Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:750

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
200.217.227/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensafwikkeling na beëindiging affectieve relatie. Geldleningen ten behoeve van de bedrijfsvoering of bestedingen voor de huishouding? Vordering tot afgifte van inboedelbestanddelen onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.217.227/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 403685 / HA ZA 15-335)

arrest van 29 januari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. K. Spaargaren, kantoorhoudend te Hilversum,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L. van Eck Rasmussen, kantoorhoudend te Hilversum.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Naar aanleiding van het tussenarrest van 3 juli 2018 heeft op 22 november 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in kopie bij de stukken. Onder de aan het proces-verbaal gehechte stukken bevinden zich een `wijziging cq aanvulling memorie van grieven tevens akte indiening producties` (door mr. Spaargaren toegezonden op 1 november 2018), een akte indiening producties (genummerd 6 en 7, toegezonden door mr. Spaargaren op 8 november 2018) en een `akte overleggen producties`(5 producties van mr. Van Eck Rasmussen, verstuurd op 6 en, opnieuw, op

22 november 2018). Daarna heeft het hof bepaald dat op basis van de aangevulde stukken arrest zal worden gewezen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen hebben vanaf 2000 samengewoond. Op 19 april 2000 heeft [appellante] een verklaring opgesteld en getekend waarin zij verklaart dat zij met ingang van de samenwoning al haar bezittingen overdraagt aan [geïntimeerde] , en dat zij bij een relatiebreuk geen geld, middelen, goederen of huis en dergelijke zal opeisen. Daarna hebben partijen op 11 september 2000 een samenlevingsovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat tussen hen geen gemeenschap van goederen bestaat, echter met uitzondering van onder meer inboedel. Ook is bepaald dat bij beëindiging van de overeenkomst alle inboedel, ook al is deze aangebracht door [appellante] , zal worden toebedeeld aan [geïntimeerde] (artikel 10 lid 2). Partijen hebben zich verder verplicht naar evenredigheid van hun netto jaarinkomen uit arbeid bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Indien deze inkomsten niet toereikend zijn, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van zijn of haar netto vermogen per het einde van het betreffende kalenderjaar het tekort aan te vullen, zo staat in het samenlevingscontract vermeld.

2.2

[geïntimeerde] is eigenaar van een woning/bedrijfspand aan de [a-straat] in [A] , waarin hij ten tijde van de samenwoning met [appellante] grillroom [B] dreef in de vorm van een eenmanszaak (snackbar). Op 28 december 2000 is [appellante] als hoofdelijk schuldenaar toegetreden tot de eerder tussen SNS bank en [geïntimeerde] gesloten hypothecaire geldlening ten aanzien van dit pand van fl. 215.000,-.

2.3

De relatie tussen partijen is in 2015 beëindigd.

3 De vorderingen en de beslissing van de rechtbank

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld aan haar € 250.000,- (zakelijke leningen) en € 750,- (verhuiskosten) te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente. Verder strekt te vordering tot (i) veroordeling van [geïntimeerde] om onder verbeurte van een dwangsom de zaken af te geven die zijn genoemd in een op de comparitie overgelegde lijst, (ii) vernietiging van artikel 10 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst en (iii) `veroordeling van [geïntimeerde] ervoor te zorgen dat binnen drie maanden na de datum van dit vonnis de overeenkomst toetreding hoofdelijk schuldenaar tussen partijen en de SNS bank wordt ontbonden, zodanig dat zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid door de bank`.

3.2

De rechtbank heeft deze vorderingen integraal afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De memorie van grieven strekt ertoe dat ze alsnog worden toegewezen.

4 De grieven

4.1

De eisvermeerdering is voor het eerst ter zitting in hoger beroep gedaan, en is strijdig met de zogenaamde twee-conclusieregel; deze in artikel 347 lid 1 Rv besloten regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld. Een reden voor een uitzondering op deze regel is niet gebleken, zodat het hof de eiswijziging niet toelaatbaar acht en recht zal doen op de oorspronkelijke eis.

4.2

De grieven, die beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen, zullen thematisch worden behandeld.

Geldleningen (grief 1, € 250.000,-)

4.3

[appellante] stelt gedurende de samenwoning in totaal € 250.000,- in de woning en het bedrijf te hebben geïnvesteerd. Deels is dat geld afkomstig van de verkoopopbrengst van haar eigen woning. Volgens haar gaat het bij die investeringen steeds om leningen aan [geïntimeerde] .

4.4

[geïntimeerde] heeft zowel betwist dat hij een dergelijk bedrag van [appellante] zou hebben ontvangen, als ook dat het in de vorm van een geldlening is gebeurd. Voor zover [appellante] bedragen aan hem heeft overgemaakt, waren deze bestemd voor de kosten van de huishouding. Van investeringen in zijn onderneming was geen sprake, aldus [geïntimeerde] .

4.5

De onderbouwing van de vordering is erg summier. Net als de rechtbank, constateert het hof dat partijen niets op papier hebben gezet over enige lening en daaraan verbonden voorwaarden. Aan de hand van wat door [appellante] wordt aangevoerd, valt zelfs het gevorderde saldo nergens uit af te leiden. In een ten behoeve van [appellante] opgesteld fiscaal rapport uit 2003 wordt wel een vordering op de snackbar (lees [geïntimeerde] ) genoemd van € 60.124,- (begin 2003) en € 68.843,- (ultimo 2003), en ook in de jaarrekening over 2005 van de snackbar is een lening van [appellante] aan de snackbar opgenomen. Deze lening, die ultimo 2004 € 83.603,- zou hebben belopen, correspondeert met de in 2003 gerapporteerde schuld van de snackbar. Uit de toelichting die in 2005 is gegeven, blijkt namelijk van een saldo van € 60.124,- per begin 2003 (30.739 + 17.084 + 12.301) en van € 68.843,- per ultimo dat jaar (30.739 + 17.084 + 12.301 + 8.719). Per ultimo 2005 is die schuld echter bepaald op nihil. De lening zou toen zijn verrekend met het eigen vermogen en in de aangiften inkomstenbelasting zijn verwerkt. Deze stukken kunnen dus niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat na 2005 nog sprake was van een lening van [appellante] aan [geïntimeerde] . Voor zover nadien blijkt van betalingen van [appellante] ter zake van (de woning en/of de snackbar van) [geïntimeerde] , bieden die betalingen of andere omstandigheden die [appellante] tot aan de zitting in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor de stelling dat (in hoeverre, en onder welke voorwaarden) daarbij sprake zou zijn geweest van leningen, in plaats van bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van partijen en hun twee zoons.

4.6

Ter zitting is nog wel een verklaring in het geding gebracht van [C] , die tot en met 2011 de boekhouder van [geïntimeerde] was. Hij verklaart over privé-ontvangsten van [geïntimeerde] van zijn partner in 2009 (€ 14.340) en 2011 (€ 24.372). Dat het daarbij om leningen zou gaan, verklaart hij echter niet. Deze verklaring biedt dus ook geen steun aan de stellingen van [appellante] .

4.7

Dat ligt anders bij de tegelijkertijd overgelegde verklaring van de broer van [appellante] , die zegt sinds 2013 op te treden als de boekhouder van [geïntimeerde] . Diens verklaring komt erop neer dat in de aangifte IB van [geïntimeerde] over 2012 een bedrag van € 12.000,- aan kortlopende schulden stond vermeld. De broer van [appellante] zou in overleg met partijen dit bedrag in de aangifte over 2013 hebben verhoogd naar € 36.000,-. Dit bedrag zou zien op de bijdragen die [appellante] aan de onderneming heeft verstrekt. [geïntimeerde] zou het er niet geheel mee eens zijn geweest dat de door [appellante] verstrekte bedragen als lening in de administratie werden opgenomen, maar wel dat [appellante] deze bedragen in de zaak had geïnvesteerd. Ook over een eventuele aflossing hebben partijen volgens deze broer gesproken. Gezien het jaarlijks resultaat (dat structureel negatief was) zou echter zijn geconcludeerd dat daarvoor het geld ontbrak.

4.8

Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze verklaring dat - als partijen investeringen van [appellante] in de snackbar al als leningen hebben aangemerkt - deze leningen per saldo een totaal van € 36.000,- niet overstegen. Dat dit saldo op enig moment opeisbaar is geworden - en zo ja, wanneer - blijkt uit die verklaring echter niet. In tegendeel, omdat de onderneming van [geïntimeerde] verlies leed, is kennelijk overeengekomen dat de lening (nog) niet kon worden opgeëist.

4.9

De grief slaagt niet.

Verhuiskosten (grief 2, € 750,- )

4.10

[appellante] zegt vergeefs kosten te hebben gemaakt voor het verhuizen van een piano. Daarover zouden afspraken zijn gemaakt die [geïntimeerde] niet is nagekomen (hij was niet aanwezig toen de verhuizers op de stoep stonden).

4.11

Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

De inboedel (grieven 3 en 4)

4.12

In de loop van de procedure zijn door [appellante] diverse lijsten met inboedelgoederen overgelegd waarvan zij integraal afgifte heeft gevorderd. Tot aan de comparitie bij het hof was onduidelijk tot welke goederen haar vordering zich nog uitstrekte - en zelfs toen is naar aanleiding van vragen van de raadsheer-commissaris verwezen naar twee te onderscheiden lijsten. Ten aanzien van elk van die lijsten is onbestreden dat afgifte niet meer mogelijk is van alle goederen die er op staan, omdat afgifte deels al heeft plaatsgehad. Bij gebrek aan nadere specificatie is de vordering alleen al om die reden niet toewijsbaar. Daar komt bij dat [geïntimeerde] heeft bestreden dat hij nog beschikt over het grootste deel van de op beide lijsten opgesomde spullen die hij nog niet heeft afgegeven, en heeft hij betoogd dat de spullen die nog wel in zijn bezit zijn, hem in eigendom toebehoren. Het hof heeft geen aanleiding dat verweer voorshands als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. Een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt aan de zijde van [appellante] .

4.13

De vordering van [appellante] is bovendien innerlijk tegenstrijdig. Zij heeft immers betoogd dat de afspraak dat alle inboedel bij [geïntimeerde] dient te verblijven nietig of vernietigbaar is, kennelijk omdat die bepaling anders aan haar vordering tot afgifte in de weg zou staan. Dat veronderstelt dat deze inboedelgoederen ten tijde van de beëindiging van de relatie haar eigendom waren (zoals zij ook in de inleidende dagvaarding heeft gesuggereerd). Zij voert echter tegelijkertijd aan dat deze goederen toen nog eigendom van haar moeder waren en haar pas later, na beëindiging van de samenlevingsovereenkomst geschonken zijn. Deze stellingen, die niet een primair en subsidiair karakter hebben, verdragen zich niet met elkaar. Daarom is de vordering niet alleen onvoldoende onderbouwd, maar ook onbegrijpelijk. Voor zover is bedoeld dat de inboedel die wordt teruggevorderd deels wel en deels niet eigendom van de moeder was, geldt - opnieuw - dat die stelling niet is uitgewerkt.

4.14

Ten slotte: de stelling dat de inboedelgoederen waarvan afgifte wordt gevorderd (welke dan ook, en op welke lijst dan ook) inderdaad eigendom zijn geweest van de moeder van [appellante] , en nadien aan haar zijn geschonken, is betwist. Ook dat staat om die reden voorshands niet vast - zeker niet in het licht van de wisselende standpunten die er in de loop van de procedure door [appellante] over zijn ingenomen. Bij gebrek aan een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod moet ook om die reden de vordering stranden.

Hoofdelijke aansprakelijkheid (grief 5)

4.15

Zoals de rechtbank al heeft overwogen, kan [geïntimeerde] niet eigenmachtig bewerkstelligen dat [appellante] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld van [appellante] bij SNS Bank. Met de vordering wordt dat echter wel verondersteld. Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting (die strekt tot handhaving van deze vordering) in essentie dan ook geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

Conclusie

4.16

De grieven falen. Gelet op het karakter van het geschil zal ook het hof de proceskosten van het hoger beroep compenseren.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van

8 februari 2017;

compenseert de proceskosten tussen parttijen in dit hoger beroep aldus dat ieder de eigen kosten betaalt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. B.J.H. Hofstee en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

29 januari 2019.