Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7398

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
200.244.031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil aansprakelijkheid verzekeraar voor diefstal bestelauto. Hof komt tot conclusie dat voorshands is bewezen dat de diefstal het gevolg is van het niet in acht nemen van de normale voorzichtigheid door de verzekerde, behoudens tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/583
NTHR 2020, afl. 2, p. 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.244.031

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 609413)

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

handelend onder de naam [bedrijf] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eisende partij,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J. Schep,

tegen:

de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

handelend onder de naam Avéro Achmea,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde partij,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. A.W. Hendriks.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 13 juni 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 2 augustus 2018,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord (met één productie).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven onder 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis van 13 juni 2018.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het geschil betreft samengevat het volgende. [appellant] heeft bij Achmea een verkeersverzekering afgesloten voor zijn bestelauto van het merk [merk] De verzekering geeft onder meer dekking bij diefstalschade. [appellant] gebruikte de bestelauto voor zijn eenmanszaak [bedrijf] , een klusbedrijf. De bestelauto is op 19 januari 2017 gestolen. Op dat moment stond de bestelauto geparkeerd op het bedrijfsterrein van [bedrijf 2] te [plaats] (hierna: [bedrijf 2] ).

[appellant] heeft aangifte gedaan van de diefstal bij de politie. Verder heeft [appellant] bij Achmea melding gemaakt van de diefstal en een schadeclaim ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft Achmea een onderzoek ingesteld en is door [medewerker Achmea] , medewerker bij Achmea, een expertiserapport opgesteld. Achmea heeft de schadeclaim van [appellant] afgewezen, omdat de diefstal van de bestelauto volgens Achmea het gevolg is van het niet in acht nemen van de normale voorzichtigheid in de zin van artikel 4 lid 6 van de Bijzondere Voorwaarden Bestelautoverzekering BES151 (hierna: de bijzondere voorwaarden) en schadevergoeding op die grond is uitgesloten.

4.2

[appellant] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Achmea dekking moet verlenen op grond van de verzekeringsovereenkomst en dat Achmea wordt veroordeeld tot betaling van de schade van € 19.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten. [appellant] heeft tegen het vonnis van de kantonrechter acht grieven aangevoerd. Het hof zal deze grieven hierna gezamenlijk behandelen.

4.3

Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant] op grond van de afgesloten verkeersverzekering verzekerd is tegen diefstal. Verder staat vast dat op de verzekeringsovereenkomst de bijzondere voorwaarden van toepassing zijn. Op grond van artikel 4 lid 6 van de bijzondere voorwaarden is van de verzekering uitgesloten schade ontstaan “als die het zekere gevolg is van het handelen of nalaten van verzekerde dan wel het gevolg is van het niet in acht nemen van normale voorzichtigheid ter voorkoming van diefstal van het gehele motorrijtuig. De verzekeraar vergoedt tevens geen schade die een verzekerde met opzet, al dan niet bewuste roekeloosheid of al dan niet bewuste merkelijke schuld heeft veroorzaakt (...)”.

Achmea beroept zich ter bevrijding van haar betalingsverplichtingen op deze uitsluitingsgrond en voert aan dat de diefstal het gevolg is van het niet in acht nemen van de normale voorzichtigheid door [appellant] . Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust, bij voldoende betwisting van die stelling door [appellant] , op Achmea de bewijslast van feiten en omstandigheid waaruit het niet in acht nemen van de normale voorzichtigheid kan worden afgeleid.

4.4

Het begrip normale voorzichtigheid is in de bijzondere voorwaarden niet nader uitgewerkt. De normale voorzichtigheidsclausule (in het verleden ook wel de “goede huisvaderclausule” genoemd) in een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige brengt in beginsel mee dat een verzekerde mag verwachten dat de verzekering ook dekking verleent tegen schade die het gevolg is van een moment van onbedachtzaamheid.1

Achmea heeft in haar stellingen in eerste aanleg en in hoger beroep voor de uitleg van het begrip normale voorzichtigheid aangesloten bij het begrip merkelijke schuld, welk begrip in artikel 294 Wetboek van Koophandel (oud) was opgenomen. Het hof kan [appellant] dan ook niet volgen in zijn betoog dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat Achmea doelt op merkelijke schuld in de zin van artikel 294 Wetboek van Koophandel (oud).

Merkelijke schuld betreft een zwaardere vorm van schuld dan het niet in acht nemen van normale voorzichtigheid. Met merkelijke schuld wordt een ernstige mate van schuld aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag welke mate van zorg de verzekeraar van de verzekerde mag verwachten kan als uitgangspunt gelden dat van de verzekerde mag worden verwacht, dat hij zich onthoudt van gedragingen waarvan hij weet of behoort te weten dat een aanmerkelijke kans bestaat dat deze tot schade zullen leiden. Van merkelijke schuld is derhalve ook sprake, indien het gaat om een gedraging die, al is de verzekerde zich daarvan niet bewust, naar objectieve maatstaven een zodanig aanmerkelijke kans op schade met zich brengt dat de betrokken verzekerde zich van dat gevaar bewust had behoren te zijn en door zich van die gedraging niet te onthouden in ernstige mate tekort schiet in zorg ter voorkoming van schade (zie Hoge Raad 4 april 2003).2

4.5

Bij het beantwoorden van de vraag of [appellant] merkelijke schuld heeft aan de diefstal, is van belang dat vaststaat dat [appellant] op de dag van de diefstal aan het werk was bij [bedrijf 2] . De bestelbus stond op het bedrijfsterrein van [bedrijf 2] geparkeerd. Het bedrijfsterrein van [bedrijf 2] grenst aan de openbare weg. Het terrein is omgeven door een hekwerk, dat met een schuifhek kan worden gesloten. Het schuifhek kan op slot worden gedaan. In geschil is of [appellant] toen hij de bestelauto met draaiende motor achterliet, wist of behoorde te weten dat het schuifhek niet op slot was. Achmea wijst in dat kader op de verklaringen van [appellant] bij de politie en tegenover [medewerker Achmea] . Over de diefstal van de bestelauto heeft [appellant] volgens het proces-verbaal van 19 januari 2017 van aangifte van de diefstal bij de politie onder meer het volgende verklaard:

“Mijn bus (…) stond de hele dag voor het hek geparkeerd voor het bedrijf. Dit was op het bedrijfsterrein zelf achter een hekwerk. Dit hekwerk was even na vijf uur afgesloten door een medewerker van [bedrijf 2] die op kantoor werkzaam was geweest die dag. (…) Aan het einde van de middag had ik samen met nog twee anderen nog een overleg. Net na half zes was dit afgerond. Ik ben toen naar buiten gegaan en heb de auto vast aangezet zodat de ruiten een beetje konden ontdooien. Ik bedacht me ineens dat ik nog gauw wat moest vragen dus ben ik even weer naar boven gelopen waar we kort daarvoor het overleg hadden gehad. Op een gegeven moment, dit zal tegen 17:40 uur zijn geweest, hoorden wij wel een auto hard wegrijden. (…) Kort daarop ben ik naar buiten gegaan omdat ik weg wilde. Tot mijn verbazing zag ik dat mijn auto niet meer op de plek staan.”

Verder heeft [appellant] volgens het expertiserapport tegenover [medewerker Achmea] , medewerker bij Achmea, onder andere het volgende verklaard:

“Aan het eind van de werkdag omstreeks 17:40 uur wilde ik weer naar huis gaan. Ik had mijn bus gestart en zou vertrekken. Ik realiseerde mij echter dat ik iets vergeten was. Ik ben daarom weer naar binnen gegaan om met [eigenaar bedrijf 2] te overleggen. [eigenaar bedrijf 2] was echter in gesprek en ik moest daarom even wachten. Tijdens dit wachten is medewerkster [medeweker bedrijf 2] naar huis gegaan en heeft het schuifhek weer dicht gegaan. Mijn bus stond op dat moment met draaiende motor op het terrein van het bedrijf. Het schuifhek was wel gesloten maar niet op slot. Ik weet nu dat het niet heel verstandig was om de auto zo te parkeren. Toen ik namelijk wilde vertrekken stond het hek open en was mijn bus verdwenen.”

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen deze verklaringen voorshands de conclusie dat het schuifhek van het bedrijfsterrein dicht was, maar niet op slot en dat [appellant] er niet vanuit ging of kon gaan dat het hek op slot zou zijn. Daarom staat voorshands ook voldoende vast dat [appellant] zijn bestelauto met draaiende motor en met de sleutel in het contact onbeheerd heeft achtergelaten op een terrein dat vanaf de openbare weg vrij toegankelijk was. [appellant] wist of behoorde onder die omstandigheden te weten dat door zijn handelen de kans bestond dat zijn bestelauto zou worden gestolen zodat [appellant] niet in acht heeft genomen de normale voorzichtigheid ter voorkoming van diefstal van zijn bestelbus in de in zin artikel 4 lid 6 van de bijzondere voorwaarden. Het gaat hier niet om een moment van onbedachtzaamheid. Hoewel, zoals [appellant] in zijn zevende grief aanvoert, juist is dat een diefstal nooit geheel voorkomen kan worden, had [appellant] het risico op een diefstal aanmerkelijk kunnen verminderen door de sleutel niet in het contact te laten en de bestelauto af te sluiten.

4.6

[appellant] betwist dat hij wist of behoorde te weten dat het hek niet op slot zat en wijst op een verklaring die hij op 7 juni 2017, bijna vijf maanden na de diefstal, ten overstaan van zijn advocaat mr. Schep heeft afgelegd over de diefstal. [appellant] heeft onder meer het volgende verklaard:

“Aan het einde van de dag zo rond 17:30 uur zou ik weer vertrekken. Mijn bus stond op het terrein van [bedrijf 2] zelf. Volgens mij mij was toen het hek al dichtgeschoven. Toen ik wilde wegrijden, bedacht ik nog iets wat ik met [eigenaar bedrijf 2] , de eigenaar of een van de eigenaren van [bedrijf 2] , nog moest overleggen. Ik ben het kantoorpand binnen gelopen en op de trap kwam ik een medewerkster van [bedrijf 2] tegen, die ik ken als [medeweker bedrijf 2] . Zij riep: “Tot morgen!” en liep vervolgens de trap af en naar buiten. Ik heb haar buiten gezien en zag dat het hek na haar vertrek weer dicht zat.

5. Na mijn overleg met [eigenaar bedrijf 2] ben ik naar buiten gelopen. Ik heb toen mijn auto gestart en heb de autoruiten nog iets gekrabd in verband met de vorst. Omdat het hek dicht zat en ik het ook niet open kreeg, ben ik weer naar binnen gegaan om [eigenaar bedrijf 2] om de sleutel te vragen, maar hij zat aan de telefoon. Nadat hij zijn telefoongesprek had beëindigd, zei hij, dat het hek niet op slot zat maar heel moeilijk over de rails liep, waardoor het met kracht moest worden geopend. Terwijl hij mij dat vertelde, hoorden wij allebei met veel lawaai een auto wegrijden. (..) Daarna zag ik bij buitenkomst, dat mijn auto was verdwenen.”

Verder wijst [appellant] op een schriftelijke verklaring van [eigenaar bedrijf 2] (ook wel: [eigenaar bedrijf 2] , hierna: [eigenaar bedrijf 2] ), eigenaar van [bedrijf 2] , van 4 juli 2017. Daarin heeft [eigenaar bedrijf 2] onder meer het volgende verklaard:

“Ik heb met [appellant] op die 19 januari 2017 aan het einde van de dag nog over de klus in de werkplaats staan praten. Hij zou om ongeveer 17.30 uur weggaan. Hij kwam ongeveer op dat tijdstip mijn kantoor op de eerste verdieping binnen om nog even over iets te overleggen. Kort nadat hij was vertrokken werd ik gebeld, ik was met een calculatie bezig. Terwijl ik aan het bellen was, kwam [appellant] mijn kantoor weer binnen. Toen ik klaar was met bellen vroeg hij mij, of ik de sleutel voor het hek had. Want die was dicht, zei hij. Ik heb hem toen verteld dat het hek klemt maar niet op slot zit. Terwijl wij nog stonden te praten hoorden wij heel hard een auto wegrijden. (...) Even later hoorde ik van [appellant] , dat zijn bus was verdwenen.”.

Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat hij het hek in een later stadium zelf heeft gerepareerd, omdat het klemde. Daarvan heeft hij een factuur overgelegd, gedateerd 14 maart 2017, die hij in dat kader aan [bedrijf 2] heeft verzonden.

4.7

Met deze verklaringen is – tegenover de onder 4.5 genoemde verklaringen van [appellant] (aangifte en verklaring tegenover Achmea) – niet voldoende aannemelijk dat [appellant] ervan uit mocht gaan dat het hek op slot zat toen hij zijn bestelauto onbeheerd achter liet, en dat hij daarom de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen ter voorkoming van de diefstal. Daarbij is onder meer betrokken dat de verklaring van [appellant] tegenover mr. Schep en de verklaring van [eigenaar bedrijf 2] pas zijn afgelegd na de afwijzing van de schadeclaim door Achmea, hetgeen afbreuk doet aan de overtuigingskracht van die verklaringen.

4.8

De voorgaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat voorshands wordt aangenomen dat de diefstal het gevolg is van het niet in acht nemen van de normale voorzichtigheid door [appellant] , behoudens tegenbewijs. Het hof zal [appellant] toelaten tegenbewijs te leveren. [appellant] heeft onder 3.27 van de memorie van grieven aangeboden zowel hem als [eigenaar bedrijf 2] als getuige te laten horen.

4.9

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshandse bewezen feit dat hij niet in acht heeft genomen de normale voorzichtigheid ter voorkoming van diefstal van zijn bestelbus in de in zin artikel 4 lid 6 van de bijzondere voorwaarden;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. B.J. Engberts, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [appellant] in persoon en Achmea vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven over de periode november 2019 tot en met februari 2020 op de roldatum 1 oktober 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, B.J. Engberts en E.C. Rozeboom en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

1 Vgl. Hoge Raad 11 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0109.

2 ECLI:NL:HR:2003:AF2831, rov. 3.5.