Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7286

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
200.192.398/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijslevering. Omkeringsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.192.398/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/138488 / HA ZA 14-440)

arrest van 3 september 2019

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. R.B. van Beem, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

tegen

1 De Kachelspecialist V.O.F.,

gevestigd te [B] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: de Kachelspecialist,
advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 september 2018 hier over.

1.2

Ter uitvoering van genoemd tussenarrest heeft op 30 januari 2019 een getuigenverhoor plaatsgehad en op 24 april 2019 een tegengetuigenverhoor. Vervolgens hebben [appellanten] c.s. een memorie na enquête genomen en de Kachelspecialist een antwoordmemorie na enquête.

1.3

Daarna heeft de Kachelspecialist de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

Bewijswaardering

2.1

Het hof heeft [appellanten] c.s. bij het tussenarrest van 18 september 2018 toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de brand die op 20 februari 2013 heeft gewoed in hun woonboerderij annex bed & breakfast, is veroorzaakt door de wijze waarop de Kachelspecialist het rookgasafvoerkanaal in het in de schuur gesitueerde appartement ‘de Haesouder’ heeft geïnstalleerd, waartoe kan worden volstaan dat zij aannemelijk maken dat de directe omgeving van het rookgasafvoerkanaal door het niet naleven van de installatievoorschriften door hitte is aangestraald en na een proces van pyrolyse vlam heeft gevat.

2.2

Het hof heeft in dat kader in r.o. 4.16 van genoemd arrest overwogen:

“Voor dit laatste kan, afhankelijk van wat verder nog zal blijken, mogelijk voldoende zijn dat alsnog wordt aangetoond dat de schoorsteen in de jaren voorafgaand aan de brand is geveegd, omdat daarmee de enige resterende alternatieve verklaring waarom de brand ter hoogte van het rookgasafvoerkanaal is begonnen zou zijn, te weten een schoorsteenbrand, mogelijk wordt geëcarteerd.”

2.3

[appellanten] c.s. hebben een drietal getuigen voorgebracht, te weten de heer [appellant] zelf, de heer [C] , buurman van [appellanten] c.s. en mevrouw [D] , dochter van [appellanten] c.s. Daarnaast hebben [appellanten] c.s. ter gelegenheid van het getuigenverhoor twee producties in het geding gebracht (producties 25 en 26) en bij memorie na enquête nog een drietal producties (27 tot en met 30).

In de contra-enquête is de heer [E] als getuige gehoord.

2.4

Het hof stelt voorop dat de verklaring van [appellant] als partijgetuige omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring van [appellant] strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De beperking van de bewijskracht van de verklaring van de partijgetuige geldt niet als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken (Vgl. ECLI:NL:HR:1995:ZC1688, ECLI:NL:HR:2000:AA5404 en ECLI:NL:HR:2001:AB1057). De beperking van de bewijskracht van een partijgetuigenverklaring geldt alleen voor de partij op wie de bewijslast en het bewijsrisico rust en niet voor een partij die in een tegengetuigenverhoor een verklaring aflegt. (Vgl. , ECLI:NL:HR:2003:AF0159, ECLI:NL:HR:2008:BC1844en ECLI:NL:HR:2009:BG5053). Dat betekent dat deze beperking niet geldt voor de verklaring van [geïntimeerde2] .

2.5

Over het uitbreken van de brand heeft [appellant] tijdens het getuigenverhoor bij de rechtbank een verklaring afgelegd. Hij blijft bij die verklaring. Over het vegen van de schoorstenen en het stoken van de kachel heeft hij het volgende verklaard:

“[…]Wij hadden in het voorhuis vanaf 1995 al een houtkachel die jaarlijks werd geveegd door de firma Wijma uit Twijzel. In december 2008 is de kachel geplaatst in het appartement de Heasouder. In januari 2009 is die in gebruik genomen. Ook heb ik zelf in 2009 een kachel geplaatst in het andere appartement in de stal. Het abonnement dat wij voor het schoorsteenvegen met de firma Wijma hadden, is toen uitgebreid van 1 naar 3 schoorstenen. De schoorsteen in de Heasouder zou [hof: bedoeld is: zal] voor het eerst in 2010 zijn geveegd. De firma Wijma kwam altijd na afloop van het stookseizoen, in het begin van het voorjaar. Zij kwamen altijd automatisch en kondigden hun komst zelf aan. Meestal kwamen ze met twee man. Ik herinner me dat ze ons zeiden dat de schoorsteen nagenoeg schoon was en dat er voldoende heet werd gestookt. Dat advies was mij in de tijd ook gegeven door de heer [geïntimeerde2] . U vraagt mij wanneer de schoorsteen van de Heasouder de laatste keer voor de brand is geveegd. Dat moet in het voorjaar van 2012 zijn geweest. In het voorjaar van 2013 kwam Wijma weer. Toen kon alleen de schoorsteen van het voorhuis nog worden geveegd. Ik kwam er toen achter dat Wijma een verband was aangegaan met De Kachelspecialist. Ik heb hen toen gezegd dat ik om die reden geen verder gebruik weer wilde maken van hun diensten. Dat begrepen ze ook wel.[…]

[geïntimeerde2] had mij geadviseerd om schoon en droog hout te gebruiken in combinatie met briketten. Omdat ik wist dat er veel hout nodig was, betrok ik jaarlijks zo’n 20 kuub gekloofd en gedroogd haardhout van de firma Van der Wal. Dat sloeg ik op in de schuur en dat werd een jaar later gebruikt. Ik hield dus een voorraad aan. Daarnaast kocht ik brikketten, eerst bij de Kachelspecialist en later bij de Welkoop in Leeuwarden of Dokkum. Wanneer er gasten kwamen, bracht ik ‘s ochtends vier kratjes met hout en brikketten naar het appartement. Ik stak ‘s ochtends zelf de kachel aan zodat hij op temperatuur was wanneer de gasten kwamen. Ik gaf de gasten ook instructie. Ik legde hen uit dat ze met brikketten de kachel aan de paraat konden houden, dat ze de kachel niet moesten smoren: ik wees hen op de ventilatiestand en legde hen uit dat ze de ventilator die op de pijp zat niet uit mochten doen.”

2.6

De getuigen [C] en [appellant] waren op het moment dat de brand in de boerderij van [appellanten] c.s. uitbrak niet ter plaatse en hebben over de wijze van ontstaan van de brand niets uit eigen wetenschap kunnen verklaren.

2.7

[C] heeft over het vegen van de schoorstenen het volgende verklaard:

“Ik ben de overbuurman van de familie [appellanten] […] Zelf hebben wij een huis met centrale verwarming, maar rond 2009 hebben wij een houtkachel aangeschaft. Wij hebben veel contact met [appellant] als buren, vooral mijn vrouw met de vrouw van [appellant] . Zij hebben afgesproken dat het efficiënt zou zijn om de schoorstenen tegelijk te laten vegen. Dat is ook jaarlijks gebeurd tot aan de brand. Ik weet niet zeker wie het initiatief daartoe nam. Het staat mij bij dat wij bericht kregen van de schoorsteenveger dat het weer zo ver was. Na de brand zijn wij zelf even gestopt met het stoken van hout, vanwege de schrik.

Wij hadden Wijma als schoorsteenveger en ik weet met zekerheid te zeggen dat er in 2011 nog is geveegd. Ik durf ook wel met zekerheid te stellen dat dat de jaren daarna ook is gebeurd. Mijn vrouw was er namelijk heel strak in dat het moest gebeuren. U vraagt mij waaraan ik de zekerheid ontleen dat er in 2011 geveegd is. Die zekerheid baseer ik op een betaalbewijs uit maart 2011 die ik in mijn verzekeringsmap aantrof. Ik heb geen betalingsbewijs van andere jaren. Ik betwijfel ook of ik die heb gehad. De firma Wijma kwam meestal in het voorjaar rond maart. […] Ik betaalde altijd contant. Dat weet ik nog goed. Ik betaal namelijk graag via de bank, maar zij wilden perse contant betaald worden.[…]”

2.8

[D] heeft over het vegen van de schoorstenen en het stoken van de kachel het volgende verklaard:

“Ik ben de dochter van de heer en mevrouw [appellanten] . […] Mijn ouders hadden dezelfde schoorsteenveger als ik, namelijk de firma Wijma. Wijma reed altijd een vaste route en zodoende werden wij altijd op dezelfde dag ingepland. Ik belde de schoorsteenveger niet zelf, maar wij kregen altijd een kaartje waarop de datum stond aangegeven waarop ze zouden komen. Dat kaartje kregen wij meestal een paar weken tevoren. Als je niet kon, kon je een andere afspraak maken, maar voor mij was het altijd prima.

Ik woon sinds 2005 in Bartlehiem en al die tijd heb ik Wijma als schoorsteenveger gehad. Wijma komt één keer per jaar, meestal in december of januari. Ze zijn net weer bij mij geweest. Ik betaal de schoorsteenveger altijd contant. De laatste paar jaar krijg ik dan ook een kwitantie, maar volgens mij was dat in het verleden niet zo. […] Ik weet dat Wijma op dezelfde dag bij mijn ouders kwam als bij mij doordat wij dichtbij elkaar wonen en ik daar ook wel over met mijn ouders sprak als de schoorsteenveger was geweest. Ik weet ook, doordat ik regelmatig bij mijn ouders kom, dat mijn vader de kachel altijd aanstak voor de gasten. Ook vulde hij de kachel wel bij voor de gasten, bijvoorbeeld als de gasten een bepaald programma hadden waardoor ze een hele middag weg waren. Ik heb zelf mijn vader wel eens geholpen om hout naar boven te sjouwen.”

2.9

[appellanten] c.s. hebben ter gelegenheid van het getuigenverhoor als productie 25 een e-mail van [F] van Biesboer expertise in het geding gebracht.

[F] , die indertijd in opdracht van ASR, in haar hoedanigheid van verzekeraar van [appellanten] c.s. (en niet zoals [appellanten] c.s. stellen in haar hoedanigheid van verzekeraar van de Kachelspecialist) onderzoek heeft gedaan naar het ontstaan van de brand, heeft in die
e-mail een artikel van Wikepedia over de verschijnselen van een schoorsteenbrand aangehaald en heeft vervolgens verklaard:


“Tijdens de technische expertise werd het onderhavige rookgasafvoerkanaal gereconstrueerd. Hierbij is niet gebleken van scheuren of lekkages die het gevolg zouden kunnen zijn van een extreme hitte in het onderhavige kanaal. Van een bulderend c.q. loeiend geluid, karakteristiek voor een schoorsteenbrand, is eveneens geen sprake. Geen van de getuigen heeft voorafgaand aan het afgaan van het brandalarm c.q. het waarnemen van de vlammen in het dakvlak rondom het rookgasafvoerkanaal een dergelijk geluid waargenomen.
Tenslotte treden tijdens een schoorsteenbrand, naast de sterke rookontwikkeling, ook vonken c.q. vlammen aan de bovenzijde uit het kanaal. Buiten het pand en vanuit het rookgasafvoerkanaal zijn die vonken duidelijk waarneembaar. Ook van het uittreden van vonken c.q. vlammen vanuit het kanaal is geen sprake geweest. Gelet op deze drie factoren kan gesteld worden dat deze brand geen gevolg is geweest van een schoorsteenbrand. Op basis hiervan is deze optie destijds ook niet in het rapport 079-13 genoemd.”

2.10

Ook hebben [appellanten] c.s. ter gelegenheid van het getuigenverhoor een e-mail van [G] van de firma Van der Wal Hout in het geding gebracht (productie 26).
Die e-mail houdt het volgende in:

“Bijgaand de verklaring i.v.m. het verkochte brandhout.
Wij verkopen alleen haardhout dat bestaand uit, Eiken, Beuk, Es en Els. (schoon stamhout direct uit het bos vandaan)
Het hout wordt gedroogd of vers verkocht.
Hierdoor zit geen verduurzaamd, gecreoliseerd of met verf en teer behandeld hout.
Als wij dit gaan verkopen houden wij geen klanten over, en is de kans op vervuiling in de schoorsteen vele malen groter. […]”

2.11

[geïntimeerde2] heeft in de contra-enquête verklaard:

“[…] De houtkachel en rookgasafvoer (RAK) zijn indertijd door medewerkers van mijn bedrijf geplaatst, ik was zelf niet bij de uitvoering van dat werk betrokken. Ik ben pas na de brand weer bij de boerderij geweest.
U vraagt mij hoe een schoorsteenbrand kan ontstaan. Dat kan het gevolg zijn van het stoken

met te vochtig hout en het niet regelmatig vegen van de schoorsteen. Ook kan een rol spelen

of de rookgasventilator die boven op het kanaal zat wel is onderhouden. Dat is iets wat de

schoorsteenveger normaliter meeneemt. Zo’n rookgasventilator is een motor waarvan het

draaiend gedeelte jaarlijks moet worden nagekeken. Ik weet niet of die wel onderhouden is.

Ik heb in onze administratie een werkbon gevonden uit 2011. Toen was die ventilator

vastgelopen. Dat is indertijd door ons verholpen. Nadien hebben wij daarover niet weer

meldingen ontvangen.

Eind 2012 heb ik een schoorsteenvegerbedrijf overgenomen en dat bedrijf heeft in 2013 de

schoorsteen in het voorhuis geveegd. Nu ik u dit hoor dicteren merk ik op dat ik dat niet

zeker weet. Volgens mij werden de jongens toen weggestuurd vanwege de brand. U vraagt mij of mijn medewerkers toen naar [appellant] zijn gegaan omdat dat bedrijf in het verleden de schoorsteen daar ook veegde, maar dat weet ik niet. Ik had iemand voor de planning en ik

weet zelf niet hoe dat voordien ging.[…]
U houdt mij voor dat er door [appellant] als productie 26 een verklaring van Van der Wal

Hout in het geding is gebracht waarin wordt vermeld dat er haardhout wordt geleverd

bestaande uit eiken, beuk, es en els en dat dat gedroogd of vers wordt verkocht. U vraagt mij

of dat hout geschikt is. Vers hout is sowieso niet geschikt om te stoken. Na de comparitie van

partijen in hoger beroep heb ik bij van der Wal zelf zeven kuub hout besteld voor het stoken

van kachels in onze showroom. Dat hout was veel te vochtig om te stoken, er zat namelijk 27

procent vocht in. U houdt mij voor dat [appellant] heeft verklaard dat hij het hout eerst

opsloeg in de schuur voordat het werd gestookt. Daarop zeg ik dat het er maar vanaf hangt

hoe lang en waar het hout wordt opgeslagen voordat het wordt gebruikt.

U vraagt mij hoe een schoorsteenbrand tot uiting komt. Je kunt dat horen, er is dan sprake

van een wat bulderend geluid. Je ziet verder niets, behalve dan dat er een vonkenregen uit de

schoorsteen komt. U vraagt mij of de vonkenvanger die vonken niet tegenhoudt. Zo’n grote

hoeveelheid vonken, die bij een schoorsteenbrand wordt uitgestuwd, wordt door zo’n vonkenvanger niet tegengehouden.

U vraagt mij of ik na de brand zelf iets heb opgemerkt dat op een schoorsteenbrand zou

kunnen duiden. Dat is niet het geval, want er was niet veel meer te zien.

U houdt mij de verklaring voor van [F] van Biesboer Expertise die als productie 25

door [appellant] in het geding is gebracht. Hij verklaart dat het RAK is gereconstrueerd en

dat daarbij niet is gebleken van scheuren of lekkages welke het gevolg zouden kunnen zijn

van een extreme hitte in het kanaal. Daarover zeg ik dat een RAK niet hoeft te scheuren bij

een schoorsteenbrand, zo’n kanaal kan daartegen bestand zijn.

U houdt mij verder voor dat Biesboer naar aanleiding van de getuigenverklaringen opmerkt

dat er geen vonken of vlammen zichtbaar zouden zijn geweest. Daarop zeg ik dat een

schoorsteenbrand heel kort kan duren. Het kan om vijf of tien minuten gaan waarin de brand

het kanaal schoonbrandt. De vonkenregen is dan ook maar kort te zien.

Naar aanleiding van een opmerking van mr. Bulthuis merk ik op dat hout buiten onder een

afdakje moet worden opgeslagen omdat de wind er doorheen moet kunnen waaien. Verder

merk ik op dat je bij een schoorsteenbrand eventueel een bulderend geluid hoort. Dat is niet

altijd zo, dat hangt er maar vanaf hoe lang een schoorsteenbrand duurt.
Ik heb een model meegenomen van de dubbelwandige pijp die door het rieten dak is gevoerd

aan de hand waarvan ik u uitleg hoe mijn medewerkers volgens mij de pijp hebben

aangebracht. Zoals gezegd ben ik zelf niet bij de uitvoering van die werkzaamheden

betrokken geweest, maar dit is de manier waarop wij altijd te werk gaan.

Ik toon u aan de buitenzijde de loodslabbe en aan de binnenzijde de horizontale onbrandbare

plaat die tegen het dakvlak zit. U vraagt mij waar de verticale onbrandbare plaat zit waarover

door de Kachelspecialist in de processtukken is gesproken en waarvan [appellant] de

aanwezigheid betwist. Ik wijs u op smalle strookjes die tussen de horizontale onbrandbare

plaat en het dakvlak zitten. Ik hoor dhr. [appellant] zeggen dat die nu juist niet aanwezig

waren en na de brand ook niet zijn aangetroffen, maar dat er alleen minerale wol tussen zat.

Ik merk op dat uit de foto’s blijkt dat er ook kleine stukjes onbrandbaar materiaal zijn

gevonden na de brand.”

2.12

Het hof is in zijn tussenarrest van 18 september 2018 tot het oordeel gekomen dat de Kachelspecialist niet heeft voldaan aan de norm dat bij het installeren van het rookgasafvoerkanaal een afstand van 50 mm tot brandbare materialen in acht moet worden genomen en evenmin aan het installatievoorschrift van de leverancier dat er ter plaatse van de dakdoorvoer een omkokering moet worden aangebracht. Beide normen zijn bedoeld ter bescherming tegen het specifieke gevaar dat de directe omgeving van het rookgasafvoerkanaal zodanig door hitte wordt aangestraald dat deze, al dan niet na een proces van pyrolyse, vlam kan vatten.
In hetgeen [geïntimeerde2] als getuige heeft verklaard ziet het hof geen aanleiding om op zijn oordeel terug te komen, nu de Kachelspecialist hoe dan ook geen omkokering heeft aangebracht op de wijze als is voorgeschreven in de installatie-instructie van de fabrikant en bovendien uit de rapporten van Biesboer en I-Tek blijkt dat er na de brand maar één onbrandbare plaat is aangetroffen en niet meerdere stukken onbrandbaar materiaal.
De Kachelspecialist is dus tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting het rookgasafvoerkanaal op deugdelijke wijze te installeren. Er is sprake van een verborgen gebrek, nu dit voor [appellanten] c.s. als leken niet kenbaar was, zodat niet gezegd kan worden dat zij deze wijze van installeren bij de oplevering hebben aanvaard.

2.13

Verder is het hof in zijn tussenarrest op grond van de tijdens de procedure bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen tot het oordeel gekomen dat de brand is ontstaan ter hoogte van/rondom het rookgasafvoerkanaal. Het hof heeft overwogen dat de oorzaak van de brand daarmee nog niet was gegeven omdat, hoewel de plaats van ontstaan van de brand een aanwijzing kan zijn dat het gevaar waartegen de geschonden norm bescherming beoogt te bieden zich heeft verwezenlijkt, evenzeer voorstelbaar is dat sprake is geweest van een schoorsteenbrand, zoals de Kachelspecialist bij wijze van verweer heeft aangevoerd. Het hof heeft daarom op dat moment nog geen aanleiding gezien voor toepassing van de omkeringregel (die inhoudt dat het causaal verband tussen de tekortkoming van de Kachelspecialist en het ontstaan van de schade wordt vermoed) en heeft [appellanten] c.s. toegelaten tot bewijslevering.

2.14

Het hof is van oordeel dat [appellanten] c.s. erin zijn geslaagd aannemelijk maken dat de directe omgeving van het rookgasafvoerkanaal door het niet naleven van de installatievoorschriften door hitte is aangestraald en na een proces van pyrolyse vlam heeft gevat, aangezien de enige resterende alternatieve verklaring waarom de brand ter hoogte van het rookgasafvoerkanaal is begonnen, te weten een schoorsteenbrand, door het bijgebrachte bewijs is geëcarteerd. Daartoe overweegt het hof het volgende.

2.15

Zowel [C] als [D] hebben de stelling van [appellanten] c.s. dat de schoorstenen van hun boerderij jaarlijks werden geveegd door de firma Wijma, bevestigd. Beide getuigen geven aan dat de firma Wijma de schoorsteen bij hen op dezelfde dag kwam vegen als bij [appellant] , dat de firma Wijma haar komst aankondigde middels een kaartje dat vooraf werd gestuurd, dat er meestal contant werd betaald en niet altijd een kwitantie werd verstrekt. De door de getuigen geschetste gang van zaken strookt met het eerder door [appellanten] c.s. als productie 24 in het geding gebrachte kaartje waarbij de firma Wijma haar komst aankondigde en wordt bovendien bevestigd door het als productie 29 bij memorie na enquête overgelegde betaalbewijs waarover [C] in zijn verklaring heeft gesproken.
Het betreft een abonnementskaart van de firma Wijma waarop staat ‘€ 45,- vegen 18 maart 2011’ en ‘18-3 contant’. Daaruit blijkt dat de schoorsteen van [C] in 2011 op dezelfde dag is geveegd als de schoorstenen bij [appellanten] c.s. Uit de factuur die als productie 22 is overgelegd staat immers ook de datum 18 maart 2011 vermeld.
Weliswaar is er niet een dergelijk betaalbewijs voorhanden van het jaar 2012, maar het hof acht dat, gelet op het feit dat beide getuigen hebben verklaard dat betaling contant plaatsvond en niet altijd een kwitantie werd verstrekt, niet doorslaggevend. Het hof ziet in het feit dat [D] de dochter van [appellanten] c.s. is en [C] hun buurman, geen reden om aan de oprechtheid van hun verklaringen te twijfelen. Het hof acht de verklaringen, die op essentiële onderdelen overeenkomen, authentiek en overtuigend en acht bewezen dat de schoorsteen van de Haesouder voorafgaand aan de brand jaarlijks werd geveegd.

2.16

[appellanten] c.s. hebben daarnaast door het overleggen van de producties 21 (foto’s), 26 en 27 (verklaring van Van der Wal Hout en uitdraai van haar website) voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hout van goede kwaliteit hebben betrokken bij een professionele leverancier van haardhout. Weliswaar heeft [geïntimeerde2] verklaard zelf hout te hebben besteld bij Van der Wal en dat dit hout een te hoog vochtgehalte bleek te bezitten, maar de Kachelspecialist heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat [appellanten] c.s. het gekochte hout eerst opsloegen in een ventilerende schuur en het daar nog circa 18 maanden lieten drogen voordat het werd gebruikt. Het hof houdt het er daarom voor dat de kwaliteit van het hout geen schoorsteenbrand kan hebben veroorzaakt.

2.17

Zowel [F] als [geïntimeerde2] heeft aangegeven dat een schoorsteenbrand valt te herkennen aan een loeiend/bulderend geluid in het rookkanaal en vonken en/of vlammen die aan de bovenzijde uit de schoorsteen komen. De getuigen die ten tijde van het uitbreken van de brand aanwezig waren en die bij de rechtbank verklaringen hebben afgelegd, hebben echter geen melding gemaakt van een dergelijk geluid of van vonken of vlammen die uit de schoorsteen kwamen. [geïntimeerde2] heeft tijdens zijn getuigenverklaring in hoger beroep verklaard dat dergelijke ontwikkelingen zich betrekkelijk korte tijd – 5 tot 10 minuten – kunnen voordoen. Getuige [H] , een van de studenten die in de Haesouder verbleef en als getuige door de rechtbank is gehoord, heeft niet over een bulderend geluid gesproken. Hij heeft verklaard dat de studenten rook zagen in de nok van het appartement en toen zij buiten kwamen vlammetjes zagen op het dak rondom de schoorsteen. Hij heeft geen melding gemaakt van vlammen of vonken die uit de schoorsteen kwamen. Datzelfde geldt voor [appellant] en zijn zwager [appellante] , die vanuit het voorhuis naar buiten zijn gerend zodra het brandalarm afging.
[F] heeft verder opgemerkt dat bij een reconstructie van het rookgasafvoerkanaal na de brand niet is gebleken van scheuren of lekkages die het gevolg zouden kunnen zijn van extreme hitte in het rookgasafvoerkanaal. Hij is vanwege deze drie factoren (geen bulderend geluid, vonkenregen uit de schoorsteen en afwijkingen aan het rookgasafvoerkanaal) van mening dat de brand geen gevolg is geweest van een schoorsteenbrand.

2.18

Het hof is van oordeel dat door de getuigenverklaringen en de schriftelijke bewijsstukken in hun onderlinge samenhang bezien, de mogelijkheid van een schoorsteenbrand is geëcarteerd en dat [appellanten] c.s. zo voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het gevaar waartegen de geschonden normen beogen bescherming te bieden (namelijk dat de directe omgeving van het rookgasafvoerkanaal door hitte is aangestraald en na een proces van pyrolyse vlam heeft gevat, zoals door Biesboer en Overtoom is verondersteld) zich inderdaad heeft voorgedaan.

2.19

Dat betekent dat het hof nu wel aanleiding heeft voor toepassing van de omkeringsregel en het causaal verband tussen de gebrekkige wijze van installatie van het rookgaskanaal en de schade wordt vermoed, behoudens tegenbewijs door de Kachelspecialist. Dat tegenbewijs behoeft niet te bestaan uit het bewijs van het tegendeel maar voldoende is dat het vermoeden van het causaal verband wordt ontzenuwd.
De raadsheer-commissaris heeft de Kachelspecialist er in dit kader ter gelegenheid van de op 30 januari 2019 gehouden enquête op gewezen dat de contra-enquête ten volle diende te worden benut.

De door [geïntimeerde2] in de contra-enquête afgelegde verklaring, die uitsluitend ziet op de mogelijkheid van een schoorsteenbrand, is in het licht van het door [appellanten] c.s. bijgebrachte bewijs en wat het hof hiervoor heeft overwogen naar het oordeel van het hof onvoldoende om het vermoeden van causaal verband te ontzenuwen. Het hof wijst erop dat de Kachelspecialist alleen een schoorsteenbrand als mogelijke alternatieve oorzaak heeft aangewezen en voor het overige geen feiten of omstandigheden heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die het vermoeden van causaal verband tussen de wijze van installeren en het ontstaan van de brand zouden kunnen ontzenuwen.

Schade

2.20

De Kachelspecialist is derhalve aansprakelijk voor de schade die [appellanten] c.s. als gevolg van de brand hebben geleden. [appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat de schade aan opstal en inboedel gezamenlijk is vastgesteld door Dekra, die als expert door ASR is ingeschakeld en Troostwijk die als contra-expert door [appellanten] c.s. is ingeschakeld. Deze experts hebben de schade gezamenlijk vastgesteld op een bedrag van € 1.032.335,86 (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg). [appellanten] c.s. stellen daarnaast nog overige schade ter hoogte van € 125.000,- te hebben geleden en verwijzen in dat verband naar een schadeopstelling van Troostwijk (productie 5 bij inleidende dagvaarding). Uit die productie, die onder meer een specificatie bevat van een deel van het in productie 4 genoemde bedrag, blijkt evenwel dat het bedrag van € 125.000,- betrekking heeft op ‘niet beoordeelde posten’, die ook niet onder de opstal- en inboedelverzekering vielen, waaronder een boot en bedrijfsschade. [appellanten] c.s. stellen dat het bedrag van € 125.000,- dient te worden verminderd met een bedrag van € 23.973,83 dat is ontvangen als verzekeringsuitkering voor schade aan een zeilboot en vermeerderd met een bedrag van € 40.000,- ter zake van een extra jaar bedrijfsschade, hetgeen leidt tot een bedrag van € 151.026,17. [appellanten] c.s. hebben in mindering op het totale schadebedrag van € 1.183.326,03 (€ 1.032.335,86 +
€ 151.026,17), een uitkering van ASR ontvangen van € 380.000,- en een bedrag van
€ 187.500,- van [I] , hun assurantietussenpersoon, met wie zij een schikking hebben getroffen in verband met het feit dat zij onderverzekerd bleken. Per saldo vorderen [appellanten] c.s. een bedrag van € 667.459,98 van de Kachelspecialist.

2.21

De Kachelspecialist heeft bij conclusie van antwoord in eerste aanleg verweer gevoerd tegen het gevorderde bedrag. In de eerste plaats heeft zij de hoogte daarvan bestreden: zij heeft aangevoerd dat de in de taxatie van Dekra genoemde bedragen niet zijn onderbouwd en te hoog voorkomen en dat iedere onderbouwing van posten als strowagen, boot en bedrijfsschade ontbreekt.
In de tweede plaats heeft de Kachelspecialist een beroep gedaan op haar algemene voorwaarden waarin een beperking van haar aansprakelijkheid is opgenomen.
In de derde plaats heeft de Kachelspecialist een beroep gedaan op eigen schuld van [appellanten] c.s. De Kachelspecialist stelt zich op het standpunt dat zij niet de dupe mag worden van het feit dat [appellanten] c.s. hebben nagelaten zich voldoende te verzekeren.

2.22

Met betrekking tot dat laatste verweer overweegt het hof het volgende.
[appellanten] c.s. kunnen de Kachelspecialist aanspreken voor de schade die zij door de brand hebben geleden, nu die veroorzaakt is door de wanprestatie van de Kachelspecialist.
De Kachelspecialist kan haar aansprakelijkheid voor de schade niet afweren met een beroep op eigen schuld van [appellanten] c.s. omdat zij onderverzekerd waren. Er bestaat immers geen wettelijke plicht om een brandverzekering af te sluiten.
c.s. hebben vanwege de brand ook een aanspraak op hun verzekeraar op grond van de door hen gesloten schadeverzekering. In verband met het feit dat zij onderverzekerd waren, hebben [appellanten] c.s. een schadevergoeding ontvangen van [I] , hun assurantietussenpersoon. Deze vergoeding hebben zij in mindering gebracht op hun vordering op de Kachelspecialist. Dat geldt ook voor de vergoeding die zij hebben ontvangen van hun verzekeraar. Zij hebben de Kachelspecialist aangesproken voor hun schade voor zover die nog niet is vergoed. Voor zover de schadevordering die [appellanten] c.s. op de Kachelspecialist hebben door hun verzekeraar wordt vergoed, gaat hun vordering op grond van artikel 7:962 BW bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar. Zonder nadere toelichting die ontbreekt, valt daarom niet in te zien dat de Kachelspecialist nadeel zou ondervinden van het feit dat [appellanten] c.s. onderverzekerd waren. In het geval de verzekeraar een hoger bedrag aan [appellanten] c.s. zou hebben uitgekeerd, zou er immers een groter deel van de vordering op de verzekeraar zijn overgegaan. De Kachelspecialist blijft voor dezelfde schade aansprakelijk, ongeacht of zij nu door [appellanten] c.s. of de verzekeraar tot vergoeding daarvan wordt aangesproken.

2.23

Wat het tweede verweer betreft, hebben [appellanten] c.s. ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. [appellant] heeft verklaard dat deze niet op de offerte stonden vermeld, maar alleen op de factuur en dat de algemene voorwaarden hen ook niet ter had zijn gesteld. [appellanten] c.s. hebben zich, voor zover nodig, de vernietiging ingeroepen van de algemene voorwaarden.
De Kachelspecialist heeft een en ander vervolgens niet weersproken. Uit het in het geding gebrachte afschrift van de offerte blijkt ook niet dat daarop is verwezen naar toepasselijke voorwaarden. De Kachelspecialist heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat deze zijn overeengekomen. Haar beroep daarop faalt dan ook.

2.24

Wat de hoogte van de schade betreft, overweegt het hof als volgt. De Kachelspecialist heeft in algemene zin geklaagd dat de in productie 4 door Dekra genoemde bedragen niet zijn onderbouwd en dat niet inzichtelijk is gemaakt welke bedragen inclusief btw zijn en welke exclusief btw. Het hof merkt op dat een (gedeeltelijke) specificatie van de genoemde posten is te vinden in productie 5, maar daarop is de Kachelspecialist niet specifiek ingegaan. Zij heeft bovendien niet weersproken dat de in productie 4 genoemde bedragen, die optellen tot een totaal bedrag van € 1.032.335,86 en waarbij is aangegeven dat daarin een bedrag van € 58.962,99 inclusief btw is begrepen, het resultaat zijn van een gezamenlijke taxatie door twee deskundigen, te weten Troostwijk, die optrad als contra-expert van [appellanten] c.s. en Dekra die optrad voor ASR. ASR was zowel verzekeraar van de Kachelspecialist als van [appellanten] c.s. De Kachelspecialist heeft in haar conclusie van antwoord onder 6 zelf benadrukt dat ASR om die reden inhoudelijk geen bemoeienis heeft gehad met de afwikkeling van de schade, maar voor beide partijen afzonderlijke deskundigen heeft ingeschakeld. Zo zijn Biesboer en I-Tek ingeschakeld voor het technisch onderzoek naar de brand, waarbij Biesboer optrad voor [appellanten] c.s. en I-Tek voor de Kachelspecialist. Bij de begroting van de schade is Troostwijk opgetreden voor [appellanten] c.s., zodat het hof ervan uit gaat dat Dekra optrad voor de (verzekeraar van de) Kachelspecialist. Waar de Kachelspecialist zich kennelijk wil distantiëren van de bevindingen van die deskundige – die zij eenvoudig om een nadere toelichting en specificatie had kunnen vragen – had het op haar weg gelegen dat gemotiveerder te doen. Nu zij dat heeft nagelaten, zal het hof het bedrag van € 1.032.335,86 tot uitgangpunt nemen. Dat geldt niet voor de daarnaast door [appellanten] c.s. genoemde bedragen van € 125.000,- respectievelijk € 151.026,17 die betrekking zouden hebben op onder meer een strowagen, boot en bedrijfsschade. Ter zake is in productie 5 slechts een opsomming gegeven van ronde bedragen, waarbij is vermeld dat deze posten niet zijn beoordeeld, terwijl [appellanten] c.s. daarvan ook overigens geen enkele onderbouwing in de vorm van bijvoorbeeld aankoopbewijzen of jaarstukken hebben gegeven, terwijl dat een dergelijke onderbouwing in dit stadium van de procedure wel voorhanden had moeten zijn.

2.25

Naar het oordeel van het hof komt daarom voor vergoeding door de Kachelspecialist in aanmerking: € 1.032.335,86 verminderd met de door [appellanten] c.s. van ASR en [I] ontvangen bedragen van € 380.000,- respectievelijk € 187.500,-, derhalve een bedrag van € 464.835,86 in hoofdsom. [appellanten] c.s. hebben als productie 7 bij inleidende dagvaarding een berekening van de wettelijke rente overgelegd, waaruit blijkt dat de wettelijke rente over het (volledige) schadebedrag vanaf de dag van de brand in het door hen gevorderde bedrag is begrepen. Die berekening gaat echter uit van onjuiste bedragen. Bovendien heeft de Kachelspecialist er terecht op gewezen dat [appellanten] c.s. op grond van de opstalverzekering recht op uitkering vanaf de dag van de brand hebben en dat niet duidelijk is of in het door [I] uitgekeerde bedrag rente is begrepen. Het hof zal de wettelijke rente daarom alleen toewijzen over het toe te wijzen bedrag van € 464.835,86 en wel vanaf de dag van de brand, 20 februari 2013. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, nu de Kachelspecialist gemotiveerd heeft betwist dat deze door [appellanten] c.s. zijn gemaakt en [appellanten] c.s. daarvan ook geen deugdelijke onderbouwing of specificatie hebben gegeven.

3 De slotsom

3.1

De grieven 1,2,4,5 en 8 slagen zodat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd. Grief 3 faalt. Bij de bespreking van grieven 6 en 7 bestaat verder geen belang.

3.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof de Kachelspecialist in de kosten van beide instanties veroordelen (waarmee ook grief 9 slaagt).

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 77,52

- griffierecht € 1.519,-

- getuigentaxen € 50,-

subtotaal verschotten € 1.646,52

- salaris advocaat € 9.030,- (3,5 punten x tarief 2.580,-)

Totaal € 10.676,52,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,08

- griffierecht € 1.631,-

- getuigentaxen € nihil

subtotaal verschotten € 1.725,08

- salaris advocaat € 21.051,- (4,5 punten x tarief 4.678,-)

Totaal € 22.775,08

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van

24 juni 2015 en 23 maart 2016 en doet opnieuw recht:

veroordeelt de Kachelspecialist hoofdelijk tot betaling aan [appellanten] c.s. van een bedrag van € 464.835,86 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

20 februari 2013 tot aan de dag der algehele betaling;

veroordeelt de Kachelspecialist hoofdelijk in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.646,52 voor verschotten en op € 9.030,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op
€ 1.725,08 voor verschotten en op € 21.051,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. L. Janse en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op
3 september 2019.