Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:753

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
200.231.464/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht tussen grondeigenaar en adviseur met als doel bestemmingsplanwijziging om woonbebouwing mogelijk te maken wordt opgezegd voordat resultaat is bereikt. Heeft opdrachtnemer recht op (deel van de) succesfee die naast het uurloon is afgesproken? Hof toetst aan artikel 7:411 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.231.464/01 (voorheen 200.185.785/01)

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 171392/ HL ZA 10-663)

arrest van 29 januari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant],

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat: mr. P.J.G. van der Donck, kantoorhoudend te Houten,

tegen

[geïntimeerde] ,

als erfgenaam van [B] (overleden op 13 maart 2017),

wonende te [C] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde], waarmee tot diens sterfdatum [B] wordt bedoeld,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat: mr. A.A.E. Ferdinandusse, kantoorhoudend te Naarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 12 december 2012 en 30 september 2015 die respectievelijk de rechtbank Zwolle-Lelystad en de rechtbank Midden-Nederland, in beide gevallen locatie Lelystad, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 december 2015;

- de memorie van grieven tevens houdende een vermeerdering van eis (met producties)

d.d. 3 mei 2016;

- de memorie van antwoord/incidenteel hoger beroep (met producties) d.d. 28 juni 2016;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties) d.d. 23 augustus 2016;

- een akte van [geïntimeerde] (met productie) d.d. 30 augustus 2016;

- een antwoordakte van [appellant] van 13 september 2016;

- een akte als bedoeld in artikel 225 Rv d.d. 2 mei 2017 met verzoek tot schorsing van de procedure wegens het overlijden van Antony [geïntimeerde] ;

- antwoordaktes van [appellant] d.d. 16 mei 2017 en 20 juni 2017;

- de beslissing van de rolraadsheer d.d. 20 juni 2017 tot schorsing van de procedure;

- het exploot van oproeping tot hervatting van de procedure d.d. 12 januari 2018;

- een akte uitlating van [appellant] d.d. 24 april 2018 over het verzoek tot voeging met de procedure met zaaknummer 200.232.018;

- het comparitiearrest van 3 juli 2018;

- de akte overlegging stukken die [appellant] op de comparitie heeft genomen;

- de comparitie die doorgang heeft gevonden op 17 december 2018 (samen met de comparitie in de procedure met zaaknummer 200.232.018), waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Vervolgens hebben partijen arrest verzocht op het ten behoeve van de comparitie overgelegde dossier.

2.3

[appellant] vordert in het (principaal) hoger beroep - kort samengevat - dat het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigt en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst;

  • -

    voor recht verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig tegenover [appellant]

heeft gehandeld door op 17 maart 2010 conservatoir beslag te leggen op onroerende zaken van [appellant] en het eindvonnis in eerste aanleg ten uitvoer te leggen;

  • -

    [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 384.088,54 ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente te rekenen vanaf 27 oktober 2015;

  • -

    [geïntimeerde] veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen op basis van het rechtbankvonnis is geïncasseerd.

2.4

De vordering in incidenteel appel is ter zitting van het hof ingetrokken.

2.5

Het hof heeft heden ook arrest gewezen in de gevoegde procedure met zaaknummer 200.232.018.

3 Ten aanzien van de feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.1

[appellant] (geboren [in] 1941) was voorheen boomkweker in Flevoland. Hij oefende dit bedrijf uit in de vorm van de vennootschap Boomkwekerij Tonsel B.V., waarvan hij (middellijk) enig aandeelhouder was. De ongeveer 100 hectare waarop de boomkwekerij werd uitgeoefend, gelegen nabij de Vossemeerdijk te Dronten (de voormalige boomkwekerij van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders), waren eigendom van [appellant] en met hypotheek bezwaard.

3.2

De boomkwekerij rendeerde onvoldoende. [appellant] streefde daarom een bestemmingswijziging van zijn percelen na om het merendeel daarvan voor een hoger bedrag dan de agrarische waarde te kunnen verkopen.

3.3

[appellant] heeft in 2000 contact gezocht met [geïntimeerde] , die toen onder de naam AVW Groep een eenmanszaak dreef op het gebied van bemiddeling, participatie en coördinatie in regionale planvorming in de sfeer van ruimtelijke ordening.

Naar aanleiding daarvan is in 2000 eerst een plan uitgewerkt om op ongeveer de helft van de boomkwekerij bebouwing in de vorm van een landgoed planologisch mogelijk te maken (landgoed Roggebotstaete), waarbij [D] als financier in het ontwikkelingsplan participeerde.

3.4

De resterende helft van de boomkwekerijgronden heeft [appellant] voor zichzelf gehouden. Daarvan wilde hij een gedeelte rond zijn woning (ongeveer 13 ha, aangeduid als ‘de Lindenhof’) in eigendom houden en het resterende gedeelte, aangeduid als het Middengebied, ook ontwikkelen als bouwgrond, in ieder geval dat deel dat direct aan Roggebotstaete grensde, waar de op Roggebotstaete te realiseren bebouwing gespiegeld zou worden. Dat deel van het Middengebied wordt door partijen daarom aangeduid als de spiegelingszone.

3.5

De tussen partijen gemaakte afspraken zijn naderhand enige malen aangevuld en gewijzigd, laatstelijk op 28 juni 2006. In de nadere overeenkomst van die datum is het volgende opgenomen:

Teneinde te komen tot succesvolle einddetaillering en verkoop van landgoed Roggebotstaete en het zogeheten middengebied, gelegen tussen Roggebotstaete en De Lindenhof, wordt de heer [B] aangesteld als algeheel regisseur van het project. De voorwaarden en afspraken daartoe zijn hieronder weergegeven;

voorgaande afspraken die schriftelijk zijn overeen gekomen blijven van kracht, tenzij dit in het navolgende uitdrukkelijk is gecorrigeerd.

1. Vanaf 28 juni 2006 treedt [geïntimeerde] op als algeheel regisseur. Bestaande websites van Roggebotstaete komen per direct te vervallen en worden vervangen door nieuwe, evenals in omloop zijnde verkoopbrochures. De informatiestand in het gemeentehuis van Dronten wordt voorzien van nieuw materiaal. Makelaar [E] treedt terug en wordt vervangen door één van de makelaars van de AVW Groep. [geïntimeerde] benadert in samenwerking met deze laatsten in aanmerking komende marktpartijen. Prijsafspraken tussen [appellant] en de AVW makelaars worden apart gemaakt.

2. Bestuurlijke goedkeuring inclusief aanpassing bestemmingsplan voor wat betreft de bouwwerken van De Velde Architecten op Roggebotstaete.

Een vier of vijf-appartementen-concept per woonblok ten behoeve van even zovele derden-eigenaars of -huurders past niet in het vigerende bestemmingsplan, noch in het huidige omgevingsplan. Om hier alsnog de handen voor op elkaar te krijgen is medewerking vereist van gemeente, provincie en VROM.

Afspraak: [geïntimeerde] treedt In bestuurlijk en ambtelijk overleg met alle betrokken spelers.

Doel: verruiming van het bestemmingsplan in bovengenoemde zin.

Honorering: het tarief op uurbasis van € 100,- excl. BTW blijft gehandhaafd. Zodra de beoogde bestemmingsplanwijziging van kracht wordt, heeft [geïntimeerde] recht op een direct uit te keren eenmalige honorering van € 75.000,- excl. BTW, onafhankelijk van het aantal woonblokken waarvoor de wijziging uiteindelijk wordt doorgevoerd.

3. Bestuurlijke goedkeuring inclusief aanpassingen bestemmingsplan voor wat betreft het middengebied.

Een golfresort op Roggebotstaete (met onverwacht aanvullende eisen van de beoogde exploitanten) is veel te ingrijpend voor de uitstraling van het landgoed als geheel. Deze optie vervalt derhalve; in opdracht van [geïntimeerde] gemaakte kosten door derden, gericht op wijziging van het bestemmingsplan in deze zin, worden vergoed.

Een seniorenresort in het middengebied, met vertakkingen naar Roggebotstaete en De Lindenhof is niet haalbaar. Ook deze optie vervalt.

Wel haalbaar lijkt een concept met woonbebouwing in natuur, afgeleid van nog te formuleren beleidsregels op het gebied van landgoedwonen; dit alles eventueel aangevuld met kleinschalige horeca.

Medewerking is vereist van gemeente, provincie en rijk. Het middengebied krijgt in deze optie de bestemming van al dan niet geconcentreerd kleinschalig landgoedwonen toebedeeld, naadloos aantakkend op Roggebotstaete en De Lindenhof en met een aantal wooneenheden dat verhoudingsgewijs in evenwicht is met 2.

Afspraak: [geïntimeerde] treedt in bestuurlijk en ambtelijk overleg met alle betrokken spelers.

Doel: wijziging van het bestemmingsplan in bovenbedoelde zin.

Honorering: het tarief op uurbasis van € 100,- excl. BTW blijft gehandhaafd. Zodra de beoogde bestemmingsplanwijziging van kracht wordt, heeft [geïntimeerde] (naar keuze van [appellant] ) recht op een direct opeisbare, eenmalige honorering van € 350.000,- excl. BTW, of op 5 hectare grond in het middengebied (eveneens direct opeisbaar, aaneengesloten gebied met mogelijkheid voor de bouw van 1 woonhuis; dit landgoed dient goed ingepast te worden in het totale ontwerp van het gebied).

4. Het Masterplan enclave Roggebotzand

Het bestuurlijk vereiste integrale Masterplan enclave Roggebotzand, met daarin opgenomen de punten 2 en 3, dient als voorloper van het nieuwe bestemmingsplan; het plan wordt door de AVW Groep vervaardigd. Na goedkeuring ervan door gemeente en provincie kan het bestemmingsplan nader worden

uitgewerkt. Het honorarium voor het Masterplan bedraagt € 39.750,- excl. BTW.

3.6

Op 5 januari 2007 is het Masterplan Roggebotzand tot stand gekomen.

3.7

Eind 2007 heeft zich voor het gebied Roggebotstaete als potentiële koper Stichting De Voorde (hierna De Voorde) aangediend. De plannen van De Voorde met Roggebotstaete weken af van het Masterplan en van de op dat moment geldende regelingen voor het gebied. Voor zowel de plannen van De Voorde als voor de plannen voor het Middengebied/de Lindenhof was een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.

3.8

De gemeente Dronten heeft op 6 juni 2008 aan [appellant] geschreven positief te staan tegenover het verzoek tot landgoedspiegeling van landgoed Roggebotstaete op het aanpalende kwekerijgebied.

3.9

Het bestemmingsplan voor Roggebotstaete is in de loop van 2008 daadwerkelijk gewijzigd, in die zin dat de plannen van De Voorde binnen dat plan realiseerbaar waren.

3.10

Op 20 juni 2008 heeft [appellant] aan bureau Oranjewoud de opdracht gegeven om een door de gemeente en provincie ondersteund bestemmingsplan ‘landgoedspiegelingsmodel boomkwekerij Tonsel’ te ontwerpen in overeenstemming met de plannen voor het Middengebied. Op 28 augustus 2008 heeft bureau Oranjewoud de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan aangeleverd.

3.11

Uiteindelijk heeft De Voorde begin 2009 landgoed Roggebotstaete gekocht. [geïntimeerde] is ook opgetreden als betaald adviseur voor De Voorde.

3.12

Begin 2009 heeft [appellant] een gedeelte van het Middengebied, te weten de spiegelingszone, verkocht aan de heer [F] uit [G] .

3.13

Bij brief van 10 februari 2009 heeft [appellant] de overeenkomst met [geïntimeerde] opgezegd, daartoe aanvoerende:

(…) Aanleiding voor de opzegging zijn de verslechterende marktomstandigheden, waardoor bij mij de verwachting bestaat dat niet op korte termijn tot enige uitvoering kan of moet worden gekomen.

Een tweede aanleiding is gelegen in het feit dat u inmiddels ook optreedt voor de Stichting de Voorde, waardoor zich naar mijn overtuiging tegenstrijdige belangen kunnen voordoen.

3.14

[geïntimeerde] heeft vanaf januari 2007 tot aan de opzegging door [appellant] in totaal 557 uur aan werkzaamheden, verricht op basis van de overeenkomst van 28 juni 2006, gedeclareerd. Deze uren zijn uiteindelijk alle (nadat over de laatste facturen een afzonderlijke procedure is gevoerd) door [appellant] betaald tegen het afgesproken uurloon van € 100,- (excl. btw) per uur. Ook de afzonderlijk overeengekomen honoraria voor de totstandkoming van het Masterplan Roggebotzand (€ 39.750,- excl. btw) en de totstandkoming van het bestemmingsplan Roggebotstaete (€ 75.000,-) zijn door [appellant] voldaan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie), kort samengevat, gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van de eenmalige honorering (verder in navolging van partijen succesfee genoemd) van € 350.000,-, althans een bedrag van € 315.000,-, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de

wettelijke rente daarover vanaf 21 april 2009, met de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, de beslagkosten daarin begrepen.

4.2

[appellant] heeft in reconventie opheffing van het ten laste van hem gelegde beslag gevorderd.

4.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 december 2012 overwogen dat het

[appellant] op grond van de overeenkomst niet vrij stond - tenzij een redelijk loon

verschuldigd wordt - om zonder voorafgaande aankondiging en zonder inachtneming van

enige termijn op te zeggen, zonder [geïntimeerde] gelegenheid te bieden om het door hem

opgestelde concept-bestemmingsplan in te dienen en zo mogelijk conform concept vastgesteld te krijgen. De rechtbank heeft [geïntimeerde] opgedragen te

bewijzen dat het door hem geschreven (concept)bestemmingsplan voor het

Middengebied/de Lindenhof uiterlijk 9 februari 2010 waarschijnlijk vastgesteld zou zijn,

conform concept, indien [appellant] de overeenkomst niet had opgezegd en de

spiegelingszone niet had verkocht.

4.4

De rechtbank heeft vervolgens zeven getuigen gehoord. Bij het eindvonnis van 30 september 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat de kans op verwezenlijking van het bestemmingsplan overeenkomstig de opzet van [geïntimeerde] op 80% kan worden gesteld en dat ongeveer de helft van diens werkzaamheden tot aan het van kracht worden van het bestemmingsplan voor het Middengebied waren afgerond op het moment van de opzegging door [appellant] . De rechtbank heeft op grond daarvan 40% van de succesfee aan [geïntimeerde] toegewezen (inclusief btw), neerkomende op een bedrag van € 166.600,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 20 april 2009. Voorts is [appellant] in de proceskosten veroordeeld, begroot op een bedrag van € 19.543,09. De reconventionele vordering is afgewezen.

4.5

Dit vonnis is door [geïntimeerde] ten uitvoer gelegd. [appellant] heeft onder druk van de executie de resterende deel van de gronden van de boomkwekerij verkocht.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

Het debat in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft onder aanvoering van 37 grieven betoogd dat [geïntimeerde] geen recht had op (gedeeltelijke) betaling van de succesfee. Bij wege van vermeerdering van eis vordert hij vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het gelegde beslag en de verkoop, onder druk van executie van het vonnis, van de resterende gronden van de boomkwekerij.

5.2

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] , onder aanvoering van 10 grieven, betoogd dat de rechtbank een te laag bedrag heeft toegewezen. Dit appel is ter comparitie door [geïntimeerde] ingetrokken.

5.3

Het hof zal hierna het principale appel behandelen waarbij het hof de voorgedragen grieven gezamenlijk zal bespreken. Vervolgens zal het hof ingaan op de vermeerdering van eis, die op het processueel juiste moment is ingesteld en waartegen als zodanig door [geïntimeerde] ook geen bezwaar is gemaakt.

De aard van de tussen partijen gesloten overeenkomst

5.4

De vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op de hiervoor onder 3.5 vrijwel integraal geciteerde overeenkomst van 28 juni 2006, met name onderdeel 3 daarvan. Het hof merkt deze overeenkomst aan als een overeenkomst van opdracht, waarbij [geïntimeerde] ten behoeve van [appellant] zich moest inspannen om een bestemmingsplanwijziging voor het Middengebied te bewerkstelligen, zodanig dat daar een woonbestemming op zou komen, met als achterliggend doel waardevermeerdering van de betrokken grond. [geïntimeerde] had volgens de overeenkomst voor zijn inspanningen recht op een vergoeding van € 100,- per gewerkt uur en een resultaatsafhankelijk extra loon ten bedrage van € 350.000,- of vijf hectare grond in het betrokken gebied, indien het aldus gewijzigde bestemmingsplan van kracht zou worden (de succesfee). Partijen hebben verder alleen gedebatteerd over de succesfee in geld.

5.5

Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat de overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van lastgeving als bedoeld in artikel 7:414 BW of een bemiddelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:425 BW, omdat de overeenkomst niet voldoet aan de in die artikelen gegeven definities. Dat binnen het totaalpakket aan de aan [geïntimeerde] in de overeenkomst van 28 juni 2006 opgedragen werkzaamheden enige onderdelen zijn aan te wijzen die daarop lijken (het samen met makelaars uit zijn netwerk benaderen van mogelijke kopers), maakt niet dat de hele overeenkomst moet worden aangemerkt als een bemiddelingsovereenkomst. Het hof verwerpt dan ook het standpunt van [appellant] dat [geïntimeerde] op grond van artikel 7:418 lid 2 BW geen aanspraak heeft op loon, omdat dit artikel op de overeenkomst tussen partijen niet van toepassing is.

5.6

Op grond van artikel 7:408 BW mocht [appellant] als opdrachtgever de opdracht aan [geïntimeerde] te allen tijde opzeggen. Dat partijen op dit punt van de wettelijke regeling zijn afgeweken, is niet gebleken. [appellant] heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt (zie de opzeggingsbrief geciteerd in rov. 3.13). Artikel 7:411 BW regelt in hoeverre de opdrachtnemer recht heeft op loon indien de opdracht vroegtijdig eindigt en de verschuldigdheid van het loon voor de opdrachtnemer afhangt van de volbrenging van de opdracht. Dit artikel is naar het oordeel van het hof ook van overeenkomstige toepassing wanneer de hoogte van het loon daarvan deels afhankelijk is. Het hof merkt nog op dat aangezien de overeenkomst op initiatief van [appellant] is beëindigd, gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 7:411 BW, ook toewijzing van de volledige succesfee mogelijk is, voor zover dat redelijk is (vgl. HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4481, NJ 2008, 41).

5.7

Het hof passeert dan ook zowel het betoog van [geïntimeerde] dat [appellant] niet had mogen opzeggen en schadeplichtig is, als het betoog van [appellant] dat (ook) sprake zou zijn van ontbinding van de overeenkomst.

5.8

Op grond van artikel 7:411 BW spelen bij de bepaling van het naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon onder meer de reeds door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden, het voordeel dat [appellant] daarvan heeft gehad en de grond waarop de overeenkomst is beëindigd een rol. Eveneens acht het hof van belang het bedrag dat [geïntimeerde] al van [appellant] voor de betrokken werkzaamheden had ontvangen en de omstandigheid dat de goedkeuring van het bestemmingsplan niet uitsluitend van partijen afhankelijk was.

De opzegging van de overeenkomst

5.9

[appellant] heeft de overeenkomst opgezegd, omdat de marktomstandigheden waren gewijzigd en omdat [geïntimeerde] meerdere opdrachtgevers tegelijkertijd zou dienen.

[geïntimeerde] heeft daartegenover gesteld dat [appellant] achter zijn rug om aan een ander plan zou hebben gewerkt, [geïntimeerde] buitenspel zou hebben willen zetten en hem met de opzegging heeft overvallen.

5.10

Het hof stelt vast dat de communicatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] voorafgaand aan de opzegging niet optimaal was. Vast staat dat [geïntimeerde] ook ten behoeve van De Voorde heeft gewerkt en zich door haar heeft laten betalen. Hoewel op zich voorstelbaar is dat de belangen van De Voorde en [appellant] grotendeels parallel liepen en het voor [appellant] voordelig was dat het uurloon van een gedeelte van de werkzaamheden door De Voorde werd voldaan in plaats van door [appellant] , was het wel de verplichting (voortvloeiende uit artikel 7:403 BW) van [geïntimeerde] om dit zorgvuldig te administreren en [appellant] nauwkeurig op de hoogte te houden. Dat [geïntimeerde] zich nauwgezet aan zijn informatieverplichting op dit punt heeft gehouden, blijkt niet uit de overgelegde bewijsstukken. Het hof acht wel voldoende aannemelijk dat [appellant] wist dat [geïntimeerde] zich ook deels door De Voorde liet betalen, maar het gebrek aan duidelijke afspraken en aan een goede verslaglegging door [geïntimeerde] aan [appellant] heeft er mede toe geleid dat het vertrouwen tussen hen daalde. Vooral bij onderwerpen waarbij de belangen van De Voorde en [geïntimeerde] uiteenliepen, zoals de kwestie van de jachtrechten van de heer [H] , heeft het dienen van twee opdrachtgevers door [geïntimeerde] de verhouding met [appellant] onder druk gezet.

5.11

Ook de marktomstandigheden voor de ontwikkeling van onroerend goed waren in de loop van 2008 ernstig verslechterd ten gevolge van de kredietcrisis die zich in de zomer van dat jaar ook in Nederland deed voelen. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de economische haalbaarheid van het landgoedplan in het Middengebied ten tijde van de opzegging van de overeenkomst, vergeleken bij het moment waarop de overeenkomst was opgesteld, aanzienlijk was gedaald.

Het hof volgt [geïntimeerde] niet in zijn standpunt dat het vinden van kopers voor het landgoedplan niet van belang was en dat het alleen zou gaan om de ontwikkeling van het planologische kader. De hele achtergrond van de tussen partijen gesloten overeenkomst was de wens tot waardestijging van de betrokken gronden. Het vermarkten van de plannen was juist een centraal punt in de overeenkomst van 28 juni 2006, waarbij het hof verwijst naar het eerste deel van die overeenkomst, aangehaald onder 3.5., waarbij [geïntimeerde] als algeheel regisseur wordt aangesteld, ook waar het de aansturing van de bij de verkoop betrokken makelaars betrof.

5.12

Het hof acht niet aangetoond dat [appellant] de overeenkomst op gefingeerde gronden heeft opgezegd, alleen maar om [geïntimeerde] buiten spel te zetten en zich de kosten van de succesfee te besparen. Dat [appellant] per saldo aan de verkoop van de spiegelingszone grote bedragen heeft verdiend, is ook niet gebleken.

5.13

Waar [appellant] [geïntimeerde] niet zonder grond het verwijt maakt hem onvoldoende op de hoogte te hebben gehouden van zijn bemoeienissen, acht het hof anderzijds niet gebleken dat [appellant] [geïntimeerde] voldoende heeft ingelicht over de twijfels die bij hem opkwamen rond de continuering van de plannen om zijn boomkwekerij als landgoed op de markt te zetten. De opzegging van de overeenkomst op 10 februari 2009 kwam in zoverre voor [geïntimeerde] uit de lucht vallen. Dat [appellant] dit in de maanden daarvoor al met [geïntimeerde] zou hebben besproken, zoals hij ter comparitie bij het hof heeft verklaard, blijkt uit niets en stemt ook niet overeen met zijn mededeling dat er voorafgaand aan de opzegging geruime tijd geen contact was geweest tussen hem en [geïntimeerde] . [appellant] had ten tijde van de opzegging de plannen voor omvorming van de resterende gronden van de boomkwekerij in bouwpercelen ook niet volledig laten varen, omdat ook de overeenkomst met [F] voorzag in de gezamenlijke ontwikkeling in die zin van dat gebied, dat later de naam Vossenmeer heeft gekregen.

De door [geïntimeerde] met het oog op het (ontwerp) bestemmingsplan verrichte werkzaamheden en de kans op realisatie van dat bestemmingsplan

5.14

Het hof onderschrijft de aannames en analyse van de rechtbank dat, indien de overeenkomst niet was opgezegd, er hoogstwaarschijnlijk wel een bestemmingsplanwijziging conform de door [geïntimeerde] verstrekte ruimtelijke onderbouwing voor het Middengebied zou zijn gevolgd, maar dat, voordat een dergelijk bestemmingsplan van kracht zou zijn geworden, er nog veel werkzaamheden verricht hadden moeten worden, waardoor het nog maar de vraag is of dat alles binnen een jaar had kunnen worden gerealiseerd. Dat het werk van [geïntimeerde] voor 90% zou zijn voltooid, zoals hij heeft gesteld, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof oordeelt in het voetspoor van de rechtbank dat, gelet op al de werkzaamheden die nog zouden moeten worden verricht, het reeds verrichte aandeel van [geïntimeerde] hooguit 50% bedraagt, waarbij het hof betrekt dat de omvang van de werkzaamheden ook afhankelijk is van de opstelling van belanghebbenden die zich in de bestemmingsplanprocedure hadden kunnen melden.

Het voordeel dat [appellant] van de werkzaamheden van [geïntimeerde] heeft gehad

5.15

De bedoeling van de tussen partijen gesloten overeenkomst was financieel: door middel van een planwijziging een waardestijging bewerkstelligen van de betrokken gronden. Het ontwerpen van een uit oogpunt van ruimtelijke ordening voor de betrokken lagere overheden aanvaardbaar nieuw bestemmingsplan was daaraan instrumenteel.

5.16

Het landgoedwonen dat [geïntimeerde] planologisch mogelijk wilde maken in het Middengebied, is niet gerealiseerd. Wel kan gezegd worden dat de werkzaamheden van [geïntimeerde] van nut zijn geweest bij de onderhandelingen over en de ontwikkeling van het plan Vossemeer en dat niet kan worden uitgesloten dat de grond van de spiegelingszone, zonder dat sprake was van zicht op een bestemmingsplanwijziging, minder had opgebracht. Het hof is echter niet gebleken dat [appellant] direct financieel voordeel heeft gehad van de werkzaamheden van [geïntimeerde] ten behoeve van het Middengebied.

5.17

Dat [appellant] had moeten wachten, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld, en bij voortzetting van de overeenkomst meer voordeel zou hebben genoten, is bij de beoordeling van de vraag of en in hoeverre [geïntimeerde] recht heeft op een redelijk deel van de succesfee naar ’s hofs oordeel niet van belang. Het gaat niet om potentieel voordeel dat niet is gerealiseerd, maar om het daadwerkelijk genoten voordeel. Overigens acht het hof niet bijzonder aannemelijk dat de markt voor wonen op een landgoed in de omgeving van Dronten zich binnen een redelijke termijn na de opzegging in 2009 zou hebben hersteld, waarbij het hof van belang acht dat De Voorde failliet is gegaan en dat ook het landgoedwonen, zoals dat in het bestemmingsplan Roggebotstaete planologisch mogelijk is gemaakt, nimmer is gerealiseerd.

Het aan [geïntimeerde] uitbetaalde bedrag

5.18

[appellant] heeft [geïntimeerde] uiteindelijk (na een eerdere procedure) alle 557 gedeclareerde uren, gebaseerd op het uurloon van 100 euro, uitbetaald. [appellant] heeft niet betwist dat dit uurloon als zodanig bescheiden was. Daarnaast heeft [appellant] het overeengekomen bedrag voor het Masterplan (€ 39.750,-) en het extra bedrag voor de totstandkoming van het bestemmingsplan Roggebotstaete (€ 70.000,-) voldaan. Het hof tekent bij dit bedrag aan dat in het eerste contract tussen partijen van 12 juli 2000 voor de totstandkoming van het bestemmingsplan Roggebotstaete een succesfee van HFL 480.000,- excl. btw was bedongen. Dit bedrag is blijkens de mededelingen van partijen ter comparitie niet betaald en vervangen door het bedrag van € 70.000,-. Het hof neemt aan dat dit bedrag ook ziet op de inspanningen die door [geïntimeerde] vóór 28 juni 2006 ten behoeve van Roggebotstaete zijn verricht.

Heeft [geïntimeerde] nog aanspraak op (een deel van) de succesfee?

5.19

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat [geïntimeerde] , in aanvulling op het hem reeds uitgekeerde bedrag, na de opzegging door [appellant] , gelet op alle hiervoor beschreven omstandigheden, slechts aanspraak kon doen gelden op een beperkt deel van de succesfee, in aanvulling op het reeds gedeclareerde bedrag. Het hof stelt dit vast op 20% van de overeengekomen succesfee, derhalve op € 70.000,- excl. btw.

De vermeerderde eis

5.20

[appellant] grondt zijn eisvermeerdering op de stelling dat [geïntimeerde] ten onrechte beslag heeft gelegd. Uit het voorgaande volgt echter dat ook het hof van oordeel is dat [appellant] nog een deel van de succesfee aan [geïntimeerde] verschuldigd was, zodat het beslag niet ten onrechte is gelegd. Daarop stuit wat bij de eiswijziging is gevorderd af.

Bewijsaanbod

5.21

Het hof gaat voorbij aan het aanbod van beide partijen om nader bewijs te leveren als verder niet ter zake dienend.

De slotsom

5.22

Het principale appel slaagt. Het hof zal zowel het tussenvonnis als het eindvonnis van de rechtbank, voor zover in conventie gewezen, vernietigen en in plaats daarvan [appellant] veroordelen tot betaling van € 70.000,- excl. btw. Vermeerderd met btw komt dit neer op € 83.300,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals gevorderd. Gelet op deze uitkomst zal het hof de proceskosten in eerste aanleg in conventie en in hoger beroep (in principaal appel) compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten dienen te dragen, aangezien beide partijen over een weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld. Het hof zal [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel veroordelen, aan de zijde van [appellant] te begroten op 0,5 punt naar tarief V van het liquidatietarief. [geïntimeerde] dient aan [appellant] terug te betalen wat zij meer heeft geïncasseerd dan genoemd bedrag van € 83.300,- plus de daarover verschuldigde rente.

5.23

Het hof zal het eindvonnis, voor zover in reconventie gewezen, bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de aangevochten vonnissen van 12 december 2012 en 30 september 2015 voor zover in conventie gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen de somma van € 83.300,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW) daarover vanaf 20 april 2009 tot de dag van volledige betaling;

bekrachtigt de aangevochten vonnissen voor zover in reconventie gewezen;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [appellant] terug te betalen wat op grond van het eindvonnis van 30 september 2015 meer is voldaan dan het hiervoor bedoelde bedrag met de daarover verschuldigde rente;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.580,- aan salaris voor de advocaat;

compenseert de kosten van de procedure in conventie in eerste aanleg en de kosten van het principaal hoger beroep in die zin dat beide partijen de eigen kosten dienen te dragen;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M. Willemsen en mr. D.J. Keur en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.