Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7276

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.251.344/01 en 200.251.347/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen hebben ter zake de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de partneralimentatie een overeenkomst gesloten die kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Dit betekent dat de van toepassing zijnde dwalingsregeling met terughoudendheid dient te worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.251.344/01 en 200.251.347/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/222262 / ES RK 18-3891 pso)

beschikking van 3 september 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.P. van Dalen te Leeuwarden,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E. Leentjes te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 september 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 13 december 2018;

- het verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Leentjes van 13 juni 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Leentjes van 17 juni 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van Dalen werd vergezeld van een stagiaire. Mr. Van Dalen heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 2010 met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding. Voor beide partijen was het een tweede huwelijk.
De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:
2. Uitsluiting huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap
Tussen de echtgenoten bestaat geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

(…)

4. Jaarlijkse verrekening

1. De echtgenoten zijn verplicht om elk kalenderjaar dat wat van hun inkomen overblijft na betaling van de kosten van de huishouding met elkaar te verrekenen. Voor zover inkomsten waarop een uitsluitingsclausule van toepassing is, niet als kosten van de huishouding zijn besteed, blijven deze bij de verrekening buiten beschouwing. De verrekening vindt binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar of de datum van de aanslag van de inkomstenbelasting voor dat kalenderjaar, als volgt plaats. De echtgenoot die in het kalenderjaar meer inkomen heeft dan de helft van de som van beide inkomens, is verplicht aan de andere echtgenoot het verschil in geld te betalen met een maximum van de helft van het hoogste inkomen van beiden. De echtgenoten kunnen overeenkomen dat het bedrag niet in geld wordt betaald. Zij worden dan geacht aan de plicht tot verrekening te hebben voldaan door het schriftelijk vastleggen dat het bedrag schuldig wordt gebleven.

2. Over de periode waarin de echtgenoten, anders dan in onderling overleg, duurzaam gescheiden hebben geleefd, kan geen verrekening worden gevorderd.

3. Als de verrekening met betrekking tot een kalenderjaar niet plaatsvindt, kan ieder van de echtgenoten, tot drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de verrekening had moeten plaatsvinden, alsnog verrekening vorderen. Deze termijn wordt door de echtgenoten overeengekomen in verband met de complicaties die kunnen ontstaan bij verrekening over langere tijd. De verrekening heeft geen betrekking op waardeveranderingen ontstaan door belegging van te verrekenen inkomen, het hierna bepaalde uitgezonderd. Indien en voor zover te verrekenen inkomsten zijn gebruikt ter financiering van een registergoed of ter aflossing van een schuld in verband met de financiering van een registergoed, heeft de verrekening mede betrekking op de waardevermeerdering of waardevermindering van het registergoed naar rato van investering van de te verrekenen inkomsten. Onder aflossing van een schuld als hiervoor bedoeld wordt tevens begrepen het betalen van premies in verband met toekomstige aflossing van de schuld of storting in rendements- of beleggingsdepots.

4. Een vordering op grond van het in dit artikel opgenomen verrekenbeding is opeisbaar bij:

- - ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed;

- - faillissement van de schuldenaar;

- - surseance van betaling van de schuldenaar;

- - het op de schuldenaar van toepassing worden van een regeling in het kader van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

(…)

6. Een vordering op grond van het in dit artikel opgenomen verrekenbeding is gezien de aard van de rechtsverhouding tussen de echtgenoten renteloos gedurende het huwelijk. Bij het opeisbaar worden van een vordering zal deze een rente dragen als bedoeld in artikel 21 lid 13 Successiewet 1956.

5. Geen finale verrekening bij einde huwelijk door overlijden.

De echtgenoten komen geen finale verrekening bij het einde van het huwelijk door overlijden overeen.

6. Geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden.

De echtgenoten komen geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden overeen.

(…)

12. Verstrekken van inlichtingen

Ieder van de echtgenoten is verplicht de ander inlichtingen te geven over zijn inkomens- en vermogenspositie.

3.2

Partijen hebben op 24 augustus 2018 een door een mediator opgesteld echtscheidingsovereenkomst ondertekend. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
" Nemen in aanmerking:
(…)

- Partijen zijn geïnformeerd over de Trema normen maar hebben in goed overleg overeenstemming bereik over de partneralimentatie.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Partneralimentatie

1.1

[verweerder] en [verzoekster] zien af van partneralimentatie. Zij kunnen beiden in hun eigen onderhoud voorzien.

1.2

Mochten er, door niet-verwijtbare omstandigheden, alsnog substantiële nieuwe verschillen in inkomens ontstaan, dan zullen [verweerder] en [verzoekster] deze in eerste instantie in overleg vast (laten) stellen. Komen zij samen niet tot overeenstemming, dan zullen zij in het uiterste geval de Rechtbank verzoeken hierover een beslissing te nemen.

Artikel 2. De echtelijke Woning en verdeling van gezamenlijk vermogen

2.1

De echtelijke woning aan de [a-straat 1] in [C] was voor en tijdens het huwelijk volledig eigendom van [verweerder] . Deze woning is inmiddels verkocht.

2.2

[verweerder] en [verzoekster] verlenen elkaar alle medewerking en hebben inmiddels in goed overleg overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel, inclusief de auto's en de waarden van de gezamenlijke betaalrekeningen. Voor de rest vereist deze verdeling verdere specificatie.

2.3

Ter finale kwijting ter zake de afwikkeling van alle financiële gevolgen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van het huwelijk met [verzoekster] , heeft [verweerder] een appartement gekocht aan de [b-straat 2] te [A] . [verzoekster] krijgt het vruchtgebruik van dit appartement tot haar overlijden of bij metterwoon verlaten. Inzake het vruchtgebruik is een notariële akte opgemaakt.

Artikel. 3 Pensioenen

3.1

[verweerder] en [verzoekster] sluiten de Wet Verevening Pensioenrechten nadrukkelijk uit. Zij doen over en weer afstand van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenuitkering.

3.2

Over en weer is er geen sprake van een nabestaande pensioen.

Artikel. 4 Fiscale regeling

4.1

De aanslagen Inkomstenbelasting betrekking hebbend op de huwelijkse jaren tot en met het moment van scheiding komen voor rekening van beiden. Eventuele teruggaven over deze periode zullen door partijen worden verdeeld gedeeld op de tot nu toe gebruikelijke wijze. [verweerder] en [verzoekster] zullen ervoor zorgdragen dat de aangiften in overleg met elkaar worden gedaan. Daarna zal ieder zijn eigen aangifte doen en de aanslag die daarop volgt voor zijn/haar rekening nemen. Een eventuele teruggave zal ieder kunnen behouden.

Artikel. 5 Kwijting en vrijwaring

5.1

[verweerder] en [verzoekster] verklaren hierbij dat de gezamenlijke goederen op een redelijke en billijke manier zijn verdeeld en zij verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben, behoudens wat beschreven is in dit convenant. Zij verlenen elkaar complete en finale kwijting.

(…)

Artikel 8. Slotbepaling

8.1

De afspraken in dit convenant zullen leidend zijn, ook al wijkt de beschikking van de rechtbank hiervan af, mits de afspraken passen binnen het dwingend recht.

8.2

[verweerder] en [verzoekster] zullen deze overeenkomst niet geheel of gedeeltelijk laten ontbinden, in het geval er sprake is van het niet-nakomen van de hierin beschreven afspraken. Nakoming zal steeds gevorderd kunnen worden, al dan niet met schadevergoeding."

3.3

Bij de bestreden beschikking van 13 september 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, is de inhoud van de door partijen op 24 augustus 2018 ondertekende echtscheidingsovereenkomst in de beschikking opgenomen, en een afschrift daarvan aan de beschikking gehecht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft.

3.4

Op 1 februari 2019 heeft de griffier van dit hof een akte van non-appel afgegeven. Het huwelijk van partijen is op 11 februari 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.5

Bij notariële akte van 14 september 2018 is het appartementsrecht aan de [b-straat 2] te [A] (verder te noemen: het appartement) geleverd aan de man, waarbij de beperkte rechten van gebruik en bewoning (artikel 3:226 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) zijn gevestigd ten behoeve van de vrouw. Ten aanzien hiervan is in de akte onder meer het volgende opgenomen:
" 9. Duur van de rechten van gebruik en bewoning

De rechten van gebruik en bewoning eindigen:

- bij het overlijden van de gebruiker;

- bij het metterwoon verlaten van het appartement door de gebruiker. Als de gebruiker wordt opgenomen in een verpleegtehuis of een vergelijkbare instelling, gedurende een aaneengesloten periode van meer dan zes maanden, eindigen de rechten van gebruik en bewoning;

- als de gebruiker gaat samenwonen in het Verkochte;

- bij opzegging

(…)

[verzoekster] en koper verklaren dat na het vestigen van de rechten van gebruik en bewoning zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben op grond van eventuele pensioenaanspraken, verrekenbedingen, verrekeningen, alimentatie of anderszins."

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en onder verbetering van de gronden alsnog de navolgende beslissingen te nemen:
I. de man te veroordelen om aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving

van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen een bruto maandelijkse partneralimentatie van € 1.500,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

II. de man op te dragen op basis van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan de vrouw ter beschikking te stellen zijn aangiften inkomstenbelasting 2010 tot en met 2018 met bijbehorende aanslagen;

III. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen op grond van de betaling van privéschulden van de man tijdens het huwelijk een bedrag van € 110.526,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het beroepschrift tot aan de datum van algehele voldoening;

IV. de man te veroordelen op grond van het periodiek verrekenbeding aan de vrouw te betalen een bedrag van € 255.507,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het beroepschrift tot aan de datum van algehele voldoening;

V. de af te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

VI. kosten rechtens.

4.2

De man is op zijn beurt met één grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof:
In het principaal hoger beroep:

I. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans dit af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep voor het geval de grief van de vrouw geheel of gedeeltelijk mocht slagen:

II. de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de vrouw te veroordelen aan de man een bedrag van € 40.000,- te voldoen ter zake van het niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding, althans een zodanig bedrag in goede justitie als door het hof te bepalen.

4.3

De vrouw heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep en heeft het hof verzocht om het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw heeft ter zitting bevestigd dat zij bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep haar verzoek heeft verminderd, in die zin dat zij thans, naast het onder III. genoemde bedrag van € 110.526,-, ten aanzien van punt IV. verzoekt de man te veroordelen op grond van het periodiek verrekenbeding aan de vrouw te betalen een bedrag van € 112.668,-, derhalve in totaal een bedrag van € 223.194,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het beroepschrift tot aan de datum van algehele voldoening.

5 De motivering van de beslissing
De overeenkomst tussen partijen: vaststellingsovereenkomst?

5.1

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de overeenkomst die zij op

24 augustus 2018 met elkaar hebben gesloten dient te worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW.

5.2

Ingevolge artikel 7:900 BW is een vaststellingsovereenkomst een overeenkomst die is gericht op beëindiging of voorkoming van een onzekerheid of een geschil. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand. Niet vereist is dat partijen kunnen overzien waarvan zij afzien (ofwel: waarop de onzekerheid of het potentiële geschil precies betrekking heeft).

5.3

De vraag of sprake is van een vaststellingsovereenkomst is afhankelijk van uitleg van de betreffende overeenkomst. Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, LJN: AG4158; Haviltex). Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol en kan mede betekenis worden toegekend aan gedragingen en uitlatingen van partijen na de schriftelijke overeenkomst.

5.4

Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het volgende gebleken. Partijen zijn eind mei/begin juni 2018 tot het besluit gekomen om te gaan scheiden. Bij dat besluit speelden spanningen met de eigen kinderen van partijen een rol. Partijen hebben verklaard dat zij de intentie hadden om hun financiën voortaan te scheiden en hun relatie verder voort te zetten als een LAT-relatie, waarbij zij niet meer zouden samenwonen, maar wel voor elkaar zouden blijven zorgen en leuke dingen met elkaar zouden blijven doen.

5.5

Voor partijen is uitgangspunt geweest dat de afwikkeling van de echtscheiding zo snel en zo goedkoop mogelijk plaats moest vinden. De vrouw heeft toen - vanuit de ervaringen uit haar vorige echtscheiding - voorgesteld een mediator in te schakelen om te komen tot afspraken in een convenant. Partijen beschikten over een e-mail met namen van een aantal mediators waaronder de heer [D] . Van die mediators viel één af voor de man, omdat hij daar geen goed gevoel bij had. De vrouw heeft telefonisch met de heer [D] gesproken en aan de man medegedeeld dat zij een goed gevoel had bij deze mediator. Partijen hebben er vervolgens samen voor gekozen om met de heer [D] als mediator in zee te gaan.

5.6

Tussen partijen was voorafgaand aan het inschakelen van de heer [D] gesproken over de wens van de vrouw om in een appartement in [A] te gaan wonen, dichtbij haar dochters. De vrouw kreeg echter de financiering voor aanschaf van een appartement niet rond. De man heeft op enig moment aangeboden om in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding een bedrag van € 25.000,- aan de vrouw te betalen. De vrouw heeft daar aanvankelijk op gereageerd door te zeggen dat zij minstens het dubbele wilde ontvangen, maar toen de man dat dubbele (oftewel € 50.000,-) daadwerkelijk aanbood, heeft de vrouw dat aanbod niet aanvaard.

5.7

Vervolgens is tussen partijen aan de orde geweest de mogelijkheid dat de man het appartement in [A] zou kopen voor de vrouw. De vrouw heeft toen aangegeven dat zij daar haar twijfels over had, omdat ze niet het risico wilde lopen dat zij in geval van overlijden van de man de woning zou moeten verlaten. De man heeft vervolgens contact opgenomen met de een notaris, die heeft geadviseerd om een recht van gebruik en bewoning ten behoeve van de vrouw te vestigen. De vrouw heeft de dag na het gesprek tussen de man en de notaris telefonisch contact gehad met een medewerker van het betreffende notariskantoor, die haar heeft uitgelegd wat een dergelijke regeling inhield en haar vragen heeft beantwoord. De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij naar aanleiding hiervan akkoord kon gaan met deze regeling. De regeling is vervolgens vastgelegd in de overeenkomst van partijen van 24 augustus 2018 en op 14 september 2018 is daaraan uitvoering gegeven door levering van het appartement in [A] aan de man en vestiging van een recht van gebruik en bewoning ten behoeve van de vrouw.

5.8

Op vragen van het hof aan de vrouw waarom zij een week nadat de woning was geleverd meende zich niet meer aan de gemaakte afspraken te hoeven houden, heeft de vrouw geantwoord dat zij teleurgesteld was geraakt in de man, omdat hij geen enkel medeleven had getoond toen zij op 20 september 2018 te horen kreeg dat bij haar borstkanker was geconstateerd. Partijen hebben toen in het bijzijn van een schoonzoon van de vrouw een ernstige woordenwisseling gehad, waarna - zo hebben zij ter zitting naar voren gebracht - hun verstandhouding is verslechterd en van een wens om een LAT-relatie te onderhouden geen sprake meer was.

5.9

Het hof is gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken bij de totstandkoming van de overeenkomst van oordeel dat, hoewel in de overeenkomst niet met zoveel woorden is opgenomen dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst, de overeenkomst wel als zodanig is aan te merken. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat partijen, zoals hiervoor omschreven, al voordat zij de mediator hebben ingeschakeld verschillende mogelijkheden met elkaar hebben besproken om hun echtscheiding af te wikkelen. Zo is tussen partijen aan de orde geweest de mogelijkheid dat de man een bedrag zou uitkeren aan de vrouw (€ 25.000,- of € 50.000,-), de mogelijkheid dat de man een appartement zou aankopen waarin de vrouw zou gaan wonen (zonder daarvoor een vergoeding voor het woongenot verschuldigd te zijn, maar waarbij op dat moment nog niet werd gedacht aan het vestigen van een recht van gebruik en bewoning) en de mogelijkheid dat de man een appartement zou aankopen onder vestiging van een recht van gebruik en bewoning ten behoeve van de vrouw. Partijen hebben ervoor gekozen om niet over te gaan tot het nauwkeurig in kaart brengen van beider inkomens en vermogens, maar om, ook met het oog op hun wens om hun relatie verder voort te zetten als LAT-relatie, met elkaar tot een oplossing te komen en daarbij conflicten te vermijden. Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, is het hof gebleken dat zij voor ogen hadden om op financieel vlak volledig los van elkaar te komen. Partijen waren ten tijde van het sluiten van de overeenkomst beiden tevreden over de inhoud daarvan en de vrouw heeft ter zitting verklaard dat het voor haar op dat moment niet belangrijk was wat zij er financieel uit zou halen. Zij vond het vooral fijn dat partijen de echtscheiding in goede harmonie zouden afwikkelen, hetgeen eveneens gold voor de man. Het hof is van oordeel dat de overeenkomst van partijen in dit licht bezien niet anders uitgelegd kan worden dan dat partijen hebben bedoeld om daarmee alle onzekerheid over de afwikkeling van hun echtscheiding weg te nemen, niet alleen over de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden, maar ook over een eventuele bijdrage van de een in de kosten van het levensonderhoud van de ander (hierna: partneralimentatie). Dat sprake is geweest van een alles omvattende regeling, vindt ook steun in de akte van levering van
14 september 2018, waar op pagina 11 staat vermeld dat de man en de vrouw verklaren dat na het vestigen van de rechten van gebruik en bewoning zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben op grond van eventuele pensioenaanspraken, verrekenbedingen, verrekeningen, alimentatie of anderszins, en ook het echtscheidingsconvenant waarin, na de diverse afspraken over de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, is opgenomen dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. Hoewel in beginsel ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een overeenkomst is gesloten medebepalend kunnen zijn voor de uitleg van die overeenkomst, maakt de omstandigheid dat de communicatie tussen partijen nadien verstoord is geraakt, waardoor de vrouw spijt heeft gekregen van de afspraken die zij heeft gemaakt, niet dat het hof anders oordeelt over de aard van de door partijen gesloten overeenkomst. Het hof is dan ook op grond van het vorenstaande van oordeel dat de overeenkomst van partijen van 24 augustus 2018 een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW betreft.
Vernietiging van de overeenkomst van partijen?

5.10

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst van partijen tot stand is gekomen onder invloed van wilsgebreken, te weten dwaling, misbruik van omstandigheden en bedrog (artikel 6:228 BW, artikel 3:196 BW en artikel 3:44 BW).

5.11

Het hof stelt voorop dat een vaststellingsovereenkomst slechts onder uitzonderlijke omstandigheden aantastbaar is.
* Artikel 6:228 BW

5.12

De vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten ziet enerzijds op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (de verrekening) en anderzijds op de partneralimentatie. Voor wat betreft het deel dat op de verrekening ziet overweegt het hof dat op grond van het bepaalde in artikel 3:199 BW in samenhang met artikel 1:135 lid 2 BW, de algemene dwalingsbepaling van artikel 6:228 BW niet van toepassing is.

5.13

Voor zover het beroep op dwaling ziet op de afspraak over de partneralimentatie geldt dat de algemene dwalingsbepaling van artikel 6:228 BW terughoudend dient te worden toegepast in geval van een vaststellingsovereenkomst. Aan partijen komt in beginsel geen beroep toe op dwaling ten aanzien van hetgeen waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400; NJ 1986/228). Dit betekent dat de vrouw geen beroep op dwaling toekomt voor zover zij stelt te hebben gedwaald over de hoogte van het bedrag aan partneralimentatie waar zij recht op zou hebben gehad.

5.14

Blijkt echter een misvatting te bestaan ten aanzien van hetgeen partijen als zeker en onbetwist aan hun overeenkomst ten grondslag te hebben gelegd, dan is een beroep op dwaling wel mogelijk. Een beroep op dwaling is ook mogelijk als sprake is van betrokkenheid van de wederpartij bij de dwaling op een wijze als genoemd in art. 6:228 lid 1, onder a of b, BW (HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR2013:BY3129).

5.15

De vrouw heeft gesteld dat partijen wederzijds hebben gedwaald dan wel dat de vrouw heeft gedwaald omdat de man relevante informatie niet aan de vrouw heeft verstrekt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw deze stellingen onvoldoende onderbouwd, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de man en haar eigen verklaring ter zitting dat zij op het moment van ondertekening van de overeenkomst tevreden was met de overeenkomst en er niet meer uit wilde halen. Het beroep op dwaling ex artikel 6:228 BW kan alleen al om die reden niet slagen.
* Artikel 3:196 BW

5.16

De vrouw stelt zich verder op het standpunt dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van artikel 3:196 BW juncto artikel 1:135 lid 2 BW.

5.17

In artikel 3:196 lid 1 BW is bepaald dat een verdeling vernietigbaar is wanneer een deelgenoot over de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Wanneer de benadeling voor meer dan een vierde is bewezen, wordt de benadeelde vermoed te hebben gedwaald (artikel 3:196 lid 2 BW). Een verdeling is niet op grond van dwaling vernietigbaar, indien de benadeelde de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard, aldus lid 4 van artikel 3:196 BW.

5.18

Uit artikel 1:135 lid 2 BW volgt dat artikel 3:196 BW van overeenkomstige toepassing is op de vermogensrechtelijke afwikkeling van huwelijkse voorwaarden waarbij een verrekenbeding is overeengekomen.

5.19

De vrouw stelt dat er per 1 januari 2017 aan bank- en spaartegoeden een bedrag aanwezig was van € 50.014,-. De vrouw is van mening dat dat bedrag op grond van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW in de verrekening had moeten worden betrokken, nu dat bedrag volgens haar niet afkomstig is van voorhuwelijks vermogen en/of een schenking en/of erfenis onder uitsluitingsclausule. Dat geldt evenzeer voor de vordering van de man op zijn dochter [E] , ten belope van € 153.703,- per 1 januari 2017 en voor de aandelen van de man (effectenportefeuille bij Binck Bank) met een waarde op 1 januari 2017 van € 21.618,-. De vrouw stelt verder nog aanspraak te hebben kunnen maken op bedragen die tijdens het huwelijk door de man zijn betaald op schuldigerkenningen aan zijn kinderen en berekent deze vordering op € 110.526,-. Nu de vrouw slechts het recht van gebruik en bewoning van het appartement heeft verkregen, welke waarde voor de heffing van overdrachtsbelasting is bepaald op € 46.978,16, stelt zij voor meer dan een vierde te zijn benadeeld.

5.20

De man stelt dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen zijn terug te voeren op voorhuwelijks vermogen.

5.21

Het hof stelt voorop dat nu het hier een vaststellingsovereenkomst betreft, de van toepassing zijnde dwalingsregeling met terughoudendheid dient te worden toegepast. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw in het licht van het gemotiveerde verweer van de man onvoldoende onderbouwd dat de door haar genoemde vermogensbestanddelen in de verrekening hadden moeten worden betrokken en dat zij - nu dit niet is gebeurd - voor meer dan een vierde is benadeeld. Ten aanzien van de bank- en spaartegoeden hebben partijen ter zitting verklaard dat het saldo van de bankrekeningen ten name van de man aan de man is toegekomen en het saldo van de bankrekeningen ten name van de vrouw aan de vrouw is toegekomen. Voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat zij daardoor is benadeeld, had het op haar weg gelegen dit nader te onderbouwen aan de hand van een overzicht waaruit ook naar voren komt wat het voorhuwelijkse vermogen van beide partijen was, en wat tijdens huwelijk met dat vermogen is gebeurd. Dat geldt evenzeer ten aanzien van de vordering van de man op zijn dochter [E] en de verplichtingen van de man uit hoofde van schuldigerkenningen aan zijn kinderen. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat zij over onvoldoende informatie beschikt voor een dergelijke onderbouwing, nu de man als productie 6a bij het verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroepschrift de aangiftes Inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2017 in het geding heeft gebracht. Het enkele feit dat de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2018 niet is overgelegd, maakt niet dat de vrouw geen overzicht heeft kunnen maken, gelet op de informatie die wel beschikbaar is. Het hof is van oordeel dat de vrouw gelet op het vorenstaande en in het licht van het verweer van de man onvoldoende heeft onderbouwd dat zij voor meer dan een vierde is benadeeld. Het hof heeft op basis van de overgelegde stukken, met name de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2010, ook geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat dat wel het geval zou zijn. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet betwist is dat de effectenportefeuille van de man bij Binck Bank privé-eigendom is van hem. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep van de vrouw op artikel 3:196 BW faalt.


* Artikel 3:44 BW

5.22

Voor zover de vrouw ook een beroep heeft gedaan op misbruik van omstandigheden en bedrog, is het hof van oordeel dat zij ook dit beroep onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.

5.23

Namens de vrouw is weliswaar gesteld dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in een afhankelijke positie verkeerde, maar dat is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Uit hetgeen de vrouw ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat zij zich ten aanzien van de eerder tussen partijen besproken mogelijkheden kritisch heeft uitgelaten en dat zij uiteindelijk - na bij het notariskantoor ingewonnen advies - met het laatste voorstel van de man akkoord is gegaan. De vrouw heeft ook ter zitting de indruk gewekt goed op de hoogte te zijn geweest van de voor- en nadelen die de verschillende regelingen voor haar meebrachten. Dat de vrouw onder (onaanvaardbare) druk zou zijn gezet, is evenmin voldoende onderbouwd, mede in het licht van de eigen verklaring van de vrouw dat zij ten tijde van het maken van de afspraken tevreden was met het resultaat.

5.24

Het voorgaande brengt mee dat niet is komen vast te staan dat de vaststellingsovereenkomst door misbruik van omstandigheden dan wel bedrog tot stand is gekomen.
* Derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid

5.25

De vrouw heeft tot slot gesteld dat ongewijzigde handhaving van de overeenkomst van partijen van 24 augustus 2018 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het hof volgt de vrouw daarin niet. Nog daargelaten dat ook dit beroep door de vrouw onvoldoende is onderbouwd, is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de vrouw ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen tevreden was met het resultaat. Dat zij nadien spijt heeft gekregen van hetgeen zij is overeengekomen, geeft geen aanleiding om de overeenkomst te wijzigen en ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die daartoe nopen.
Conclusie

5.26

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij de inhoud van de door partijen op 24 augustus 2018 ondertekende echtscheidingsovereenkomst in de beschikking is opgenomen. Het hof komt niet toe aan een nieuwe inhoudelijke beoordeling ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de partneralimentatie en de verzoeken van de vrouw, waaronder het verzoek ex artikel 22 Rv, zullen worden afgewezen.

5.27

Aan een beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man komt het hof evenmin toe.

5.28

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van
13 september 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en
M. Weissink, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 3 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.