Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7451

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
200.258.119/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In eerste aanleg is bezwaar gemaakt tegen de boedelbeschrijving en uitdelingslijst inzake een nalatenschap. Het verzoek is door de kantonrechter afgewezen. Verzoeker is hiervan in hoger beroep gekomen. Het hof verklaart dit hoger beroep niet ontvankelijk onder verwijzing naar art. 4:218 lid 5 BW en rechtspraak van de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/313
ERF-Updates.nl 2019-0242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.258.119/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7303622)

beschikking van 12 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: verzoeker,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [C] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: verweerders,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. A. Smeekes, kantoorhoudend te Tilburg.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 17 januari 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van [appellant] van 16 april 2019 (met grieven),

- de brief van 29 mei 2019 van [appellant] , met producties,

- het verweerschrift van [geïntimeerden] van 3 juni 2019.

2.2

Vervolgens hebben partijen op 18 juni 2019 desgevraagd medegedeeld dat een mondelinge behandeling van de zaak door het hof achterwege kan blijven.

2.3

Het hof heeft bepaald dat vandaag een beslissing wordt gegeven.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

[appellant] verzoekt in het hoger beroep de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en alsnog de door [geïntimeerden] in hun hoedanigheid van vereffenaars ter griffie gedeponeerde uitdelingslijst te vernietigen c.q. aan te passen, kosten rechtens.

3.2

[geïntimeerden] hebben verzocht [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Voorts hebben zij zich, mocht het hof oordelen dat [appellant] kan worden ontvangen in het verzoek, inhoudelijk verweerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.3

Het hof overweegt het volgende. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 21 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2393) kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter waarbij het verzet tegen een uitdelingslijst niet is gehonoreerd. Voor de belanghebbende staat op grond van art. 4:218 lid 5 BW in verbinding met art. 187 lid 1 Faillissementswet alleen beroep in cassatie open, en wel binnen acht dagen na de beschikking. [appellant] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

3.4

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, worden de proceskosten van het hoger beroep doorgaans gecompenseerd. Echter, [geïntimeerden] hebben onweersproken gesteld dat zij op 3 mei 2019 [appellant] schriftelijk hebben gewezen op zijn niet-ontvankelijkheid en dat zij hem daarom hebben verzocht het hoger beroep in te trekken om kosten te voorkomen. Omdat het hoger beroep toch is doorgezet, verzoeken [geïntimeerden] het hof [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof deelt het standpunt van [geïntimeerden] dat zij onnodig in rechte zijn betrokken en onnodig proceskosten hebben moeten maken, en zal hun verzoek daarom inwilligen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op € 1.074,- (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente, zoals zal blijken uit het dictum van deze beschikking.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak vast op:

- € 1.074,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

- € 157,- voor nasalaris van de advocaat;

- € 82,- voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

- één en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. H. Kuiper, M.W. Zandbergen en J. Smit en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 september 2019.