Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7360

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
200.256.743
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.256.743

(zaaknummer rechtbank Gelderland, 333669)

beschikking van 10 september 2019

inzake

[de man] ,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Grave,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.E. Bakker te Arnhem,

en

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.G.W. van Wees te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2018, verder: de bestreden beschikking, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 maart 2019;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 juli 2019 plaatsgevonden. Namens de man is zijn advocaat verschenen. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De man en de vrouw zijn de ouders van [kind] , verder te noemen: [kind] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] . In de bestreden beschikking zijn partijen gezamenlijk belast met het gezag uit over [kind] . [kind] woont bij de vrouw.

3.2

Bij verzoekschrift ingekomen bij de rechtbank op 23 februari 2018 heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man met ingang van dat moment € 451,72 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal voldoen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 18 december 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] (hierna ook: kinderalimentatie) € 260,- per maand telkens bij vooruitbetaling zal voldoen.

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover het de kinderalimentatie betreft) en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] van € 451,72 per maand af te wijzen, en die bijdrage vast te stellen op een in goede justitie te bepalen bedrag, en met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking.

4.3

De vrouw is met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Die grief ziet op de ingangsdatum. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep het verzoek van de man af te wijzen en de ingangsdatum van de kinderalimentatie te wijzigen in die zin dat de man die bijdrage dient te betalen met ingang van 23 februari 2018.

4.4

De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

Kinderalimentatie

hoogte behoefte [kind]

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de geïndexeerde behoefte van [kind] in 2018 € 367,35 per maand bedraagt.

Draagkracht man

5.2

Het hof verwijst voor de beoordeling van de draagkracht van de man naar de rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 van de bestreden beschikking en maakt deze overwegingen, na eigen onderzoek tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

5.3

Het hof is gebleken dat de man sinds 7 mei 2019 gedetineerd is. De man is in de gelegenheid gesteld op de mondelinge behandeling in hoger beroep te verschijnen maar heeft ervoor gekozen geen gebruik te maken van het hem aangeboden vervoer naar de mondelinge behandeling bij het hof. Hierdoor heeft het hof de man niet kunnen bevragen omtrent de duur van zijn hechtenis en heeft de man niet de door het hof gewenste toelichting kunnen geven over zijn draagkracht, zijn inkomsten, zijn schulden en zijn vermogen. De keuze van de man om niet in persoon voor het hof te verschijnen dient voor zijn rekening te blijven.

5.4

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende gegevens heeft overgelegd om zijn draagkracht te kunnen beoordelen. Het hof gaat ook uit van de door de vrouw gestelde draagkracht van de man van € 451,72 per maand en de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 260,- per maand. De grieven van de man falen.

5.5

De vrouw verzoekt het hof als ingangsdatum van de onderhoudsverplichting 23 februari 2018 te hanteren, de datum van indiening van haar verzoekschrift in eerste aanleg.

De man verzoekt als ingangsdatum van de onderhoudsverplichting de datum van de beschikking van het hof als ingangsdatum te hanteren.

5.6

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. In dit geval zal het hof de ingangsdatum vaststellen op 23 februari 2018, omdat de man vanaf die datum ermee rekening moest houden dat hij aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] moest betalen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven in het principaal hoger beroep en slaagt de grief in het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende

in het principaal hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2018, voor zover daarbij is bepaald dat de man met ingang van 18 december 2018 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] dient te betalen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 23 februari 2018 de door de rechtbank Gelderland vastgestelde bijdrage van € 260,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Lieber en is op 10 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.