Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7282

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.264.091/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouders niet-ontvankelijk in verzoek tot voorlopige omgangsregeling met uithuisgeplaatst kind. Zij moeten eerst de GI verzoeken een omgangsreling vast te stellen (artikel 1:265f BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.264.091/02 (voorlopige omgangsregeling)

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/127142 / JE RK 19-290)

beschikking van 3 september 2019

inzake

[verzoekster] ,

verder te noemen: de moeder, en

[verzoeker] ,

verder te noemen: de vader,

beiden wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd te Assen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) in de zaak met nummer 200.264.091/01, ingekomen op 9 augustus 2019;

- een journaalbericht van mr. De Boer van 13 augustus 2019 met productie(s);

- een faxbericht van de raad van 19 augustus 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2019 plaatsgevonden, gelijktijdig met de zaak met nummer 200.264.091/01. Verschenen zijn de ouders, bijgestaan door mevrouw [B] , be√ędigd tolk in de Koerdische taal, en mr. De Boer. Ook zijn verschenen de heer [C] namens de raad en de heer [D] namens de GI.

2.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI met toestemming van het hof de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 1 april 2019 overgelegd.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2019.

3.2

De ouders oefenen het gezag over [de minderjarige] gezamenlijk uit.

3.3

Bij de beschikking van 20 juni 2019 heeft de kinderrechter [de minderjarige] met ingang van 20 juni 2019 tot 20 juni 2020 onder toezicht gesteld van de GI. Ook is bij die beschikking met ingang van 20 juni 2019 tot 20 juni 2020 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend.

3.4

[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

3.5

De ouders hebben het hof verzocht de beschikking van 20 juni 2019 te vernietigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en in zoverre opnieuw beslissende het inleidend verzoek van de raad tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van een jaar alsnog af te wijzen en tevens alsnog een onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv (naar onder meer de opvoedvaardigheden van de ouders) te gelasten door het NIFP, dan wel een gelijkwaardig instituut. Die zaak is geadministreerd onder nummer 200.264.091/01.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij journaalbericht van 13 augustus 2019 hebben de ouders het hof verzocht bij de beoordeling in de zaak met nummer 200.264.091/01 ook hun verzoek tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling met [de minderjarige] te betrekken, zoals zij dat bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, hebben ingediend. Het hof heeft dit verzoek afgesplitst van de hoofdzaak en geadministreerd onder zaaknummer 200.264.091/02 en gelijktijdig met de hoofdzaak behandeld.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof is van oordeel dat het in deze procedure geen voorlopige omgangsregeling kan vaststellen. Daarvoor is het volgende redengevend.

5.2

Op grond van artikel 1:265f lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouders en het kind beperken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter kan de schriftelijke aanwijzing op verzoek van de ouders geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De artikelen 1:264 en 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Gelet op artikel 1:265f lid 2 jo. artikel 1:265 lid 2 BW dient de GI binnen twee weken schriftelijk te beslissen op een verzoek van de ouders tot (gedeeltelijke) intrekking van de aanwijzing. Ingevolge artikel 1:265f lid 2 jo. artikel 1:265 lid 4 BW staat het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de GI gelijk met afwijzing van het verzoek, waarna beroep kan worden ingesteld bij de kinderrechter.

5.3

Ter zitting is gebleken dat er geen sprake is van een schriftelijke aanwijzing van de GI waarbij door de GI een omgangsregeling tussen de ouders en [de minderjarige] is vastgesteld. Evenmin is gebleken dat de ouders de GI hebben verzocht een omgangsregeling vast te stellen, en dat daarop geen beslissing is gekomen.

5.4

Nu de wet in geval van een ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing van een minderjarige een speciale regeling behelst met betrekking tot omgang tussen de ouders en de minderjarige, is het hof van oordeel dat de ouders die weg moeten volgen en hun verzoek tot het treffen van een voorlopige omgangsregeling aan de GI moeten voorleggen. Er bestaat geen wettelijke grondslag voor toewijzing door het hof van het verzoek van de ouders. Het hof zal de ouders daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en M. Weissink, bijgestaan door mr. I.M. Klaver als griffier, en is op 3 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.