Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7447

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
200.236.376/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ex-samenlevers. Man vordert verklaring voor recht dat vaststellingsovereenkomst is vernietigd wegens wilsgebrek, dan wel vernietigbaar is op grond van benadeling. Zijn partijen finale kwijting overeengekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.236.376/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5995132 MC EXPL 17-5190)

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerder in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P. Bosma, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.C.M. Montessori, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

19 juli 2017 en 29 november 2017 die de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van dit hof van 26 maart 2019 en de daarin vermelde stukken.

2.2.

In dit tussenarrest heeft het hof een meervoudige comparitie van partijen gelast, die op 11 juli 2019 heeft plaatsgevonden; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

2.3.

Ten behoeve van de comparitie zijn de stukken overgelegd. Op basis van deze stukken zal het hof arrest wijzen.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 29 november 2017 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, zijn de navolgende.

3.2.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond vanaf 1992.

3.3.

Op 6 november 1992 hebben partijen bij notaris mr. G. Terpstra te Almere een samenlevingscontract afgesloten.

3.4.

De relatie is beëindigd eind 2013.

3.5.

Het samenlevingscontract is opgezegd per 10 juli 2015 in een op die datum door partijen ondertekende verklaring.

3.6.

Per 1 augustus 2016 zijn partijen feitelijk gescheiden gaan leven, doordat de man de gezamenlijke woning heeft verlaten.

3.7.

In december 2015 heeft de mondelinge behandeling van een door [geïntimeerde] aanhangig gemaakt kort geding plaatsgevonden, in welk kort geding [appellant] een reconventionele vordering heeft ingediend. Partijen hebben toen besloten naar een mediator te gaan.

3.8.

Op 9 februari 2016 hebben partijen, na een aantal mediationgesprekken, een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Daarin is opgenomen:

VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

De ondergetekenden:

1. [appellant] , wonende [a-straat] 12, [A] , geboren te [B] [in] 1942, hierna ook te noemen: de man;

2. [geïntimeerde] , wonende [a-straat] 12, [A] , geboren te

[C] [in] 1951, hierna ook te noemen; de vrouw.


In aanmerking genomen het volgende:

Feiten:

De man en de vrouw zijn gaan samenwonen in het jaar 1992.

Ze hebben een samenlevingsovereenkomst opgemaakt en ondertekend op 6 november 1992,

verleden voor notaris G. Terpstra in Almere.

De relatie tussen de man en de vrouw is feitelijk beëindigd in de maand oktober 2013.

Het samenlevingscontract is formeel opgezegd op 10 juli 2015.

Tijdens de samenwoning zijn er door hen diverse goederen gekocht en schulden aangegaan.


Geschil

Er moeten afspraken gemaakt worden over verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen

en schulden.

De gemeenschap bestaat globaal uit:

huis [a-straat] , waarde circa 450.000,-

hypotheek 356.000,-

overwaarde, circa 94.000,-

minus kosten verkoop, circa 8.000,-

netto overwaarde, begroot op 86.000,-

[D] (netto), begroot op 20.000,-

auto, waarde vastgesteld op 12.000,-

totaal actief, begroot op: 118.000,-

waaraf schuld [E] /- 22.000.-

resteert ter verdeling: circa 96.000,-

======

Naar de mening van de man moet er een verrekening plaatsvinden ten aanzien van de kosten

van de huishouding, omdat de man van mening is, dat de vrouw niet voldoende heeft

bijgedragen in deze kosten tijdens de duur van de samenwoning.

De vrouw daarentegen heeft aangegeven dat er geen sprake is van verrekening van deze

kosten. Zij geeft aan dat zij, naar haar mening voldoende heeft bijgedragen aan de kosten van

de huishouding en dat al haar salaris tijdens de periode van de samenwoning is opgegaan

aan het huishouden en overige zaken.

De man en de vrouw hebben door middel van mediation overeenstemming bereikt over

bovengenoemde geschilpunten en afspraken gemaakt over de verdeling van de

gemeenschappelijke bezittingen en schulden.

De man en de vrouw zijn het volgende overeengekomen:

1. De waarde van de Caravan met ondergrond in [D] , hierna te noemen: [D] (aan

partijen genoegzaam bekend) wordt vastgesteld door middel van een taxatie. De man en

de vrouw wijzen in onderling overleg een makelaar aan. Deze makelaar zal een opdracht

worden gegeven om in de eerste week van maart 2016 een taxatie te verrichten.

De man en de vrouw zijn overeengekomen dat [D] in beginsel aan de man wordt

toegedeeld voor een som groot € 60.000,- onder de verplichting de schuld aan [F] ad

€ 40.000,- (welke schuld aan partijen genoegzaam bekend is) voor zijn eigen tekening te

nemen en als eigen schuld te voldoen. De vrouw moet door [F] worden ontslagen uit

haar (hoofdelijke) aansprakelijkheid van deze schuld, voordat er een akte van verdeling

wordt ondertekend.

Indien blijkt dat [D] voor een hoger bedrag wordt getaxeerd dan € 60.000,- heeft de

vrouw recht op de helft van de meerwaarde ten opzichte van € 60.000,-.

De man geeft uiterlijk op 30 juni 2016 aan de vrouw aan of hij [D] toegedeeld wil

krijgen, dan wel dat [D] wordt verkocht en geleverd.

Indien sprake is van verkoop en levering, zal de man aan de vrouw betalen de helft van de

meerwaarde ten opzichte van eerdergenoemde som van € 60.000,-.

Indien sprake is van verdeling van [D] , waarbij [D] wordt toegedeeld aan de man,

zal de man de helft van de meerwaarde ten opzichte van eerdergenoemd bedrag dag

€ 60.000,- voldoen aan de vrouw binnen twee weken na de levering van de woning aan de

[a-straat] .

De kosten van de eventuele akte van verdeling komen voor rekening van de man en de

vrouw, ieder voor de helft.

De kosten voor de eventuele verkoop en levering komen voor rekening van de man en de

vrouw, ieder voor de helft.

2. De inboedel blijft achter in de caravan, met uitzondering van de persoonlijke bezittingen,

zoals een fiets.

3. De woning aan de [a-straat] wordt verkocht en geleverd. De man en de vrouw hebben

ieder recht op de helft van de netto verkoopopbrengst.

4. De man en de vrouw zijn overeengekomen, dat zij van deze netto verkoopopbrengst ieder

de helft van de schuld aan [E] , aan partijen genoegzaam bekend, inlossen en wel

binnen twee weken na ontvangst van deze netto verkoopopbrengst

5. De auto, aan partijen genoegzaam bekend, wordt toegedeeld aan de man voor een som

groot € 12,000,-. De man en de vrouw zijn overeengekomen, dat de man aan de vrouw in

dit kader een vergoeding betaalt ad € 3.000,-. De man en de vrouw zijn overeengekomen,

dat de man deze som groot € 3.000,- uiterlijk voldoet op 31 december 2016.

De vrouw stemt er mee in, dat deze som groot € 3000,- door haar zal worden gebruikt om

de verbouwing van de badkamer van haar zoon [G] te bekostigen. Zij zal deze som

uiterlijk binnen 5 jaar na vandaag, ofwel uiterlijk op 9 februari 2021 aan haar zoon [G]

voldoen.

Aldus opgemaakt en in drievoud ondertekend op 9 februari 2016

3.9.

Partijen hebben op 25 september 2016 de waarde van de caravan plus grond te [D] in onderling overleg bepaald op € 65.520,-. De levering van de caravan en het bijbehorende perceel grond aan [appellant] heeft plaatsgevonden op 14 november 2016.

3.10.

De levering van de woning aan de [a-straat] te [A] aan de kopers heeft plaatsgevonden op 24 februari 2017.


4. Het geschil en de beslissing in eerst aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie), kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, betaling gevorderd door [appellant] van een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 januari 2017, een bedrag van € 2.760,- vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 10 maart 2017 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 663,- vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure, alsmede de nakosten.

4.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg (in (voorwaardelijke) reconventie), kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, voor zover de vaststellingsovereenkomst niet wordt vernietigd betaling gevorderd door [geïntimeerde] van een bedrag van € 74.494,50.

4.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de door haar gevorderde bedragen, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. De reconventionele vordering van [appellant] is afgewezen. Verder is [appellant] in conventie en in reconventie in de kosten veroordeeld.

5 De grieven en de vorderingen

Principaal hoger beroep

5.1.

[appellant] is met grieven 1 t/m 4 in beroep gekomen van het vonnis van 29 november 2017. De eerste grief ziet op de medische toestand van [appellant] tijdens de mediationbijeenkomsten, als gevolg waarvan hij niet in staat was om tot afspraken te komen. De tweede grief ziet op de onderbouwing door [appellant] van zijn medische toestand. De derde grief richt zich tegen de vraag of partijen in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting zijn overeengekomen. De vierde grief gaat over de kostenveroordeling.

5.2.

[appellant] vordert in het (principaal)beroep:
- te vernietigen het vonnis waarvan beroep;

- te verklaren voor recht dat de vaststellingsovereenkomst van 9 februari 2016 is vernietigd;

- opnieuw recht doende, tussen partijen de afrekening vast te stellen op de wijze zoals aangegeven onder randnummer 22 van de memorie van grieven en [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 100.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding in hoger beroep tot aan de dag van betaling;

- kosten rechtens.

Incidenteel hoger beroep

5.3.

[geïntimeerde] is met één grief in beroep gekomen van het vonnis van 29 november 2017. Haar grief ziet op de proceskostenveroordeling.

5.4.

[geïntimeerde] vordert in het (incidenteel) beroep:

- de vorderingen van [appellant] af te wijzen dan wel hem daarin niet ontvankelijk te verklaren;

- de bestreden beschikking te bevestigen;

- [appellant] te veroordelen tot betaling aan de [geïntimeerde] - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - van een bedrag groot € 2.172,56 ter zake van door [geïntimeerde] tot en met heden gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke advocaatkosten in hoger beroep, vermeerderd met

de wettelijke vertragingsrente daarover vanaf heden tot aan de dag ter algehele voldoening;

- [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] de door haar nog te lijden schade ter zake van advocaatkosten te voldoen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente, steeds te berekenen vanaf de vervaltermijn van de

advocaatnota’s tot de dag der algehele voldoening;

- met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure, waaronder het griffierecht, zowel in eerste instantie als in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten bij niet tijdige betaling.

6 De beoordeling

PRINCIPAAL HOGER BEROEP

Grieven 1 en 2: de (medische) toestand van [appellant] en de onderbouwing daarvan

6.1.

[appellant] heeft in zijn conclusie van antwoord, die hij in de procedure bij de rechtbank heeft ingediend in juni 2017, de tussen hem en [geïntimeerde] gesloten vaststellingovereenkomst van 9 februari 2016 buitengerechtelijk vernietigd. In hoger beroep verzoekt hij het hof voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst is vernietigd. [appellant] heeft zich daarbij primair beroepen op -zo begrijpt het hof- misbruik van omstandigheden wegens zijn medische toestand, subsidiair op dwaling wegens een onjuiste voorstelling van zaken, en meer subsidiair op benadeling voor meer dan een kwart.


* misbruik van omstandigheden

6.2.

Bij zijn beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Op grond van artikel 3:44 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Volgens lid 4 van dit artikel is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. De partij die de vernietiging inroept draagt overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het wilsgebrek (in dit geval het misbruik van omstandigheden) en het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en dat wilsgebrek. Het vierde lid van artikel 3:44 BW omschrijft de elementen van het misbruik van omstandigheden. Het gaat daarbij om:
- elementen aan de zijde van [appellant] : aanwezigheid van bijzondere omstandigheden;
- elementen aan de zijde van [geïntimeerde] : wetenschap (het weten of moeten begrijpen), handeling (het bevorderen van de rechtshandeling) en ontoelaatbaarheid (zou behoren te weerhouden).

6.3.

[appellant] heeft aangegeven dat hij niet op de juiste wijze in staat was om zijn wil te bepalen omdat hij op 9 november 2019, dus kort voordat het mediationtraject van start is gegaan, zijn ‘doodvonnis’ had gekregen. [appellant] heeft op die dag te horen gekregen dat hij leed aan leukemie. Bovendien kampte [appellant] al enige tijd met ernstige burn-outverschijnselen en hartklachten. Verder had [appellant] last van reuma. [appellant] meent dat [geïntimeerde] op de hoogte moet zijn geweest van zijn toestand en zich had moeten realiseren dat [appellant] toen niet in staat was weloverwogen beslissingen te nemen met betrekking tot de afwikkeling van de vermogenssituatie tussen partijen op grond van de samenlevingsovereenkomst of nader te maken afspraken zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst.

6.4.

[geïntimeerde] heeft de acute ernst van de medische toestand van [appellant] betwist, en wijst er voorts op dat alle overige elementen die voor het gestelde misbruik vereist zijn, gesteld noch aanwezig zijn.

6.5.

Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om op grond van misbruik van omstandigheden te komen tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Voor vernietiging van een rechtshandeling op grond van misbruik van omstandigheden is immers vereist dat de ander weet of moet begrijpen dat betrokkene door de bijzondere omstandigheid tot het verrichten van de rechtshandeling wordt bewogen. Wat de ander weet of moet begrijpen, had hem van het bevorderen van de rechtshandeling moeten weerhouden. [appellant] heeft, zoals hij zelf ook heeft gesteld, ten tijde van de besprekingen en het totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, geen melding gemaakt van zijn medische toestand die hem, naar eigen zeggen, geestelijk belemmerde. [geïntimeerde] heeft daarnaast onweersproken gesteld dat [appellant] al jarenlang medische klachten had, en dat al eerder in 2015 bekend was dat hij leed aan chronische leukemie. Dit laatste blijkt ook uit de door [appellant] overgelegde verklaring van zijn huisarts van 12 april 2017, waarin bij de relevante voorgeschiedenis staat vermeld: “06-2015 Chronische leukemie (CLL); stabiel”. Ter zitting bij het hof heeft [appellant] niet duidelijk kunnen maken wat [geïntimeerde] en de mediator tijdens de besprekingen anders hadden kunnen en moeten doen. [appellant] heeft vooral benadrukt dat hij het -achteraf gezien- als oneerlijk heeft ervaren dat de door hem opgestelde financiële overzichten, die hij in de mediation heeft ingebracht, door de mediator terzijde werden geschoven.
Dit maakt dat het beroep van [appellant] op het door hem gestelde misbruik reeds strandt op het kenbaarheidsvereiste uit artikel 3:44 lid 4 BW. Het hof wil hierbij opmerken dat, ook al zou de medische toestand van [appellant] wél kenbaar zijn geweest, dit nog niet zonder meer met zich had gebracht dat er daardoor misbruik van deze omstandigheden zou zijn gemaakt, en dat er een causaal verband is geweest tussen de omstandigheden waarin [appellant] naar zijn eigen zeggen verkeerde, en het verrichten van de rechtshandeling. In dit verband is ook relevant de tijdspanne van circa twee weken die er is steeds is geweest tussen de besprekingen, het aantal besprekingen en het feit dat de vaststellingsovereenkomst eerst in concept is opgemaakt met een week bedenktijd.

* dwaling

6.6.

[appellant] heeft subsidiair een beroep gedaan op dwaling. Hij voert daartoe aan dat bij hem niet een juiste voorstelling van zaken bestond met betrekking tot de gevolgen die ondertekening van de vaststellingsovereenkomst voor hem zou hebben. [appellant] blijkt zijn handtekening te hebben gezet onder een stuk voor vrijwaring en finale kwijting, en begreep niet dat dit stuk ook zag op zijn vermeende vorderingen op [geïntimeerde] . Deze dwaling werd veroorzaakt door het hiervoor genoemde ‘doodvonnis’.

6.7.

Het hof stelt bij zijn beoordeling van het beroep op dwaling het volgende voorop. Artikel 6:228 BW bepaalt:
“Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.”

De partij die de vernietiging inroept draagt de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de onjuiste voorstelling van zaken (de dwaling als zodanig), het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en die onjuiste voorstelling en het zich voordoen van een van de drie dwalingsgevallen van lid 1 onderdeel a (onjuiste mededeling), onderdeel b (verzwijging) en onderdeel c (wederzijdse dwaling).
Aangezien [appellant] en [geïntimeerde] ter beëindiging van hun geschilpunten

een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW hebben gesloten, moet artikel 6:228 BW terughoudend worden toegepast. In beginsel komt partijen geen beroep op dwaling toe ten aanzien van hetgeen waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond (vgl. HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400; NJ 1986/228).

6.8.

[appellant] heeft nagelaten te stellen op welke dwalingsgrond hij zich beroept. [geïntimeerde] heeft gesteld zelf geen onjuiste voorstelling van zaken voor ogen te hebben gehad (lid 1 onderdeel c). Zij ging er van uit dat partijen met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de gevolgen van de beëindiging van hun samenleving definitief hadden beëindigd. Verder heeft [geïntimeerde] er onbetwist op gewezen dat ook geen sprake is van de situatie als bedoeld in lid 1 onderdeel a, nu er geen sprake is geweest van een inlichting van haar zijde waaraan de dwaling is te wijten. Het hof gaat er dan ook van uit, hoewel het op de weg van [appellant] had gelegen om dit voldoende duidelijk naar voren te brengen, dat [appellant] heeft bedoeld een beroep te doen op lid 1 onderdeel b. Wat betreft het onderdeel b draagt de partij die de vernietiging inroept de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. Omdat [appellant] heeft gesteld noch onderbouwd waarom deze situatie zich zou hebben voorgedaan, kan ook op deze grond niet worden gekomen tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.

6.9.

Omdat [appellant] , naar het hof begrijpt, in het kader van zijn beroep op dwaling, ook nog heeft gesteld dat hij niet in staat was op juiste wijze zijn wil te bepalen, zal het hof hier nader op ingaan. Artikel 3:34 BW bepaalt dat wanneer iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets heeft verklaard, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.
De vermoedens van het eerste lid van artikel 3:34 BW verkrijgen pas werking als degene die zich daarop beroept weet aan te tonen dat op het moment van het aangaan van de rechtshandeling zijn geestelijke vermogens blijvend dan wel tijdelijk waren gestoord. Het hof is van oordeel dat [appellant] daarin niet is geslaagd. De enige medische verklaring die [appellant] ter onderbouwing van de door hem gestelde stoornis in het geding heeft gebracht betreft een verklaring van zijn huisarts van 8 november 2017, waaruit blijkt dat [appellant] op diezelfde datum het navolgende met de huisarts heeft besproken: “Zit in juridische fase die belangrijk is. In de procedure zijn zaken misgegaan, waardoor er onvoldoende overzicht is over de totale financiële situatie van beide partijen en er geen ziekteverklaring is over 2015. Door de stapeling van ernstige ziekten in dat jaar stond patient psychisch dusdanig onder druk dat hij onvoldoende in staat was zijn belangen goed te behartigen. Scheiding van partner.” Het hof acht deze verklaring onvoldoende onderbouwing van de door [appellant] gestelde stoornis ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Voornoemde weergave betreft immers -zo blijkt uit de aanduiding in de verklaring met de letter ‘S’- het relaas van [appellant] zelf.

* benadeling

6.10.

[appellant] heeft meer subsidiair, en analoog aan de bepaling uit artikel 3:196 BW, gesteld dat de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is op grond van benadeling met meer dan een kwart. [appellant] stelt daartoe dat hij de samenleving is ingegaan met een bedrag van € 38.000,-, welke bedrag hij niet heeft terugontvangen en méér vormt dan een kwart van het bedrag van € 74.000,- dat partijen hebben gedeeld en afgerekend.

6.11.

Artikel 3:196 lid 1 BW bepaalt dat een verdeling vernietigbaar is, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Dit artikel is opgenomen in Titel 7 van Boek 3 BW, waarin regels zijn neergelegd die gelden voor alle gemeenschappen, behoudens de gemeenschappen waarop de titel ingevolge artikel 3:189 BW niet van toepassing is. Partijen hebben weliswaar enkele goederen gemeenschappelijk in eigendom gehad, maar dit brengt uitsluitend met zich dat voor de betreffende goederen eenvoudige gemeenschappen zijn ontstaan, en niet dat er sprake is van een gemeenschap die alle goederen en schulden omvat zoals die in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen. Ter zake de verdeling van al deze goederen en schulden tezamen kan artikel 3:196 BW dan ook niet -ook niet analoog- van toepassing worden verklaard. Ook op deze grond kan daarom niet tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst worden gekomen.

* conclusie

6.12.

Grieven 1 en 2 falen, zodat de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat de vaststellingsovereenkomst van 9 februari 2016 is vernietigd, niet toewijsbaar is. Het hof zal daarom in het hierna volgende uitgaan van de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst.


Grief 3: finale kwijting

6.13.

[appellant] heeft aangevoerd dat de vaststellingovereenkomst niet tegen finale kwijting is aangegaan. In ieder geval is in de overeenkomst niet begrepen zijn vordering op [geïntimeerde] ter zake zijn aanvangsvermogen van € 38.000,-, en evenmin zijn vordering op [geïntimeerde] op grond van tijdens de relatie door [appellant] gedane investeringen. Daarnaast maakt de overeenkomst volgens [appellant] geen melding van zijn standpunt dat de kosten van de huishouding niet naar rato van het inkomen van partijen zijn gedragen. Ook om deze redenen zou de overeenkomst in de visie van [appellant] dienen te worden vernietigd. Het hof merkt daarbij op dat [appellant] aan deze stelling geen rechtgevolg verbindt, behalve dat hij kennelijk alsnog wil dat zijn vorderingen op [geïntimeerde] door het hof worden beoordeeld.

6.14.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten die ertoe strekt alle geschillen met betrekking tot de financiële afwikkeling van de samenwoning te beëindigen. De vorderingen die [appellant] in hoger beroep noemt, zijn door hem in kort geding dat is voorafgegaan aan de mediation reeds kenbaar gemaakt en ingebracht, en zijn ook aan de orde geweest in de daarop volgende mediation. Subsidiair heeft [geïntimeerde] de vorderingen gemotiveerd betwist.

6.15.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is niet zozeer de vraag of partijen elkaar finale kwijting hebben verleend bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, welke vraag [appellant] ter discussie stelt, maar eerder de vraag of de vaststellingsovereenkomst de door [appellant] in de huidige procedure genoemde vorderingen omvat. De overeenkomst bevat immers geen (letterlijke) kwijtingbepaling, maar is wél een vaststellingsovereenkomst terzake de onderwerpen van geschil. Partijen zijn jegens elkaar aan die vaststelling gebonden. Uitleg van de vaststellingsovereenkomst, en dus ook de vraag wat deze overeenkomst omvat, of anders gezegd: wat partijen hebben beoogd te regelen, dient volgens vaste jurisprudentie te geschieden aan de hand van het Haviltex-criterium. Het komt dus niet uitsluitend aan op de taalkundige betekenis, maar ook op de zin die partijen redelijkerwijs aan de overeenkomst konden toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6.16.

Het hof is van oordeel dat partijen met de door hen gesloten vaststellingsovereenkomst van 9 februari 2016 hebben beoogd alle financiële gevolgen van de beëindiging van hun samenleving te regelen, en dat daarin een verrekening van de kosten van de huishouding alsmede overige vergoedingsvorderingen zijn begrepen. Het hof is op grond van de volgende feiten en omstandigheden tot dit oordeel gekomen:


a. In december 2015 heeft bij de Voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland de mondelinge behandeling van een kort geding plaatsgevonden. Voorafgaand aan dit door [geïntimeerde] geëntameerde kort geding heeft [appellant] een -met stukken nader onderbouwde- vordering in reconventie ingediend uit hoofde van door hem verrichte betalingen tijdens de samenleving met [geïntimeerde] . Deze betalingen zien onder andere op aflossingen en rentebetalingen op leningen, verbeteringen aan woningen en verrekening van de kosten van de huishouding. [appellant] had zijn vordering op [geïntimeerde] begroot op tenminste € 118.718,-. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen, die toen werden bijgestaan door hun advocaten, afgesproken zich gezamenlijk te zullen wenden tot een mediator. Uit het feit dat [appellant] toen zijn vorderingen op [geïntimeerde] reeds kenbaar had gemaakt, hetgeen hij zelf ook benadrukt onder punt 4 van zijn Memorie van Grieven, mag worden afgeleid dat partijen toen zij de mediation startten beiden een voldoende helder beeld hadden van wat de inzet daarvan zou zijn. Ter zitting bij het hof heeft de man ook meerdere malen betoogd dat hij zijn financiële overzichten in de mediation aan de orde heeft gesteld, maar dat hier tot zijn grote teleurstelling niets mee werd gedaan. In hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering begroot op een bedrag van € 112.494,50. Het gaat om nagenoeg dezelfde vorderingen/bedragen die [appellant] ook in het kort geding naar voren heeft gebracht, en die door hem tijdens de mediation zijn gemeld, zij het dat de vordering op grond van ‘verrekening van de kosten van de huishouding’ nu is aangevoerd als ‘vergoeding aanvangsvermogen’.

b. Bij de mediator hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden, en is uiteindelijk op 9 februari 2016 de vaststellingsovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst zijn in de letterlijke tekst diverse aanwijzingen te vinden voor het feit dat partijen alle vermogensrechtelijke gevolgen van de verbreking van hun samenleving wilden regelen:
De aanheft luidt “vaststellingsovereenkomst”.
In de considerans staat vermeld dat partijen tijdens de samenwoning diverse goederen hebben aangekocht en schulden zijn aangegaan.
Onder het geschil staat onder andere vermeld:
“Naar de mening van de man moet er een verrekening plaatsvinden ten aanzien van de kosten van de huishouding, omdat de man van mening is, dat de vrouw niet voldoende heeft

bijgedragen in deze kosten tijdens de duur van de samenwoning. De vrouw daarentegen heeft aangegeven dat er geen sprake is van verrekening van deze kosten. Zij geeft aan dat zij, naar haar mening voldoende heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding en dat al haar salaris tijdens de periode van de samenwoning is opgegaan aan het huishouden en overige zaken.” en ook:
“De man en de vrouw hebben door middel van mediation overeenstemming bereikt over bovengenoemde geschilpunten en afspraken gemaakt over de verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen en schulden.”

c. [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat zij op grond van hetgeen is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst genoegen heeft genomen met minder dan waar zij volgens haar eigen berekening recht op had. Zo heeft zij genoegen genomen met een bedrag gelijk aan een kwart van de waarde van de auto, in plaats van de helft daarvan, en is zij ermee akkoord gegaan dat het bedrag niet zou worden besteed aan zichzelf maar aan zoon [G] . [geïntimeerde] heeft dit gedaan om tot een oplossing te komen.

d. [appellant] heeft vanaf het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst in februari 2016 tot aan zijn Conclusie van Antwoord van juni 2017 nimmer kenbaar gemaakt dat hij meende dat de vaststellingsovereenkomst niet weergaf wat hij destijds had gewenst, dat hij toendertijd niet in staat was om zijn zaken te regelen, en dat er nog vorderingen resteerden die in zijn visie waren overgeslagen. Pas toen [geïntimeerde] via een dagvaarding kenbaar maakte dat zij recht had op de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedragen, in totaal € 3.000,- en € 2.760,-, heeft [appellant] als weerwoord zijn vorderingen ingediend. Ter zitting bij het hof heeft [appellant] bevestigd dat hij dit niet had gedaan als [geïntimeerde] zich niet bij hem had gemeld met haar vorderingen uit de vaststellingsovereenkomst.

e. Tijdens de comparitie bij de rechtbank Midden-Nederland van 25 oktober 2017 heeft de advocaat van [appellant] namens hem gemeld dat er finale kwijting is overeengekomen, en ook [geïntimeerde] is hiervan uitgegaan. In hoger beroep heeft [appellant] zich er primair op beroepen dat er misbruik is gemaakt van omstandigheden en/of er sprake is geweest van dwaling, omdat hij als gevolg van zijn medische toestand de gevolgen niet kon overzien, en hij niet wist dat hij tekende voor een finale kwijting.


Al deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken dat partijen er redelijkerwijs van mochten uitgaan dat bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst op 9 februari 2016 alle toen bestaande geschilpunten zijn beëindigd. De derde grief slaagt daarom niet.

PRINCIPAAL EN INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Grief 4 [appellant] en Grief 1 [geïntimeerde] : kostenveroordeling

6.17.

Aangezien beide partijen een grief hebben gericht tegen de kostenveroordeling, zal het hof deze grieven gezamenlijk bespreken.

6.18.

[appellant] meent dat nu partijen een duurzame affectieve relatie hebben gehad en de

vorderingen van [geïntimeerde] enerzijds en van [appellant] anderzijds voortkomen uit de afwikkeling van die duurzame affectieve samenleving, de kosten tussen partijen moeten worden gecompenseerd.

6.19.

[geïntimeerde] meent dat [appellant] terecht is veroordeeld in de proceskosten in eerste instantie. Verder stelt [geïntimeerde] dat [appellant] in het hoger beroep niet alleen in de geliquideerde proceskosten van het hoger beroep dient te worden veroordeeld, maar ook in de werkelijke kosten die [geïntimeerde] heeft moeten maken.

6.20.

Het hof ziet aanleiding om de kostenveroordeling in eerste aanleg in stand te laten, en om [appellant] ook in hoger beroep te veroordelen in de proceskosten van deze procedure overeenkomstig het zogenoemde liquidatietarief (te raadplegen op onder meer: www.rechtspraak.nl). [geïntimeerde] mocht er bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op vertrouwen dat alle af te wikkelen zaken tussen haar en [appellant] waren geregeld, en [appellant] is in beide instanties in het ongelijk gesteld. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] te veroordelen in de werkelijke proceskosten, zoals door [geïntimeerde] verzocht. Er is geen sprake van evident misbruik van procesrecht, of een andere reden die een dergelijke veroordeling rechtvaardigt.

Het hof begroot de kosten van [geïntimeerde] voor deze procedure in redelijkheid conform het puntensysteem op 2 punten (memorie van antwoord en mondelinge behandeling). Voor wat betreft de in aanmerking te nemen zwaarte van de zaak zal het hof in dit geval tarief V in hoger beroep in aanmerking nemen omdat [appellant] het geldelijk belang van de procedure in zijn memorie van grieven heeft gesteld op ten minste € 98.000,-. De totale proceskosten van [geïntimeerde] begroot het hof daarmee op € 6.322,- (2 x € 3.161,-) en het griffierecht van

€ 1.649,-.

7 De slotsom

De grieven van [appellant] falen. De grief van [geïntimeerde] slaagt.

8 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 29 november 2017;


veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 6.322,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief hoger beroep en € 1.649,- wegens griffierecht, te vermeerderen met de nakosten ad € 157,-, eventueel te vermeerderen met € 82,- in geval van betekening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, J.G. Idsardi en I.M. Dölle en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.