Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7393

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
200.240.916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot aanneming van werk met betrekking tot aanpassingen aan een kermisattractie. Doorlopend proces van overleg en extra aanpassingen aan de attractie. Niet is komen vast te staan dat partijen afspraken hebben gemaakt over een vaste prijs en een uiterste termijn voor reparatie. Geen rechtsgeldige opschorting van betalingen. Vordering tot revindicatie wordt afgewezen; stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.240.916

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 307994)

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. [bedrijf] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J. Velthoven

tegen:

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [bedrijf 2],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.F. Vonk.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
16 november 2016, 5 juli 2017, 22 november 2017 en 7 maart 2018 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 7 juni 2018,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep (met productie),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het vonnis van 5 juli 2017.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Deze zaak gaat over het volgende. [appellant] is eigenaar van een kermisattractie genaamd ‘ [de attractie] ’ (hierna: de attractie). [geïntimeerde] heeft in overleg met [appellant] verschillende werkzaamheden verricht aan de attractie en heeft daarvoor facturen aan [appellant] gestuurd. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is vervolgens discussie ontstaan over de vraag wat ze hebben afgesproken over de werkzaamheden die [geïntimeerde] zou verrichten, wat [appellant] daar voor zou betalen en welke bedragen [appellant] en [geïntimeerde] over en weer nog aan elkaar zouden moeten voldoen. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in conventie, samengevat, veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling van zijn openstaande facturen ter hoogte van € 25.798,56, te vermeerderen met rente en kosten. In reconventie heeft [appellant] , kort weergegeven, veroordeling gevorderd van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van (na vermeerdering van eis) € 164.521,19. Daarnaast heeft [appellant] afgifte gevorderd door [geïntimeerde] van enige eigendommen van [appellant] . De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 22.882,26, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening en € 1.003,82 aan buitengerechtelijke kosten, en in reconventie de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.2

[appellant] komt in het principaal hoger beroep met twaalf grieven op tegen de vonnissen van 5 juli 2017, 22 november 2017 en 7 maart 2018. Hij vordert, kort weergegeven, vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog toewijzing van zijn vorderingen in reconventie en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie.

4.3

[geïntimeerde] komt in het incidenteel hoger beroep met één grief op tegen de beslissing van de rechtbank over de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom. Hij vordert te bepalen dat de wettelijke handelsrente dient te worden berekend per de vervaldata van de openstaande facturen, uitgaande van een vervaltermijn van 14 dagen.

Principaal hoger beroep

De afspraken tussen partijen

4.4

Met de grieven 2 en 3 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn verweer dat hij met [geïntimeerde] is overeengekomen dat [geïntimeerde] de attractie ‘volledig zou repareren’ voor een bedrag van € 25.000,00 met een maximum van
€ 35.000,00 en stelt [appellant] dat hij ten onrechte niet is toegelaten tot nadere bewijslevering hiervan. [appellant] stelt verder dat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat de attractie vóór
25 december 2014 zou zijn gerepareerd en dat [geïntimeerde] deze afspraak niet is nagekomen (zie toelichting grief 2 en 6).

4.5

Zowel in eerste aanleg (in de conclusie van antwoord in reconventie) als in hoger beroep heeft [geïntimeerde] het feitelijk verloop van de werkzaamheden die hij aan de attractie heeft verricht, uitgebreid beschreven. [geïntimeerde] voert aan dat er sprake was van een doorlopend proces van overleg met [appellant] en aanpassingen aan de attractie. Oorspronkelijk was afgesproken dat [geïntimeerde] (alleen) het verouderde hydraulische en pneumatische systeem van de attractie zou ombouwen naar een hydraulisch en elektrisch systeem. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt dat de werkzaamheden volgens hem tegen vergoeding van zijn uurtarief (€ 37,50 exclusief btw) zouden worden verricht, plus materiaalkosten, en dat hij destijds de hoeveelheid werk op twee weken schatte. Bij deze aanvankelijke opdracht zijn volgens [geïntimeerde] , op verzoek van [appellant] , steeds nieuwe werkzaamheden gekomen, zoals het draaien van de attractie op de trailer (waardoor ook de stempelpoten van de attractie en de ondervloer op de trailer dienden te worden aangepast), het plaatsen van een tussenplaat in het hydraulisch systeem en aanpassingen aan de besturingskast. [appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde gang van zaken betwist en heeft als verweer aangevoerd dat hij met [geïntimeerde] een vaste prijs heeft afgesproken voor – kort gezegd – algeheel herstel van de attractie. In reactie op dit verweer heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat, voor zover het hof zou oordelen dat er toch een vaste prijsafspraak is gemaakt voor de reparatie van de attractie, onder ‘reparatie’ moet worden verstaan (alleen) het ombouwen van het verouderde hydraulische systeem van de attractie. De kosten voor die reparatiewerkzaamheden blijven volgens [geïntimeerde] ruimschoots onder het bedrag van maximaal
€ 35.000,00, zodat [geïntimeerde] zich in dat geval aan de afspraak heeft gehouden. [geïntimeerde] betwist verder dat is afgesproken dat hij de attractie voor 25 december 2014 zou repareren.

4.6

Het hof stelt vast dat het door [geïntimeerde] beschreven feitelijke verloop van de werkzaamheden niet gemotiveerd door [appellant] is weersproken, zodat het hof daarvan uit zal gaan. [appellant] stelt zich op het standpunt dat is afgesproken dat de attractie volledig zou worden gerepareerd voor het vaste bedrag van (maximaal) € 35.000,00, maar hij licht niet toe welke concrete werkzaamheden onder de gestelde ‘volledige reparatie’ vallen (en daarmee onder de gestelde prijsafspraak). Dat had, mede gelet op wat [geïntimeerde] hierover naar voren heeft gebracht, wel op zijn weg gelegen. De enkele opmerking dat met volledige reparatie een ‘volledig inzetbare vliegtuigmolen’ wordt bedoeld, is niet voldoende. Bovendien licht [appellant] niet toe hoe de gestelde prijsafspraak zich verhoudt tot het doorlopende proces van overleg en extra aanpassingen aan de attractie. Deze gang van zaken lijkt juist niet te wijzen op een vaste prijsafspraak tussen partijen. Daarbij geldt dat ook als het hof [appellant] zou volgen in zijn standpunt dat een vaste prijsafspraak is gemaakt voor reparatie van de attractie, zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet valt in te zien dat en waarom ook de daarna overeengekomen (extra) werkzaamheden onder de vaste prijsafspraak zouden vallen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] , tegenover de concrete stellingen van [geïntimeerde] , zijn verweer onvoldoende gemotiveerd om tot bewijslevering te worden toegelaten en is de gestelde vaste prijsafspraak niet komen vast te staan.

4.7

Met betrekking tot het verweer dat [geïntimeerde] de afspraak om de attractie voor 25 december 2014 te repareren niet is nagekomen, heeft [appellant] eveneens onvoldoende gesteld tegenover de concreet onderbouwde reactie van [geïntimeerde] op dit verweer. [appellant] heeft niet toegelicht hoe, waar en wanneer deze afspraak zou zijn gemaakt. Uit de producties bij de processtukken (waaronder de overgelegde getuigenverklaringen en WhatsApp-berichten) blijkt ook niet dat deze afspraak is gemaakt. Evenmin blijkt daaruit dat [appellant] [geïntimeerde] heeft aangesproken op het niet halen van de termijn van 25 december 2014. Uit de WhatsApp-berichten blijkt juist dat [appellant] pas in maart 2016 heeft gevraagd of de attractie kon worden afgebouwd. Dat [appellant] [geïntimeerde] eerder heeft aangesproken op een vertraging, blijkt niet uit de stukken. Waarom daar eerder niet over is gesproken, wordt door [appellant] evenmin verklaard. Ook heeft [appellant] niet verklaard hoe deze termijn, voor zover deze zou zijn afgesproken, zich verhoudt tot de uitbreiding van werkzaamheden die zich daarna heeft voorgedaan. De gestelde termijn voor reparatie van de attractie is daarmee niet komen vast te staan.

4.8

De grieven 2 en 3 slagen niet.

Rechtsgeldige opschorting van betaling?

4.9

Met de grieven 4, 5 en 6 komt [appellant] in de kern op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij zijn betalingsverplichtingen jegens [geïntimeerde] niet rechtsgeldig kon opschorten. [appellant] beroept zich erop zijn betalingsverplichtingen rechtsgeldig te hebben opgeschort en verwijst daarvoor naar de maximale prijsafspraak en de (fatale) termijn van
25 december 2014, welke afspraken [geïntimeerde] niet is nagekomen.

4.10

Gelet op wat hiervoor met betrekking tot de grieven 2 en 3 is geoordeeld, is niet komen vast te staan dat partijen een maximale prijs en een fatale termijn voor reparatie zijn overeengekomen, waardoor van een tekortkoming op deze punten niet is gebleken. Hierin kan dan ook geen grond zijn gelegen voor [appellant] om zijn betalingsverplichtingen jegens [geïntimeerde] op te schorten. Bovendien heeft [appellant] geen, dan wel onvoldoende verklaring gegeven voor het feit dat hij de facturen van [geïntimeerde] aanvankelijk zonder enig protest heeft behouden en voornemens leek om deze te gaan betalen. De facturen zijn begin januari 2016 aan [appellant] verstuurd en [appellant] heeft op 16 januari 2016 nog een voorschot van € 3.000,00 betaald. Nadat hem was verzocht om over te gaan tot betaling van de facturen, heeft [appellant] in een WhatsApp-bericht van 2 maart 2016 medegedeeld: ‘ik moet morgen even naar de boekhauder toe zal ik meteen even vraagen Hoe of waar mijn geld blijf (…)’. Hieruit volgt dat [appellant] voornemens was om de facturen te gaan betalen, terwijl in de WhatsApp-berichten niets wordt vermeld over een prijsafspraak en/of over de gestelde termijn van 25 december 2014. Zoals hierboven reeds is overwogen, werd pas eind maart 2016 door [appellant] gevraagd of de attractie kon worden afgebouwd. Dat [appellant] [geïntimeerde] hier eerder op heeft aangesproken, blijkt nergens uit. Tegenover deze feitelijke gang van zaken, mede gelet op het (onweersproken) doorlopende proces van overleg en aanpassingen aan de attractie, kan [appellant] niet volstaan met de enkele stelling dat, omdat de attractie niet op tijd af was en de maximale prijsafspraak niet in acht is genomen, hij zijn betalingsverplichtingen mocht opschorten. De grieven 4, 5 en 6 slagen daarom niet.

Schadevergoeding en maximaal verschuldigde bedragen

4.11

Omdat niet is gebleken van tekortkomingen van de zijde van [geïntimeerde] , is er geen grond voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de schade die [appellant] stelt te hebben geleden. Grief 7, die ziet op de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen tot schadevergoeding van [appellant] , kan om die reden niet slagen.

4.12

Grief 8 en grief 9 gaan beide uit van het bestaan van de gestelde vaste prijsafspraak tussen partijen. Met betrekking tot grief 2 en 3 heeft het hof reeds geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat deze vaste prijsafspraak is gemaakt, zodat deze grieven evenmin slagen.

Revindicatie

4.13

Met grief 10 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [appellant] tot afgifte van de aan hem toebehorende zaken onvoldoende is bepaald en dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

4.14

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat alle zaken die aan [appellant] toebehoorden en die hij onder zich had, inmiddels aan [appellant] zijn afgegeven. Hij verwijst daarvoor onder meer naar een verklaring die door [appellant] op 7 februari 2017 is ondertekend en enige bijbehorende foto’s van wat aan [appellant] is teruggegeven. [appellant] betwist niet dat hij deze zaken heeft teruggekregen, maar stelt dat hij nog een aantal zaken mist, namelijk een tweetal besturingskasten inclusief toebehoren, een hazenkast, hydraulische stellen en een acculader. Onder de zaken die hij op 7 februari 2017 heeft teruggekregen van [geïntimeerde] , bevinden zich niet deze zaken. Zo is de batterijlader die zichtbaar is op de foto’s, niet de acculader die [appellant] nog mist en het telwerk van de hazenkast op de foto’s is niet de (volledige) hazenkast die [appellant] nog terug moet krijgen.

4.15

Omdat het [appellant] is die stelt dat de zaken in de verklaring en op de foto’s niet dezelfde zaken zijn als de zaken die hij wenst terug te krijgen, terwijl [geïntimeerde] betwist nog zaken van [appellant] onder zich te hebben, is het aan [appellant] om te stellen en – indien nodig – te bewijzen welke (andere) zaken dan aan [geïntimeerde] zijn afgegeven. Gelet op de betwisting van [geïntimeerde] lag het op de weg van [appellant] om een nadere omschrijving van de bedoelde zaken te geven, om onderscheid te kunnen maken met de zaken die al zijn teruggegeven. [appellant] heeft echter nagelaten een dergelijke omschrijving te geven. Zo is bijvoorbeeld niet beschreven van welk merk de acculader is die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft afgegeven, noch is een beschrijving gegeven van de besturingskasten (bijvoorbeeld merk, grootte, kleur, van welke attractie ze afkomstig zijn) en ook is geen nadere informatie gegeven over waar en wanneer deze zaken aan [geïntimeerde] zijn overhandigd. Gelet hierop heeft [appellant] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat [geïntimeerde] nog zaken van hem onder zich heeft en welke dat zijn. Aan nadere bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. De grief slaagt niet.

Tot slot: grief 1, 11 en 12

4.16

Grief 1 ziet op de kwalificatie van de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] . Hoewel het hof, met [appellant] , van oordeel is dat ter zake van de reparaties sprake is van aanneming van werk, verbindt [appellant] hier geen (rechts)gevolgen aan waardoor deze grief niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

4.17

Grief 11 is een zogenaamde ‘veeggrief’ die geen zelfstandige betekenis heeft en daarom onbesproken kan blijven.

4.18

Grief 12 richt zich tegen de proceskostenveroordeling in reconventie. Omdat de grieven 7, 8, 9 en 10 met betrekking tot de vorderingen van [appellant] in reconventie niet slagen en deze vorderingen niet kunnen worden toegewezen, slaagt deze grief evenmin.

Incidenteel hoger beroep

4.19

[geïntimeerde] komt met zijn grief op tegen de beslissing van de rechtbank over de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. De rechtbank heeft de wettelijke handelsrente over de hoofdsom toegewezen vanaf 31 augustus 2016, terwijl dat volgens [geïntimeerde] de wettelijke handelsrente over de onbetaald gelaten factuurbedragen vanaf de vervaldata van deze facturen moet zijn.

4.20

Deze grief slaagt. Bij dagvaarding in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van een bedrag van in totaal € 25.786,56. Daaronder was begrepen een bedrag van € 1.053,88 aan wettelijke rente tot en met 30 augustus 2016 (randnummer 9 van de dagvaarding in eerste aanleg). In het petitum van de dagvaarding is daarom slechts betaling van wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2016 gevorderd. In het tussenvonnis van 22 november 2017 heeft de rechtbank op grond van facturen berekend dat [appellant] nog een bedrag van
€ 22.882,26 verschuldigd is. In dat bedrag is geen wettelijke handelsrente begrepen. In het eindvonnis van 7 maart 2018 is ditzelfde bedrag in hoofdsom aan [geïntimeerde] toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2016. De gevorderde wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen tot en met 30 augustus 2016 is daarbij dus over het hoofd gezien. Deze grief slaagt en het hof zal de vordering van [geïntimeerde] wat dit betreft alsnog toewijzen.

5 De slotsom

5.1

De grieven in principaal hoger beroep falen en de grief in incidenteel hoger beroep slaagt. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd, behalve voor zover het de beslissing over de verschuldigde wettelijke handelsrente over de hoofdsom in rechtsoverweging 3.1 van het vonnis van 7 maart 2018 betreft.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,00

- salaris advocaat € 3.161,00 (1 procespunt x appeltarief V)

5.3

De kosten van het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 1.580,50 (1 punt tegen de helft van het tarief berekend in het principaal hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 juli 2017, 22 november 2017 en 7 maart 2017, behoudens voor zover in het vonnis van
7 maart 2018 [appellant] is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 31 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening (in het dictum onder 3.1) en het meer of anders gevorderde is afgewezen (in het dictum onder 3.6), vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van de wettelijke handelsrente over de aan [geïntimeerde] toekomende hoofdsom van € 22.882,26, te rekenen vanaf de vervaldata van de openstaande facturen met inachtneming van een vervaltermijn van 14 dagen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 726,00 voor verschotten en op € 3.161,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en wat betreft het incidenteel hoger beroep op € 1.580,50 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, M.B. Beekhoven van den Boezem en
I.W. Levelt-Iseger en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
10 september 2019.