Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7518

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.256.543/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Drie jongste kinderen blijven uithuisgeplaatst gelet op vermoedens van minshandeling en seksueel grensoverschrijdend gedrag door ouders. Een eerdere vrijspraak van de moeder voor (medeplegen van) mishandeling van de drie oudste kinderen doet hier niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.256.543/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/188405 / JE RK 18-809)

beschikking van 12 september 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.B. Flooren te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling:
Stichting Jeugdbescherming Noord,

kantoorhoudend te Groningen,

verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[B] ,

wonende te [C] ,
verder te noemen: de vader,

het pleeggezin van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ,

het gezinshuis van [de minderjarige1] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 19 maart 2019;
- het verweerschrift van de GI met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Flooren van 20 maart 2019 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Flooren van 25 maart 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 augustus 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat mr. Flooren, mevrouw [D] namens de GI en namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is verschenen de heer [E] .

Nagekomen stukken
2.3 Zoals ter zitting besproken heeft de GI het hof (en in afschrift naar belanghebbenden) bij brief van 20 augustus 2019 nadere informatie toegestuurd over de stand van zaken in het lopende strafrechtelijk onderzoek naar de ouders.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder hebben samen drie nog minderjarige kinderen (hierna: de kinderen [verzoekster/B] dan wel [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ):
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2014 en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2017;
over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

3.2

Uit een eerdere relatie met de heer [F] heeft de moeder nog drie kinderen (hierna: de kinderen [verzoekster/F] dan wel [de minderjarige4] , [de minderjarige5] en [de jong-meerderjarige] ):
- [de jong-meerderjarige] , geboren [in] 2000;

- [de minderjarige4] , geboren [in] 2003 en
- [de minderjarige5] , geboren [in] 2003.

3.3

Uit een eerder huwelijk met mevrouw [G] heeft de vader twee kinderen:
- [de minderjarige6] , geboren [in] 2003 (hierna: [de minderjarige6] ) en
- [de minderjarige7] , geboren [in] 2004 (hierna: [de minderjarige7] ).

3.4

De kinderen [verzoekster/F] hebben in de jaren 2009-2016 deel uitgemaakt van het gezin van de moeder en de vader, de heer [B] , maar zijn vervolgens bij hun eigen vader, de heer [F] , gaan wonen.

3.5

De vader, de heer [B] , is op 26 oktober 2017 door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan één voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, in verband met kort gezegd seksueel misbruik en mishandeling van zijn stiefkinderen, de kinderen [verzoekster/F] . Het hoger beroep van de vader hiertegen loopt nog. De moeder is bij afzonderlijk vonnis van de rechtbank van 26 oktober 2017 vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd ten aanzien van de kinderen [verzoekster/F] , te weten (medeplegen van) mishandeling.

3.6

De kinderen [verzoekster/B] zijn daags na de voormelde veroordeling van de vader op basis van een voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing, geldig voor drie maanden, elders ondergebracht. [de minderjarige1] verblijft sinds 13 augustus 2018 in een gezinshuis. [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verblijven sinds 21 maart 2018 in een pleeggezin.

3.7

In augustus 2018 en december 2018 heeft de GI naar aanleiding van grote zorgsignalen van de kinderen [verzoekster/B] aangifte gedaan bij de zedenpolitie van kindermishandeling door de ouders. Het politieonderzoek naar mogelijk strafbare feiten van de ouders jegens de kinderen [verzoekster/B] loopt nog.

3.8

In de hier bestreden beschikking van 19 december 2018 zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen [verzoekster/B] verlengd met ingang van 16 januari 2019 tot uiterlijk 16 januari 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil betreft de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen [verzoekster/B] ( [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ) met ingang van 16 januari 2019 tot
16 januari 2020.

4.2

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissing tot verlenging van de uithuisplaatsing betreft, en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen alsnog af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

De drie grieven van de moeder keren zich tegen de overwegingen in de bestreden beschikking dat de zorgen over de ontwikkeling van de kinderen het afgelopen jaar eerder zijn toegenomen dan afgenomen, dat de zedenpolitie bezig is met een onderzoek en dat de kinderen nog in hun ontwikkeling worden bedreigd waardoor voortduring van de uithuisplaatsing een passende maatregel is. In de toelichting bij de grieven is onder meer opgemerkt dat de moeder zich niet serieus genomen voelt en dat zij nergens over wordt geïnformeerd. De aangiften van de GI in verband met mogelijk strafbare feiten ten aanzien van de kinderen [verzoekster/B] dateren van augustus en december 2018. De moeder wijst op het tijdsverloop en merkt op dat de politie haar heeft laten weten dat er geen onderzoek meer loopt. Voor zover de moeder bekend, betreffen de zorgen alleen de vader en is er geen reden waarom de kinderen [verzoekster/B] niet naar haar terug zouden kunnen keren. Het is volgens de moeder mede gelet op hun leeftijd niet in het belang van de kinderen dat zij opgroeien in een pleeggezin waarbij zij ook nog eens van elkaar zijn gescheiden. De moeder heeft in oktober 2018 een persoonlijkheidsonderzoek laten uitvoeren door drs. [H] en diens conclusie op bladzijde 7 van het rapport van 31 oktober 2018 luidt volgens de moeder dat zij 'alleszins redelijk opereert en naar de professionele mening van de onderzoeker haar ouderlijke taak kan hervatten'.

5.3

De GI heeft de grieven bestreden en daartoe onder meer een toelichting gegeven op de gang van zaken en ontwikkelingen sinds de uithuisplaatsing van de kinderen [B] .

5.4

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof na eigen onderzoek met de kinderrechter van oordeel dat de in geding zijnde verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] noodzakelijk en gerechtvaardigd is in het belang van hun verzorging en opvoeding. In aanvulling op de overwegingen van de kinderrechter in de bestreden beschikking, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, overweegt het hof daartoe nog het volgende.

5.5

De gebeurtenissen in het verleden geven het hof grote zorgen over de opvoedingssituatie van de kinderen [verzoekster/B] bij de moeder. De vader ontkent weliswaar elke beschuldiging, maar heeft in 2017 een forse gevangenisstraf opgelegd gekregen in verband met seksueel misbruik (waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam van twee van zijn stiefkinderen) en mishandeling van alledrie zijn stiefkinderen, de kinderen [verzoekster/F] , over een reeks van jaren. De moeder is vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd ten aanzien van deze kinderen maar dat betekent niet dat haar geen verwijt kan worden gemaakt over hetgeen er met die kinderen is gebeurd. Zij waren immers mede aan haar zorg toevertrouwd en inmiddels is duidelijk dat de moeder hen niet heeft kunnen behoeden voor de traumatische gebeurtenissen die zij in haar gezin hebben opgelopen. Zo overwoog de rechtbank in haar strafvonnis van 26 oktober 2017 ten aanzien van de moeder: 'De rechtbank neemt het haar bijzonder kwalijk dat zij heeft nagelaten in te grijpen. Door medeverdachte (lees: de vader) zijn gang te laten gaan met het onder haar ogen plegen van het ten laste gelegde feit, zou gesteld kunnen worden dat zij dit feit opzettelijk heeft bevorderd. Mede gelet op de rechtsplicht tot handelen die verdachte als moeder ten opzichte van haar jonge kinderen had, zou tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid (van mishandeling) kunnen worden gekomen. De officier van justitie heeft er echter voor gekozen deze variant niet ten laste te leggen.'

Overigens was al in een eerder stadium door [de minderjarige7] en [de minderjarige6] bij de politie melding gemaakt van seksueel misbruik en/of mishandeling door de vader van zijn stiefkinderen maar dat heeft destijds (2012/2013) niet tot vervolging geleid. Toch zal dit de moeder gealarmeerd moeten hebben. Niettemin is - gelet op de bewezen verklaarde perioden van de strafbare feiten - nadien het misbruik doorgegaan en heeft de moeder dat niet kunnen voorkomen.

5.6

Na de uithuisplaatsing van de kinderen [verzoekster/B] eind oktober 2017 zijn in de loop der tijd van verschillende kanten (gezinsvoogd, pleegouders, gezinshuisouders) onafhankelijk van elkaar bij de kinderen [verzoekster/B] signalen opgemerkt die zouden kunnen wijzen in de richting van seksueel misbruik en/of mishandeling van hen. Hoewel de GI in het belang van het onderzoek (de ouders moeten nog worden gehoord) geen mededeling heeft willen doen in deze procedure over de precieze aard van die signalen, zijn die wel van dien aard dat de jeugdbeschermers op basis daarvan contact hebben gezocht met de zedenpolitie en in juni 2018 de ouders heeft geïnformeerd dat in afwachting van het onderzoek de omgang tussen de ouders en de kinderen is opgeschort. Blijkens de stukken verliep die omgang eerder al niet op een voor de kinderen onbelaste wijze. In augustus 2018 heeft de GI aangifte gedaan bij de politie van mishandeling en vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Op basis van de aangifte van de GI heeft politieonderzoek plaatsgevonden en op 17 december 2018 is op verzoek van de politie opnieuw aangifte gedaan. Anders dan de moeder heeft aangevoerd blijkt uit de bij de brief van 20 augustus 2019 van de GI nagezonden stukken van de politie dat er op dit moment wel degelijk nog justitieel onderzoek loopt naar mogelijk strafbare feiten van de vader en de moeder jegens de kinderen [verzoekster/B] . De verdenkingen en zorgen betreffen dus niet alleen de vader.

5.7

Gelet op de ambivalente houding van de moeder richting de vader en haar eigen verantwoordelijkheid, zoals die ter zitting van het hof naar voren is gekomen, is het naar het oordeel van het hof zeer de vraag of de moeder in staat is nu wel de belangen van de kinderen voorop te stellen. Zij heeft nog steeds contact met de vader en twijfelt naar eigen zeggen aan hetgeen er zoal zou zijn gebeurd. Zij lijkt nauwelijks in staat de impact op al hetgeen met de oudste kinderen is gebeurd te overzien. Het hof is alles afwegende van oordeel dat de veiligheid van de kinderen bij terugkeer naar de moeder op dit moment onvoldoende gewaarborgd is en dat de resultaten van het lopende justitieel onderzoek afgewacht dienen te worden. Hetgeen de moeder voor het overige heeft aangevoerd, zoals de conclusie uit het rapport van drs. [H] van 31 oktober 2018, kan in het licht van wat hiervoor is overwogen niet tot een ander oordeel leiden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 december 2018 voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 12 september 2019 in het openbaar uitgesproken.