Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7498

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/00697
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2964, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Verkapte winstuitdeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-09-2019
FutD 2019-2518
V-N Vandaag 2019/2162
V-N 2019/57.6 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2019/24.6
NTFR 2019/2495
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00697

uitspraakdatum: 17 september 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2018, nummer AWB 16/7905,

in het geding tussen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.305, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 472.712 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.099. Tevens is bij beschikking € 23.530 aan heffingsrente in rekening gebracht, alsmede bij beschikking een boete van € 59.114.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bestreden navorderingsaanslag, beschikking heffingsrente en boetebeschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 5 juli 2018 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.305, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 20.872 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.099, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 200, de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) veroordeeld tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 300, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.500 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

1.4

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is gedurende het gehele jaar 2009 gehuwd. Hij is in het onderhavige jaar enig aandeelhouder en bestuurder van [D] B.V.

2.2

[D] B.V. bezat tot 26 november 2009 6% van het geplaatste aandelenkapitaal in [E] B.V. De overige aandelen in [E] B.V. waren in bezit van [F] B.V. (ook 6%) en [G] B.V. (88%). Aandeelhouders van de twee laatstgenoemde vennootschappen waren op dat moment respectievelijk [H] , zuster van belanghebbende (hierna: de zuster) en (na het overlijden van haar echtgenoot) de moeder van belanghebbende. De drie aandeelhouders van [E] B.V. waren allen ook bestuurder van laatstgenoemde vennootschap.

2.3

[E] B.V. houdt alle aandelen van [I] B.V. (hierna: Fruithandel). Fruithandel exploiteert een groothandel in fruit en richt zich op de export van fruit. Beide vennootschappen zijn gevestigd op het adres [a-straat] 57A te [Z] , tevens het (voormalig) woonadres van [J] senior (hierna: de vader).

2.4

Op 29 augustus 2005 heeft [E] B.V. de naast het fruitbedrijf gelegen woning [a-straat] 55 te [Z] gekocht voor € 617.500, waarvan € 182.500 betrekking heeft op de opstal. De bestaande woning is in 2006 gesloopt en op het perceel is, met het oog op bewoning door belanghebbende en diens gezin (vrouw en drie kinderen), een nieuwe woning gebouwd. Ter zake van de sloop en herbouw van de nieuwe woning (hierna: de woning) zijn verschillende vergunningen aangevraagd. In de aanvragen en de verleende vergunningen is belanghebbende als eigenaar van de woning vermeld. Met de sloop en realisatie van de woning was een bedrag van € 681.703 gemoeid. Deze kosten zijn evenals de aankoopsom geactiveerd op de balans van [E] B.V.

2.5

De woning is in oktober 2007 opgeleverd. Afgesproken is dat belanghebbende de woning huurt van [E] B.V. Partijen hebben geen schriftelijke huurovereenkomst opgemaakt. De vergoeding voor de huur is gesteld op ongeveer 3% van de totale investering, zijnde het bedrag van de aankoopsom (inclusief overdrachtsbelasting) en de kosten van sloop en nieuwbouw. Met inachtneming van dit uitgangspunt is de aanvangshuur van de woning gesteld op € 41.750. Voor de onderhavige procedure hebben partijen ter zitting van het Hof eenparig verklaard dat deze huurprijs niet onzakelijk is. Eind 2007 is belanghebbende met zijn gezin de woning gaan bewonen.

2.6

Voor het jaar 2008 heeft belanghebbende de jaarhuur ad € 41.750 aan [E] B.V. voldaan door verrekening in rekening courant tussen [D] B.V. en [E] B.V. Het bedrag van de huur heeft [D] B.V. vervolgens doorberekend aan belanghebbende. De huur over het jaar 2009 is noch door middel van verrekening, noch anderszins voldaan.

2.7

De vader is [in] 2008 overleden.

2.8

Op 29 oktober 2008 is de woning op verzoek van belanghebbende, handelend als bestuurder van [E] B.V., getaxeerd door een taxateur van onroerende zaken. Deze taxateur heeft de waarde in het economische verkeer van de woning per 30 september 2008 bepaald op € 835.000. Het taxatierapport van 29 oktober 2008 vermeldt onder meer:

“In 2006 is het object aangekocht door [E] BV. (…) Na aankoop zijn de bestaande opstallen allemaal gesloopt en is er een nieuwe woning op het perceel gebouwd. Hierbij is een relatief goede woning gesloopt maar aanpassen naar de eisen en de wensen van de huidige bewoners was niet uitvoerbaar.”

2.9

Na het overlijden van de vader hebben belanghebbende en de zuster wegens het ontbreken van een goede samenwerking besloten dat de zuster het fruitbedrijf zal voortzetten en dat belanghebbende zal uittreden. In het kader van de ontvlechting heeft [D] B.V. op 1 oktober 2009 haar aandelen in [E] B.V. verkocht aan [F] B.V. De levering van dit aandelenpakket heeft op 26 november 2009 plaatsgevonden. Daarnaast is per 26 november 2009 [D] B.V. teruggetreden als bestuurder van [E] B.V. Onderdeel van de afspraak tussen belanghebbende en de zuster was voorts dat de woning door [E] B.V. aan belanghebbende in privé zou worden verkocht. Op 13 november 2009 heeft [E] B.V. de woning verkocht aan belanghebbende voor een bedrag van € 835.000, overeenkomstig de hiervoor – onder 2.8 - bedoelde taxatie. Ook de woning is op 26 november 2009 aan belanghebbende geleverd.

2.10

In de aangifte vennootschapsbelasting 2009 heeft [E] B.V. een boekverlies opgevoerd ter grootte van € 430.967. Dit verlies is het gevolg van de verkoop van de woning door deze vennootschap aan belanghebbende. De Inspecteur heeft dit verlies bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting 2009 en de verliesbeschikking over dat belastingjaar niet geaccepteerd.

2.11

In het daaropvolgende (hoger) beroep van [E] B.V. heeft het Hof geoordeeld dat de uitgaven die zijn gemoeid geweest met sloop en nieuwbouw van de hiervoor – onder 2.4 – bedoelde woning van in totaal € 681.703 zijn ingegeven door aandeelhoudersmotieven en deze uitgaven als onttrekking aangemerkt (Hof Arnhem-Leeuwarden 6 december 2016, nr. 16/00121, ECLI:NL:GHARL:2016:9807). Het Hof heeft daarbij, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“Aankoop

4.16

Belanghebbende heeft gesteld dat zij de onroerende zaak [a-straat] 55 te [Z] (hierna: de onroerende zaak) in 2005 heeft gekocht vanuit onder meer de gedachte dat “buurmans grond maar één keer te koop is”. Door de verwerving van de onroerende zaak werden, aldus belanghebbende, mogelijke belemmeringen voor haar bedrijfsvoering – klachten over hinder en geluidsoverlast door de vele transportbewegingen en de koelcellen met mogelijke gevolgen voor de vergunningen – weggenomen. De Inspecteur betwist dat belanghebbende de onroerende zaak heeft aangekocht met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof echter geen, althans onvoldoende bewijs bijgebracht dat de conclusie rechtvaardigt dat geen sprake is van een zakelijk belang bij belanghebbende om tot aankoop van de onroerende zaak over te gaan. De verwervingskosten van de onroerende zaak ten bedrage van in totaal € 654.550 (koopsom van € 617.500 vermeerderd met € 37.050 aan overdrachtsbelasting) zijn derhalve terecht op de balans van belanghebbende geactiveerd.

Sloop en nieuwbouw

4.17

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de onroerende zaak was bestemd voor bewoning door de zoon en diens gezin. Het was in het bedrijfsbelang, aldus belanghebbende, dat de zoon als eindverantwoordelijke binnen het fruitbedrijf voor transport en opslag naast het bedrijf zou wonen, zodat hij ook buiten normale werktijden transporten kon begeleiden en een oogje in het zeil kon houden. Omdat de woning niet voldeed aan de eisen van de tijd, heeft belanghebbende besloten de gekochte opstal te slopen en een nieuwe woning te laten bouwen op het perceel.

4.18

De Inspecteur heeft gesteld dat de sloop van de gekochte opstal en de realisering van de nieuwbouw niet zijn gedaan vanuit het oogpunt van het zakelijke belang van belanghebbende maar uitsluitend ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s).

4.19

In aanmerking genomen dat: (i) de zoon reeds in [Z] , enkele kilometers van het fruitbedrijf woonde, (ii) de opvolger van de zoon als verantwoordelijke voor transport en opslag na 2009 niet bij het bedrijf woont, (iii) de dochter en destijds ook de vader reeds bij het bedrijf woonden zodat zij bij calamiteiten konden ingrijpen, (iv) de aanvragen voor en de verleningen van de benodigde vergunningen voor de sloop van de gekochte opstal en de bouw van de nieuwe woning ten name van de zoon zijn gesteld en niet ten name van belanghebbende, (v) de opstal een relatief goede woning betrof, welke echter niet voldeed aan de eisen die – het gezin van – de zoon daaraan stelde (…), (vi) er na de realisering van de nieuwbouw en bewoning door het gezin van de zoon geen schriftelijke huurovereenkomst tussen belanghebbende en de zoon met betrekking tot de woning is gesloten en (vii) er niet regelmatig huurpenningen zijn voldaan, acht het Hof met de Inspecteur aannemelijk dat de sloop van de gekochte opstal en de realisering van de nieuwbouw niet zijn geschied met het oogmerk om de zakelijke belangen van belanghebbende te dienen, maar van de aanvang af uitsluitend zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de zoon (en kennelijk van diens vader) als middellijk aandeelhouders van belanghebbende. Het Hof acht niet aannemelijk dat in normale derdenverhoudingen, waarbij een aandeelhoudersrelatie niet aan de orde is, een ondernemer een door hem voor een bedrag van € 182.500 gekochte en kennelijk in relatief goede staat verkerende opstal aanstonds laat slopen en vervolgens aanzienlijke uitgaven doet voor de bouw van een voor de verhuur bestemde nieuwe woning, zonder dat daarover duidelijke afspraken worden gemaakt met de huurder in de vorm van een schriftelijke huurovereenkomst en zonder dat regelmatig huurpenningen worden voldaan. De omstandigheid dat bij de verkoop en levering van de onroerende zaak in 2009 door belanghebbende aan de zoon in privé niet een voorkeursrecht is bedongen ten behoeve van belanghebbende maar ten behoeve van de dochter (in privé), werpt naar het oordeel van het Hof evenzeer licht op de onderhavige kwestie, namelijk dat het zakelijke belang bij de sloop en de nieuwbouw bij belanghebbende ontbrak.

4.20

Het vorenoverwogene voert het Hof tot de conclusie dat de door belanghebbende gedane uitgaven met betrekking tot, kort gezegd, de sloop en nieuwbouw van de aanvang af uitsluitend zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). De uitgaven die gemoeid zijn geweest met de sloop en nieuwbouw, in totaal € 681.703, zijn door belanghebbende ten onrechte op haar balans geactiveerd.

4.21

Dit bedrag, dat hoger is dan de door de Inspecteur toegepaste correctie van € 430.967, heeft belanghebbende voor haar rekening genomen bij de verkoop en levering van de woning aan de zoon in 2009. Op dat moment heeft de onttrekking plaatsgevonden (vgl. HR 4 maart 2011, nr. 09/03233, ECLI:NL:HR:2011:BP6282, BNB 2011/125). De omstandigheid dat belanghebbende, hoewel de verkoopprijs – naar tussen partijen niet in geschil is – op zichzelf bezien zakelijk is, bereid is geweest dit verlies in 2009 te ‘realiseren’, is naar het oordeel van het Hof evenzeer gelegen in de sfeer van de aandeelhoudersmotieven. Na het overlijden van de vader bleek immers dat de overige (middellijke) aandeelhouders, de dochter en de zoon, niet in staat waren gezamenlijk het familiebedrijf voort te zetten. In dat kader is onder meer ervoor gekozen om de woning aan de zoon in privé te verkopen, hoewel daarvoor – naar het Hof aannemelijk acht – vanuit het zakelijke belang van belanghebbende geen goede reden bestond. Het kwam erop neer, zoals de gemachtigde van belanghebbende ter zitting heeft erkend, dat de verkoop van de woning aan de zoon in privé nodig was om de aandelentransactie tussen de dochter en de zoon mogelijk te maken.”

2.12

Het hiertegen door [E] B.V. ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad verworpen op de voet van artikel 81, eerste lid, van de Wet RO (zie HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:264).

2.13

Met dagtekening 24 augustus 2011 is aan belanghebbende de (primitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2009 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.

2.14

De Inspecteur heeft bij brieven van 9 december 2015 en 28 december 2015 zijn voornemen bekendgemaakt om aan belanghebbende over het jaar 2009 een navorderingsaanslag met boete op te leggen. De Inspecteur heeft in zijn brief van 28 december 2015 gesteld dat belanghebbende in 2009 een voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten van € 472.712, zijnde de som van € 430.967 (het boekverlies van [E] B.V. op de woning) en € 41.745 (de niet-betaalde huur over het jaar 2009).

2.15

Met dagtekening 16 januari 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de navorderingsaanslag, met vergrijpboete, opgelegd. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft de Inspecteur afgewezen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de kosten van sloop en nieuwbouw van de woning voor het bedrag van € 430.967 belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vormen, en, zo ja, of dit reguliere voordeel terecht en voor het juiste bedrag in 2009 bij belanghebbende in de heffing is betrokken, alsmede of de bestreden boete terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft in eerste aanleg berust in de correctie ter zake van de niet-betaalde huur over het jaar 2009.

3.2

De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3

Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 4.12, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) is inkomen uit aanmerkelijk belang het gezamenlijke bedrag van (voor zover hier van belang) de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten en verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).

4.2

Artikel 4.43, eerste lid, van de Wet bepaalt dat reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:

a. ontvangen;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld;

d. rentedragend geworden of

e. vorderbaar en inbaar geworden.

4.3

Van een regulier voordeel is onder meer sprake in geval van een verkapte uitdeling van winst door een vennootschap aan de aandeelhouder van de vennootschap. De Inspecteur heeft gesteld dat daarvan in het onderhavige jaar ten aanzien van belanghebbende sprake is.

4.4

Aangezien het Hof de onderhavige casus voor de vennootschapsbelasting reeds heeft beoordeeld in zijn uitspraak van 6 december 2016 (zie rechtsoverweging 2.11 hiervoor), stelt het Hof voorop dat voor de heffing van vennootschapsbelasting geldt dat door een vennootschap gedane uitgaven slechts dan een zakelijk karakter ontberen – en derhalve niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht – indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s) (vgl. HR 14 juni 2002, nr. 36.453, ECLI:NL:HR:2002:AB2865, BNB 2002/290). Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in zijn genoemde uitspraak, zijn de door [E] B.V. gedane uitgaven met betrekking tot de sloop en nieuwbouw van de woning van de aanvang af uitsluitend gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). De uitgaven, in totaal € 681.703, zijn door [E] B.V., hoewel sprake was van uitgaven ter bevrediging van de persoonlijke behoefte van de aandeelhouder(s), niettemin (ten onrechte) op haar balans geactiveerd. Voor de vennootschapsbelasting heeft het Hof om die reden pas in 2009, bij verkoop van de woning aan belanghebbende, een onttrekking geconstateerd.

4.5

Voor het aannemen van een verkapte uitdeling van winst aan de aandeelhouder, welke leidt tot een regulier voordeel in de zin van artikel 4.12 van de Wet, is slechts sprake, indien en voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder(s), waarbij de vennootschap haar aandeelhouder(s) als zodanig heeft willen bevoordelen en waarvan de aandeelhouder(s) zich bewust is (zijn) geweest of redelijkerwijs bewust had (hadden) moeten zijn (vgl. onder meer HR 4 mei 1983, nr. 21.668, BNB 1983/233). De last zulks aannemelijk te maken rust, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, op de Inspecteur. Gelet op het bepaalde in artikel 4.43, eerste lid, van de Wet, kan het zich voordoen dat het tijdstip van onttrekking in de sfeer van de vennootschapsbelasting niet gelijk is aan het tijdstip waarop sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in de inkomstenbelastingsfeer (vgl. HR 7 september 1988, nr. 24.884, BNB 1988/319).

4.6

Gelet op het vorenoverwogene, moet de Inspecteur aannemelijk maken dat belanghebbende in 2009 als aandeelhouder een voordeel heeft genoten waarvan zowel hij als [E] B.V. zich bewust waren of hadden moeten zijn.

4.7

De Inspecteur heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, met de bestreden navorderingsaanslag een correctie aangebracht op het aangegeven belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor het bedrag van het door [E] B.V. in 2009 geclaimde boekverlies ad € 430.967. Gelet op het hiervoor – onder 4.4 – overwogene, kan in 2009 geen boekverlies bij [E] B.V. zijn ontstaan op de uitgaven zelf, aangezien de uitgaven ten onrechte waren geactiveerd. Het Hof heeft in zijn hiervoor bedoelde uitspraak van 6 december 2016 voorts tot uitdrukking gebracht dat [E] B.V als eigenaar van de woning onzakelijke uitgaven heeft gedaan bij de sloop en nieuwbouw daarvan. Daarvan kan alleen sprake zijn indien en voor zover deze uitgaven niet leidden tot een equivalente waardevermeerdering van de woning. Een met de onzakelijke uitgaven corresponderend voordeel voor de aandeelhouder(s) is dan genoten in de respectieve jaren waarin ter bevrediging van zijn persoonlijke behoefte de bedoelde onverantwoorde investeringen in de woning zijn gedaan. Bij verkoop in 2009 komt een voordeel in vorenbedoelde zin immers juist niet tot uitdrukking. Overigens is de bij verkoop en levering van de woning aan belanghebbende berekende koopsom van € 835.000 – naar tussen partijen niet in geschil is – niet onzakelijk. De Inspecteur maakt, naar het oordeel van het Hof, dan ook niet aannemelijk dat sprake was van een uitdeling die overeenkomt met het bedoelde boekverlies.

4.8

Naar het Hof begrijpt, stelt de Inspecteur voorts in wezen dat de bestreden navorderingsaanslag, voor zover nog in geschil, ertoe strekt een correctie aan te brengen voor een voordeel dat aan belanghebbende is toegevloeid ter grootte van de uitgaven die [E] B.V. in de jaren 2006 en 2007 uitsluitend ten behoeve van de aandeelhouder(s) heeft gedaan ter zake van de sloop en nieuwbouw van de woning, aangezien de vennootschap zich een voordeel heeft laten ontgaan door geen compensatie te bedingen voor die kosten.

4.9

Belanghebbende heeft gesteld dat hijzelf niet heeft kunnen besluiten de bedoelde uitgaven van sloop en nieuwbouw niet te verhalen, maar dat uitsluitend de vader daartoe in staat was, omdat die in 2006 en 2007 immers een (middellijk) meerderheidsbelang van 88% had in [E] B.V. Het Hof is van oordeel dat die stelling juist is. Uitsluitend de vader heeft kunnen besluiten, en heeft kennelijk besloten, in 2007 bij de aanvang van de huur van de woning door belanghebbende niet te bedingen de uitgaven ter zake van de sloop en nieuwbouw van de woning op belanghebbende te verhalen ten einde belanghebbende, als zijn zoon, daarmee door middel van een (materiële) schenking te bevoordelen. In het midden kan blijven of de uitdeling aan de vader voor 100% dan wel voor een lager percentage van de bedoelde uitgaven heeft plaatsgevonden. Immers, het vorenoverwogene brengt met zich dat in 2009 geen uitdeling aan belanghebbende kan hebben plaatsgevonden.

4.10

Nu, naar het oordeel van het Hof, de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een in 2009 door belanghebbende genoten regulier voordeel, kan in zoverre ook geen vergrijpboete worden opgelegd.

4.11

Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Diens overige weren behoeven geen behandeling meer.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten  wegingsfactor 1  € 512 = € 1.024 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.024, en

– bepaalt dat van de Staat op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 508.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 17 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. R. den Ouden,

(S. Darwinkel)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 september 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.