Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7312

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
21-005281-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de vaststelling van het benadelingsbedrag kan rekening worden gehouden met soortgelijke gepleegde feiten ook al zijn deze niet ten laste gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005281-18

Uitspraak d.d.: 31 juli 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 september 2018 met parketnummer 08-993159-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. D.G. Geerdink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 september 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf voor de duur van 200 uur (en -indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht- 100 dagen vervangende hechtenis).

Het hof zal het vonnis met verbetering van de gronden bevestigen behalve voor zover het betreft de strafoplegging.

Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, omdat hij zich niet kan verenigen met de strafmotivering en de opgelegde straf. Bij

appelschriftuur van 28 september 2018 is het instellen van hoger beroep -kort samengevat- als volgt gemotiveerd:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vervalsing van een groot aantal belastingaangiften ten behoeve van zijn cliënten. Om proceseconomische redenen is de tenlastelegging beperkt tot een zevental gespecificeerde zaken. Verwijzend naar de jurisprudentie van de Hoge Raad1, is het echter wel mogelijk om bij de strafoplegging rekening te houden met die grotere hoeveelheid. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat het binnen de ten laste gelegde periode om meer belastingaangiften zou gaan en heeft vervolgens die feiten ten onrechte niet betrokken in de strafmaat. Naar het oordeel van het openbaar ministerie is dit een onjuiste en te beperkte uitleg van de grondslagleer.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting aangegeven dat het hoger beroep is ingesteld om principiële redenen. De rechtbank is bij de berekening van het benadelingsbedrag uitsluitend uitgegaan van de bewezen verklaarde feiten. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad spelen echter alle omstandigheden een rol bij de strafoplegging. Zo kan de aard en de ernst van de zaak worden afgeleid uit het gehele dossier. Verdachte wist dat hij zijn cliënten bevoordeelde ten koste van de fiscus. Het openbaar ministerie is ervan uitgegaan dat verdachte de Belastingdienst voor tenminste € 242.000,-- heeft benadeeld. Gelet op de rechterlijke oriëntatiepunten zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden passend zijn.

Rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met als bijzondere voorwaarde dat hij zich onthoudt van fiscale adviezen zal worden opgelegd met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uur en teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte dezelfde straf zal worden opgelegd als in eerste aanleg. Hij heeft verzocht de motivering van de rechtbank over te nemen en aangevoerd dat de opgelegde straf -vergeleken met soortgelijke gevallen en mede gelet op de leeftijd van verdachte en andere persoonlijke omstandigheden- passend is. De raadsman heeft verder gesteld dat de ontnemingsbeslissing onherroepelijk is en dat er naheffingsaanslagen zijn opgelegd, waardoor de benadeling van de fiscus inmiddels teniet is gedaan. Hij heeft verzocht de proeftijd van de bijzondere voorwaarde te beperken tot 2 jaar.

Oordeel van het hof

Verbetering van gronden

Het hof is met het openbaar ministerie van oordeel dat de rechtbank bij de strafoplegging heeft miskend dat volgens bestendige jurisprudentie geen rechtsregel zich ertegen verzet dat bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met alle feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn begaan. De strafoplegging kan daarom mede steunen op de uitkomst van het in het voorbereidend onderzoek aangetroffen materiaal - in dit geval verklaringen en door verdachte ingediende valse belastingaangiften van cliënten van verdachte -, hoewel in verband met de praktische werkbaarheid en doelmatigheid van het strafproces slechts een deel daarvan ten laste is gelegd. Bij de berekening en vaststelling van het benadelingsbedrag kan aldus ook rekening gehouden worden met soortgelijke niet ten laste gelegde feiten (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:288).

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij in de niet ten laste gelegde, maar wel in het dossier genoemde zaken, dezelfde werkwijze hanteerde als bij de bewezen verklaarde feiten en daar ook overigens geen verweer op gevoerd.

Het hof neemt daarom bij de strafoplegging ook de overige soortgelijke feiten mede in aanmerking.

Strafoplegging

Gelet op de rechterlijke oriëntatiepunten en een benadelingsbedrag tussen

€ 125.000,-- en € 250.000,--, is het uitgangspunt voor de strafoplegging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 tot 12 maanden.

Verdachte is inmiddels 72 jaar en heeft een overigens blanco strafblad. Hij heeft zijn fiscale advieswerk afgebouwd en verkeert in een matige gezondheid. Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Gelet op de ernst en de aard van de feiten acht het hof een taakstraf van 240 uur passend en geboden. Verdachte heeft ter terechtzitting wel aangegeven dat hij nog steeds administratief werk verricht en onder andere penningmeester is van twee verenigingen. Het hof is mede daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf en zal daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opleggen met de bijzonder voorwaarde dat verdachte zich zal onthouden van (fiscaal) advieswerk ten behoeve van derden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren:

- aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

- verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

- geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Bijzondere voorwaarde:

Verdachte onthoudt zich gedurende de proeftijd van iedere vorm van advisering inzake fiscale aangelegenheden van derden, daaronder begrepen het opmaken en indienen van belastingaangiften en het indienen van bezwaarschriften en onthoudt zich van ieder (ander) contact met de Belastingdienst ten behoeve van derden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met verbetering van gronden voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. W. Foppen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,

en op 31 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 ECLI:NL:HR:2014:1497 en ECLI:NL:HR:2015:3322