Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:733

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
18/00282
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:2368, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op giftenaftrek omdat de gift niet is gedaan aan instelling met ANBJ status.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-02-2019
FutD 2019-0299
V-N Vandaag 2019/278
V-N 2019/21.16.5
NTFR 2019/401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 18/00282

uitspraakdatum: 29 januari 2019

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 maart 2018, nummer LEE 17/2469, ECLI:NL:RBNNE:2018:2368, in het geding tussen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

De Inspecteur heeft van belanghebbende een brief ontvangen, die door hem is aangemerkt als beroepschrift en op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht is doorgezonden aan de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de aanslag en de beschikking belastingrente verminderd.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Belanghebbende is niet verschenen zonder bericht van verhindering. Belanghebbende is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep bij aangetekende brief van 29 oktober 2018 verzonden naar het adres [a-straat 1] , [Z] . Blijkens informatie van PostNL is de uitnodiging op 30 oktober 2018 op dat adres aangeboden en is daarbij voor ontvangst getekend.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1963 en was heel 2015 gehuwd.

2.2.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte in de IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 10.897 en, na vermindering met een persoonsgebonden aftrek van € 2.255 in verband met giften, een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.642. In de aangifte is als omschrijving van de giften vermeld: “ [A] Moskee [Z] ”, en is het geclaimde bedrag als volgt berekend:

Andere giften culturele instelling

€ 2.000

Verhoging aftrek andere giften culturele instellingen

€ 500

Totaalbedrag andere giften

€ 2.500

Drempel andere giften

€ 245

Totaal aftrekbare giften

€ 2.255

2.3.

Naar aanleiding van vragen van de Inspecteur heeft belanghebbende een viertal kwitanties overgelegd, met de serienummers 024114, 024115, 024116 en 024117. Op deze kwitanties is voorgedrukt de tekst 500 EURO alsmede – onder meer – de volgende tekst:

“Hollanda

[B]

[A] Tarih:…../…../ 200…

Gift voor de moskee

[C]

Op de kwitanties is handgeschreven de naam [D] vermeld en “200…” veranderd in 2015.

2.4.

Tot de stukken van het geding in hoger beroep behoort een ambtsedige verklaring, door de belastingdienstambtenaar [E] opgemaakt op 6 juni 2018, met de bevindingen van een op 30 maart 2018 ingesteld derden-onderzoek bij [B] / [A] (hierna: [A] ) te [F] . In deze verklaring is onder meer vermeld:

“Bij aanvang van het onderzoek zijn de onderstaande administratieve bescheiden overgelegd:

- Uitgeschreven kwitantiebonnenboekjes van meerdere onder [A] vallende lokale stichtingen;

- Kasboeken van de jaren 2013 tot en met 2017 (…);

- Door [A] en lokale stichtingen opgemaakte lijsten van respectievelijk uitgegeven en ingenomen kwitantiebonnenboekjes. De lijsten zijn ondertekend door een afgevaardigde van [A] en de lokale stichting. (…);

- Financiële verslagen van de jaren 2014 tot en met 2016. (…);

- Kolommenbalansen en grootboekoverzichten van 2014 tot en met februari 2018.

Gedurende het onderzoek zijn de onderstaande digitale bestanden van 2014 tot en met februari 2018 overgelegd. (…)

Tijdens het onderzoek heeft de heer [G] mij algemene informatie over het gebruik van de kwitantiebonnenboekjes gegeven en over de procedure betreffende deze boekjes verteld.

De kwitantiebonnenboekjes worden in opdracht van [A] gedrukt.

De uitgifte en de inname van de kwitantiebonnenboekjes is in beheer bij [A] .

De kwitantiebonnenboekjes zijn slechts in gebruik bij de lokale bij [A] aangesloten stichtingen. Bij zowel uitgifte als inname van de kwitantiebonnenboekjes wordt een lijst opgemaakt. De lijst vermeldt onder andere een coupure per boekje, een beginnummer van ieder boekje, datum, naam van de lokale stichting, naam en functie van de uitgever (Turks: edenin) en de ontvanger (Turks: alanin).

Ieder kwitantiebonnenboekje bevat 100 kwitantiebonnen.

(…)

De inkomsten (donaties) uit de uitgeschreven kwitanties komen aan de bij [A] aangesloten lokale stichting toe. Het bestuur van deze stichting is verantwoordelijk voor haar financiële daden. Op de website van [A] staat hierover geschreven: “Zelfstandigheid van [A] en de aangesloten stichtingen is zowel op financieel vlak als op bestuurlijk niveau gewaarborgd. Verder beschikken alle aangesloten stichtingen alsmede [A] over een eigen begroting en eigen financiën.”

(…)

Tijdens het onderzoek heeft de heer [G] een lijst, genummerd 397, verstrekt waaruit blijkt dat op 4 januari 2012 [A] onder andere een kwitantieboekje beginnend met nummer 24101 aan [B] is verstrekt. (…)

De heer [G] vertelde ook dat de donaties betreffende de kwitanties 024114 tot en met 024117 niet in de financiële administratie van [A] zijn verantwoord. Primair omdat de contante donaties tot de inkomsten van [B] behoren en subsidiair omdat [A] alleen bancaire giften accepteert.

(…)

Voor het bewerkstelligen van de activiteiten is [B] afhankelijk van inkomsten waaronder donaties. (…)

Resultaat onderzoek

De bevindingen van mijn onderzoek maken duidelijk dat de door [X] [Hof: belanghebbende] in aftrek gebrachte contante giften niet aan een ANBI zijn gedaan omdat:

- de giften niet in de handgeschreven en digitale kasadministratie van het jaar 2015 van [A] zijn verantwoord;

- de giften rechtstreeks aan [B] Hicret Hoogeveen toekomen en

- [B] geen ANBI status heeft”.

2.5.

Tot de stukken van het geding behoort een uittreksel van de Kamer van Koophandel, waaruit blijkt dat statutaire naam van de onder 2.4 vermelde lokale stichting in [Z] luidt: “ [B] ”. Verder is vermeld dat deze stichting (hierna: [B] ) is opgericht [in] 2002 en de volgende activiteiten heeft: “Het beheren en exploiteren van gebouwen, die gebruikt worden voor sociale, culturele en religieuze activiteiten. Het verstrekken van religieuze-, culturele- en sociale diensten en het bieden van hulp aan islamieten, die een bij de stichting in beheer zijnde moskee en sociaal-culturele ruimte bezoeken”.

2.6.

Een afschrift van de onder 2.4 genoemde lijst, met nummer 397, behoort tot de stukken van het geding. Op de lijst is als lokale stichting vermeld “ [B] ” te [Z] en als ontvanger “ [H] ”.

2.7.

[A] is door de Belastingdienst bij beschikking aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI). [B] is niet aangemerkt als een ANBI.

2.8.

De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 de gevraagde giftenaftrek niet geaccepteerd en de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.897.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende in aanmerking komt voor de door haar geclaimde giftenaftrek.

3.2.

De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof zijn primaire stelling dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij of haar echtgenoot giften hebben gedaan, laten varen. In hoger beroep stelt de Inspecteur zich enkel nog op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de giftenaftrek omdat de giften zijn gedaan aan [B] , een zelfstandige stichting die zelf geen ANBI-status heeft. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

3.3.

Belanghebbende beantwoordt de onder 3.1 vermelde vraag bevestigend. Naar het Hof uit het beroepschrift begrijpt, moet de gift volgens belanghebbende geacht worden aan [A] te zijn gedaan. De gift is gedaan voor de bouw van het nieuwe moskeegebouw in [Z] , waarvan [A] , de overkoepelende organisatie van [B] , de eigenaar wordt. Belanghebbende concludeert - naar het Hof begrijpt - tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 6.32, eerste lid, van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 6.33, onderdeel b, en artikel 6.35 van de Wet IB 2001 worden – voor zover hier van belang – als aftrekbare giften aangemerkt periodieke giften en andere giften aan ANBI’s. Een ANBI dient op grond van artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als zodanig door de inspecteur bij beschikking te zijn aangemerkt.

4.2.

Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat zij giften heeft gedaan aan een ANBI. Belanghebbende heeft daartoe een viertal kwitanties overgelegd. Naar ’s Hofs oordeel is belanghebbende met het enkel overleggen van deze kwitanties niet geslaagd in het leveren van dit bewijs. Naar het Hof begrijpt, gaat ook belanghebbende ervan uit dat deze kwitanties zien op contante betalingen aan [B] . Dat standpunt acht het Hof in overeenstemming met de – onder 2.3, 2.4 en 2.6 genoemde – feiten. Hierbij betrekt het Hof dat de handtekening die onder de naam van de ontvanger van de kwitantieboekjes op de lijst met nummer 397 (zie 2.6) staat, grote gelijkenis vertoont met die op de door belanghebbende overgelegde kwitanties. Hieruit volgt dat de kwitanties zijn uitgeschreven namens [B] , een lokale stichting die zelfstandig opereert, en dat de ontvangen donaties waarvoor de kwitanties zijn uitgeschreven aan deze lokale stichting toekomen. Nu [B] evenwel niet is aangemerkt als een ANBI, heeft belanghebbende geen recht op giftenaftrek. Dat [B] is aangesloten bij [A] doet daar niet aan af, omdat dit onverlet laat dat [B] zelf dient te beschikken over een ANBI-status.

4.3.

De stelling dat de giften door belanghebbende (of haar echtgenoot) geacht moeten worden te zijn gedaan aan [A] , omdat de betalingen zijn gedaan voor de bouw van het nieuwe moskeegebouw in [Z] , waarvan [A] de eigenaar wordt, maakt niet dat de giften niettemin aftrekbaar zijn. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, mede in het licht van de bevindingen van het derden-onderzoek, waaruit volgt dat de betreffende giften niet in de financiële administratie van het jaar 2015 van [A] zijn opgenomen, niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende giften werkelijk aan [A] , oftewel aan een ANBI, ten goede zijn gekomen.

4.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie de Inspecteur terecht geen giften in aftrek heeft toegelaten.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– bevestigt de uitspraken van de Inspecteur.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 29 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 januari 2019

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.