Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7308

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200262969
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen vonnis waarbij appellante is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ex art. 292 lid 2 Fw niet-ontvankelijk. Echtgenoot niet toegelaten tot regeling. Dat rechtbank appellante niet heeft gevraagd of zij schuldsaneringsverzoek wil handhaven indien echtgenoot niet wordt toegelaten tot regeling, is geen grond voor doorbreking appelverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.262.969

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, C/16/19/243 R)

arrest van 9 september 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A.W. van Luipen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

[appellante] heeft gelijktijdig met haar echtgenoot, [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot] ) bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank van 12 juli 2019 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van diezelfde datum is het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van [echtgenoot] afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 18 juli 2019 ingekomen verzoekschrift is [appellante] voorwaardelijk in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 juli 2019. [echtgenoot] is eveneens in hoger beroep gekomen. Op het hoger beroep van [echtgenoot] tegen het vonnis van 12 juli 2019, waarbij zijn schuldsaneringsverzoek is afgewezen, zal bij afzonderlijk arrest van heden door het hof worden beslist.

2.2

[appellante] verzoekt het hof om in geval [echtgenoot] in hoger beroep alsnog wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, het tegen haar gewezen vonnis te bekrachtigen dan wel dit hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Wanneer [echtgenoot] in hoger beroep niet wordt toegelaten tot de regeling, verzoekt [appellante] het tegen haar gewezen vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen. Daarbij verzoekt zij te bepalen dat zij nimmer is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

2.3

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met bijlagen van 19 augustus 2019 van mr. Van Luipen en het faxbericht met bijlage van 21 augustus 2019 van de bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] , A.C.M. van den Brink.

2.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2019, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Verder zijn [echtgenoot] en [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder van [appellante] en [echtgenoot] , ter zitting aanwezig geweest. De schuldsaneringsbewindvoerder is, zoals schriftelijk door haar was aangekondigd, niet verschenen.

2.5

Na de mondelinge behandeling heeft mr. Van Luipen een brief met bijlagen van 29 augustus 2019 overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellante] , geboren [datum] , is in gemeenschap van goederen getrouwd met [echtgenoot] . [appellante] ontvangt samen met [echtgenoot] een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. De goederen die aan [appellante] en [echtgenoot] (zullen) toebehoren staan onder beschermingsbewind. [beschermingsbewindvoerder] is op 28 januari 2015 benoemd tot beschermingsbewindvoerder van [appellante] en [echtgenoot] .

3.2

Bij afzonderlijk arrest van heden zal het hof het vonnis waarbij het verzoek van [echtgenoot] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling is afgewezen bekrachtigen. Dat betekent dat [appellante] het hof verzoekt het vonnis waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is toegewezen te vernietigen en haar schuldsaneringsverzoek alsnog af te wijzen.

3.3

Op grond van artikel 292 lid 2 Fw kan tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling geen hoger beroep worden ingesteld. Doorbreking van het appelverbod is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie Hoge Raad 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986, 2421 en Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6342) slechts mogelijk indien blijkt dat (a) de rechter een artikel ten onrechte heeft toegepast; (b) de rechter een artikel ten onrechte niet heeft toegepast, of (c) sprake is van essentieel vormverzuim.

3.4

Ten aanzien van de vraag of in dit geval sprake is van een doorbrekingsgrond, overweegt het hof als volgt. De schuldsaneringsverzoeken van [appellante] en [echtgenoot] zijn bij de rechtbank ter zitting gezamenlijk behandeld. Tijdens die zitting is de mogelijkheid dat één van hen wel en de ander niet tot de schuldsaneringsregeling zou worden toegelaten niet aan de orde gekomen. Pas nadat de vonnissen zijn uitgesproken was voor [appellante] duidelijk dat zij wel was toegelaten tot de regeling en haar echtgenoot niet.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank door [appellante] niet te vragen of zij haar schuldsaneringsverzoek wil handhaven indien haar echtgenoot niet wordt toegelaten tot de regeling, geen essentieel vormverzuim heeft begaan. De wet geeft immers de mogelijkheid dat één van de echtgenoten wel tot de schuldsaneringsregeling wordt toegelaten en de ander niet. De enkele omstandigheid dat tussen echtgenoten een gemeenschap van goederen bestaat (waardoor ingevolge artikel 63 jo artikel 313 Fw de schuldsaneringsregeling van een echtgenoot wordt behandeld als schuldsanering van de gehele tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap), brengt niet mee dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot, tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere echtgenoot (zie Hoge Raad 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6933). Indien beide echtgenoten om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken, dient ten aanzien van ieder van hen individueel te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat. Daarbij hadden [appellante] en [echtgenoot] zich kunnen realiseren dat de strafrechtelijke veroordeling van [echtgenoot] in 2016 voor hem aan toelating in de weg zou kunnen staan.

De wet bevat geen plicht voor de rechter om zich ervan te vergewissen dat de schuldenaar zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling handhaaft voor het geval het verzoek van zijn echtgenoot wordt afgewezen. Dat is wel zo in de situatie dat de rechter een verzoek tot instemming met een schuldregeling ex artikel 287a Fw afwijst. In dat geval volgt uit artikel 287a lid 7 Fw dat de rechter pas beslist op het schuldsaneringsverzoek indien is gebleken dat de schuldenaar dat verzoek handhaaft (vgl. Gerechtshof Den Haag 23 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4109).

De omstandigheid dat volgens de beschermingsbewindvoerder door het feit dat [appellante] wel is toegelaten tot de regeling en haar echtgenoot niet, een (praktisch) onwerkbare situatie zal ontstaan, levert geen grond op voor doorbreking van het appelverbod. Bovendien heeft de schuldsaneringsbewindvoerder aangegeven dat zij het betoog van de beschermingsbewindvoerder niet (volledig) kan onderschrijven. Volgens de schuldsaneringsbewindvoerder hoeven onder meer niet twee aparte bankrekeningen te worden geopend en zal de boedelafdracht gelijk zijn aan het inkomen van [appellante] en [echtgenoot] gezamenlijk minus het vrij te laten bedrag. Indien er beslag wordt gelegd op het inkomen van [echtgenoot] zal daar rekening mee worden gehouden, aldus de schuldsaneringsbewindvoerder.

De omstandigheid dat indien [echtgenoot] in de toekomst ook zal worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, [appellante] en [echtgenoot] langer dan de gebruikelijke drie jaar zullen worden geconfronteerd met de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, waaronder de boedelafdracht, levert geen reden op om [appellante] ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep. Daarbij geldt bovendien dat de situatie van [appellante] en [echtgenoot] in die zin niet verschilt van andere in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten die niet tegelijkertijd zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, welke mogelijkheid de wet nu eenmaal biedt.

3.5

Uit het voorgaande volgt dat [appellante] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, D. Stoutjesdijk en I. Brand en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 september 2019.

1 Enka/Dupont.