Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:743

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
200.241.227
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nevenvoorzieningen. Deelbeschikking in eerste aanleg. Benoeming bijzondere curator. Ontvankelijkheid. 194 Rv, 1:250 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.241.227

(zaaknummers rechtbank Gelderland 320313 en 326646)

beschikking van 29 januari 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.C. Janssens-van Drooge te Zwolle,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.C.D. Bos te Arnhem,

en

[curator] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator,

kantoorhoudende te Deventer,

verder te noemen: [curator] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 maart 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 18 juni 2018;

- het verweerschrift van de vrouw tevens houdende incidenteel hoger beroep tevens

wijziging c.q. vermeerdering verzoek ex artikel 362 jo 283 jo. 130 van het Wetboek van

Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties;

- het verweerschrift van [curator] ;

- een brief van mr. S.C. Janssens-van Drooge van 11 september 2018;

- een brief van [curator] van 27 september 2018;

- het verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep tevens wijziging c.q. vermeerdering

verzoek ex artikel 362 jo 283 jo. 130 Rv;

- een journaalbericht van mr. Bos van 28 november 2018 met producties;

- een journaalbericht van mr. Janssens-van Drooge van 30 november 2018 met producties;

- een journaalbericht van mr. Bos van 3 december 2018 met een productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Aan een stagiaire van het kantoor van mr. Bos is bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling verleend. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen. [curator] is, met bericht vooraf, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] 2007 te [woonplaats] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen.

3.2

Zij zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum ] 2007 te [woonplaats]

(verder: [kind 1] ) en

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum ] 2009 te [woonplaats]

(verder: [kind 2] ).

De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 1] en [kind 2] (verder gezamenlijk ook: de kinderen).

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en - voor zover relevant en in het kort -:

- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn;

- het verzoek van de man om de duur van de alimentatieverplichting te verkorten naar vijf

jaar en/of de bijdrage in een periode van vijf jaar gefaseerd af te bouwen naar nihil

afgewezen;

- een beslissing genomen over de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen;

- een beslissing genomen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;

- bepaald dat de man ter zake de beslagkosten een bedrag van in totaal € 306,15 aan de

vrouw dient te voldoen;

- [curator] tot bijzondere curator benoemd;

- de verdere behandeling en beslissing ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de

verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kat van partijen, kinderalimentatie,

partneralimentatie en de proceskosten aangehouden.

De beslissingen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de limitering van de alimentatieverplichting dan wel afbouw van de bijdrage en de beslagkosten zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De eerste grief ziet op de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de tweede grief ziet op de verzochte limitering van de alimentatieverplichting dan wel afbouw van de bijdrage en de overige grieven zien op de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de kosten van het beslag.

4.2

De vrouw heeft verweer gevoerd en is op haar beurt met zes grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De eerste grief ziet op de benoeming van de bijzondere curator en de overige grieven zien op de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de aan de woning verbonden eigenaarslasten. De vierde, vijfde en zesde grief omvatten tevens een vermeerdering van de verzoeken ex artikel 362 jo. 283 jo. 130 Rv.

4.3

De man heeft verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep, tevens wijziging c.q. vermeerdering van de verzoeken. Hij verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in het incidenteel hoger beroep althans het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren en de verzoeken van de vrouw in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.4

Het hof zal de eerste twee grieven in het principaal hoger beroep en de eerste grief in het incidenteel hoger beroep in de onderhavige procedure bespreken. De overige grieven worden in een afzonderlijke procedure door het hof behandeld (zaaknummer 200.241.222).

4.5

De man verzoekt het hof, voor zover relevant in de onderhavige procedure, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de bestreden beschikking, wat betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de

beslissing over de limitering van de alimentatieverplichting dan wel afbouw van de bijdrage, te vernietigen en in zoverre opnieuw beschikkende:

- te bepalen dat [kind 1] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft en [kind 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw;

- te bepalen dat de duur van de alimentatieverplichting wordt verkort naar vijf jaar althans

dat de bijdrage in vijf jaar wordt afgebouwd naar nihil als door de man in eerste aanleg is verzocht althans binnen een dusdanige termijn en op een dusdanige wijze als het hof juist oordeelt.

4.6

De vrouw verzoekt het hof, voor zover relevant in de onderhavige procedure, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het principaal hoger beroep de man in zijn verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en

in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking wat betreft de benoeming van de bijzondere curator te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, een bijzondere curator te benoemen, niet zijnde [curator] .

5 De motivering van de beslissing

Bijzondere curator

5.1

De vrouw stelt in de eerste grief in het incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte [curator] tot bijzondere curator heeft benoemd. Zij voert hiertoe onder meer aan dat [curator] niet objectief en niet onafhankelijk is, een onjuiste weergave van de door de vrouw gepresenteerde feiten heeft gegeven, in haar rapportage niet de belangen van de kinderen als uitgangspunt heeft genomen, niet geregistreerd staat in het BIG-register en geen opleiding tot bijzondere curator heeft gevolgd. De vrouw verzoekt het hof de beschikking wat betreft de benoeming van de bijzondere curator te vernietigen en een andere bijzondere curator te benoemen.

5.2

De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Hij stelt dat hoger beroep tegen de benoeming van de bijzondere curator niet mogelijk is, omdat op grond van het bepaalde in artikel 194 lid 2 Rv geen hogere voorziening openstaat tegen de benoeming van een deskundige. Daarnaast is volgens de man sprake van een tussenbeschikking, waarvan op grond van het bepaalde in artikel 358 lid 4 Rv niet in hoger beroep kan worden gegaan. Voor het geval het hof oordeelt dat hoger beroep tegen de benoeming van de bijzondere curator wel mogelijk is, stelt de man dat de rechtbank niet buiten haar toepassingsgebied is getreden en op juiste gronden [curator] tot bijzondere curator heeft benoemd. De man verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in het incidenteel hoger beroep althans het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren.

5.3

Deze grief faalt. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [curator] benoemd tot bijzondere curator. Naar het oordeel van het hof is met deze beslissing een eind gemaakt aan enig deel van het verzochte, namelijk het verzoek van de vrouw om een (cursivering door het hof) bijzondere curator te benoemen, en is er in zoverre sprake van een eindbeschikking waartegen hoger beroep openstaat. Anders dan de man stelt, vormt niet artikel 194 Rv maar artikel 1:250 BW de grondslag voor de benoeming van de bijzondere curator. Het appelverbod van artikel 194 lid 2 Rv is daarom in dit geval niet van toepassing. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek in het incidenteel hoger beroep, zodat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de grief. Het hof overweegt in dat kader als volgt.

5.4

De rechtsfiguur van de bijzondere curator strekt ertoe de belangen van minderjarigen te behartigen in het geval van een tegenstelling tussen die belangen en die van (een van) degenen die met het ouderlijk gezag zijn belast. De aard van deze rechtsfiguur brengt mee dat de rechter een volledig discretionaire bevoegdheid heeft om zonder nadere motivering te beslissen wie hij tot bijzondere curator benoemt. Het hof ziet in het door de vrouw aangevoerde geen aanleiding om de beschikking wat betreft de benoeming van de bijzondere curator te vernietigen.

Hoofdverblijfplaats van de kinderen

5.5

De man stelt in de eerste grief in het principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw heeft bepaald. Volgens hem heeft de rechtbank deze beslissing geenszins onderbouwd en heeft zij de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen in haar beslissing. Voorts heeft de man aangevoerd dat uit het verslag van de bijzondere curator van 11 mei 2018 naar voren komt dat het belang van de kinderen is gediend met een evenwichtige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders en dat hierbij past dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de man wordt bepaald en de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de vrouw.

5.6

Ter mondelinge behandeling van het hof heeft de man zijn verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen vermeerderd in die zin dat hij het hof thans verzoekt om te bepalen dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben.

5.7

De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt in de eerste plaats dat de man te laat is met de vermeerdering van het verzoek en dat de vermeerdering van het verzoek om die reden ontoelaatbaar is. Daarnaast is de vrouw van mening dat de beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar moeten hebben, omdat dat beter aansluit bij de door haar voorgestelde zorgregeling, het niet goed is voor de kinderen om ze van elkaar te scheiden en de vrouw, anders dan de man, in staat is om het contact tussen de kinderen en de andere ouder te onderhouden.

5.8

[curator] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het oorspronkelijke verzoek van de man om te bepalen dat [kind 1] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft en [kind 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Zij heeft erop gewezen dat een administratieve verdeling van de kinderen tussen de ouders de kinderen pijnlijk zal kunnen treffen, omdat hun (GBA-) adres deel uitmaakt van hun identiteit en zij als zussen een wezenlijk emotioneel subsysteem vormen. Voorts heeft [curator] betwist dat in haar rapportage de aanname ligt besloten dat een verschillende hoofdverblijfplaats past bij een meer evenwichtige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

5.9

Het hof acht de vermeerdering van het verzoek van de man in dit stadium ontoelaatbaar, gelet op de in artikel 347 Rv besloten twee-conclusie-regel en de eisen van een goede procesorde. Het hof zal daarom uitgaan van het oorspronkelijke verzoek van de man, te weten: te bepalen dat [kind 1] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft en [kind 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

5.10

Het hof acht het niet in het belang van de kinderen om wat betreft hun hoofdverblijfplaats anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. In zijn oordeel betrekt het hof dat de man onvoldoende zwaarwegende argumenten heeft aangevoerd om de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij hem te bepalen, dat de rechtbank zich nog een oordeel moet vormen over de (definitieve) regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en dat de raad heeft geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet te veranderen. De grief faalt.

Limitering alimentatieverplichting dan wel afbouw bijdrage

5.11

De man stelt in de tweede grief in het principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot limitering van de alimentatieverplichting dan wel afbouw van de bijdrage heeft afgewezen. Volgens hem heeft hij zijn verzoeken voldoende onderbouwd en heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat zij niet binnen vijf jaar in haar levensonderhoud kan voorzien.

5.12

De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5.13

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:157, vierde lid, BW is het uitgangspunt dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van voornoemd artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren. Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde - behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Daarom worden hoge eisen gesteld aan de stellingen die een verzoek tot limitering onderbouwen en aan de motivering van een daarop te nemen toewijzende beslissing. In het algemeen is vaststelling van partneralimentatie voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de partneralimentatie bepaalde termijn op voor hem/haar passende wijze in zijn/haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

5.14

Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om - zoals door de man is verzocht - de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren tot een termijn van vijf jaar. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom na vijf jaar een definitief einde dient te worden gemaakt aan het recht van de vrouw op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Ook overigens ziet het hof in de feiten en omstandigheden van het geval en het door de man aangevoerde geen grond voor limitering van de onderhoudsverplichting. In zoverre faalt de grief.

5.15

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het subsidiaire verzoek van de man tot afbouw van de bijdrage afgewezen en de behandeling van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie aangehouden. Naar het oordeel van het hof is het subsidiaire verzoek van de man tot afbouw van de bijdrage zozeer verweven met een inhoudelijk oordeel over de hoogte van de bijdrage, dat de rechtbank de behandeling van dit verzoek van de man ook had moeten aanhouden. In zoverre slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking daarom op dit punt vernietigen. Dit betekent dat het verzoek tot afbouw van de bijdrage nog bij de rechtbank aan de orde kan komen, zodat het hof hierover geen nader oordeel hoeft te vellen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 maart 2018, voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen, wat betreft de afwijzing van het verzoek van de man tot afbouw van de alimentatiebijdrage en

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 maart 2018, voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst het in de onderhavige procedure meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, R. Krijger en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink als griffier, en is op 29 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.