervolgens heeft het UWV [appellant] een ZW-uitkering toegekend. Deze uitkering is per 24 september 2018 beëindigd, omdat [appellant] volledig arbeidsgeschikt werd geacht. Volgens eigen zeggen heeft [appellant] tegen dat besluit geen bezwaarschrift ingediend. Wel heeft hij de rechter-commissaris verzocht om hem (nogmaals) te ontheffen van de sollicitatieverplichting. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een aantal (medische) stukken overgelegd. De rechter-commissaris heeft het ontheffingsverzoek van [appellant] afgewezen. Deze beslissing is [appellant] bij brief van 13 november 2018 van de bewindvoerder meegedeeld. In deze brief is [appellant] voorts gewezen op de sollicitatie-verplichting en is hem verzocht de bewindvoerder vanaf november 2018 maandelijks te voorzien van verifieerbare sollicitatiebewijzen.
Vanaf 11 juli 2019 volgt [appellant] in het kader van het re-integratietraject ‘Branchemedewerker Basis Tweewieler’ een opleiding in de fietsenbranche. [appellant] gaat wekelijks één dag naar school en loopt vier dagen stage.

3.2

De rechtbank heeft [appellant] de schone lei onthouden, omdat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting door gedurende de gehele verlenging van de looptijd van zijn schuldsaneringsregeling (dus vanaf 29 januari 2019) niet aan die verplichting te voldoen. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
De bewindvoerder heeft slechts twee sollicitaties van [appellant] ontvangen. Het gaat hier louter om open sollicitaties en dat is onvoldoende voor de conclusie dat [appellant] aan de sollicitatieverplichting heeft voldaan. Verder is [appellant] , zonder verschoonbare reden, niet ter zitting verschenen. Daardoor heeft hij nagelaten nader verweer te voeren tegen het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei, aldus de rechtbank.

3.3

Het hof oordeelt als volgt.
In het vonnis van 29 januari 2019 is overwogen dat [appellant] vanaf 24 september 2018 (datum besluit UWV) had moeten voldoen aan zijn sollicitatieverplichting en dat hij dit niet heeft gedaan. Het hof stelt, anders dan de rechtbank, vast dat [appellant] op het moment van de eindzitting op 24 januari 2019 niet gedurende vier maanden in gebreke is gebleven met het nakomen van zijn sollicitatieverplichting, maar gelet op de brief van de bewindvoerder van 13 november 2018 in feite tweeënhalve maand. Hoewel [appellant] niet in hoger beroep is gekomen van het vonnis van 29 januari 2019 (waardoor ook de omvang van zijn sollicitatieverzuim is komen vast te staan), acht het hof de nodige nuancering in de mate van het verzaken van de sollicitatieverplichting door [appellant] wel op zijn plaats.

3.4

De inspanningen van [appellant] na het op 29 januari 2019 gewezen vonnis komen erop neer dat hij zich behalve de twee verrichte open sollicitaties heeft ingeschreven bij een uitzendbureau, dat hij contact heeft gelegd met de gemeente en in de (naar later bleek: ijdele) hoop op een nieuw dienstverband ook zijn vorige werkgever [naam bedrijf] . heeft benaderd.

3.5

Hoewel dergelijke inspanningen niet tot de conclusie kunnen leiden dat [appellant] met inachtneming van het vonnis van 29 januari 2019 voldoende en aantoonbaar heeft gesolliciteerd naar betaald werk, moet naar het oordeel van het hof deze aan [appellant] toe te rekenen tekortkoming op grond van de hiervoor gemaakte nuance en de hierna volgende omstandigheden vanwege de geringe betekenis buiten beschouwing blijven en kan aan [appellant] de schone lei worden verleend.
Gedurende de periode waarin [appellant] (op grond van medische problematiek) ontheven was van de sollicitatieverplichting is hij een re-integratietraject gaan volgen en heeft hij (zelfs) gedurende een jaar fulltime bij [naam bedrijf] . Vanwege de ziekmelding is het arbeidscontract van [appellant] niet verlengd. Voldoende aannemelijk is dat aan de ziekmelding van [appellant] bestaande gezondheidsklachten ten grondslag hebben gelegen, welke klachten zijn verergerd door zijn fulltime dienstverband. Toen het UWV deze ZW-uitkering ruim vier maanden later beëindigde om (voor het hof) onbekende redenen (blijkens de brief van 26 september 2018 van het UWV aan [appellant] is tot arbeidsgeschiktheid geconcludeerd op basis van een gesprek tussen een verzekeringsarts en [appellant] op
24 september 2018), en [appellant] wegens medische klachten een ontheffing aan de rechter-commissaris verzocht, had het in dit geval voor de hand gelegen [appellant] alsnog voor een herkeuring op te roepen. In de rapportage van 18 september 2016 van Ausems en Kerkvliet wordt immers geadviseerd om één jaar na die rapportage een herbeoordeling van de belastbaarheid van [appellant] te laten plaatsvinden. Dat die herbeoordeling er niet is gekomen heeft te maken met het re-integratietraject en het daarop gevolgde dienstverband van [appellant] bij [naam bedrijf]
Tot slot draagt ook bij aan de voor [appellant] positieve uitkomst van zijn hoger beroep dat hij de overige uit zijn regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren is nagekomen en inmiddels weer met een re-integratietraject is begonnen.

3.6

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 27 juni 2019 en, opnieuw recht doende:

stelt vast dat [appellant] weliswaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting, maar dat deze tekortkoming, gezien de geringe betekenis, buiten beschouwing moet blijven;

verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, L.M. Croes en J.H. Steverink, en is op
16 september 2019 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.