Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7189

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
200.208.926
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:7238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van de Gemeente wegens overschrijding van de beslistermijn. Geen aansprakelijkheid wegens onrechtmatige besluitvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.208.926

(zaaknummer rechtbank C/16/409361)

arrest van 3 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. H.J.M. van Schie,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

De Gemeente De Ronde Venen,

zetelend te Mijdrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Gemeente,

advocaat: mr. S.G. Tichelaar.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 15 juni 2016 en 21 december 2016 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 23 januari 2017,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- het schriftelijk pleidooi tevens akte houdende overlegging productie aan de zijde van de Gemeente;

- het schriftelijk pleidooi tevens akte houdende overlegging producties aan de zijde van [appellant] .

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 december 2016 onder 2.1 tot en met 2.22 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen - met uitzondering van de in het kader van grief 1 geformuleerde aanmerkingen die hierna worden behandeld - geen grieven of bezwaren zijn geuit, zal het hof ook in hoger beroep in zoverre van die feiten uitgaan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd de Gemeente te veroordelen om aan haar te betalen een schadevergoedingsbedrag van € 5.222.665,- omdat de Gemeente jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld vanwege vertraagde en onrechtmatige besluitvorming. Deze schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen bestaat volgens [appellant] onder meer uit de gemiste extra planopbrengst van plan 2 ten opzichte van plan 3, de gemiste bedrijfswinst over een periode van vier jaar ten gevolge van de vertraging en de doorlopende bedrijfs- en financieringskosten en overige kosten die anders niet waren gemaakt.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 december 2016 de vorderingen van [appellant] afgewezen. Ten aanzien van de door [appellant] gestelde aansprakelijkheid van de Gemeente wegens overschrijding van de beslistermijn heeft de rechtbank geoordeeld dat er weliswaar sprake is van een forse overschrijding - het college heeft pas op 9 september 2013 een beslissing op de aanvraag van 23 december 2010 (die op 1 april 2011 was gecompleteerd) genomen - maar dat er onvoldoende bijkomende omstandigheden zijn die meebrengen dat de Gemeente in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid.

De rechtbank heeft evenmin aansprakelijkheid van de Gemeente wegens onrechtmatige besluitvorming - waarvan volgens [appellant] sprake is omdat zij schade heeft geleden als gevolg van de vernietigde besluiten van 9 september 2013 en 29 september 2014 - aangenomen. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat met de vernietiging de onrechtmatigheid van het handelen van de Gemeente in beginsel is gegeven, maar dat het causaal verband tussen dit onrechtmatig handelen en de schade die [appellant] als gevolg hiervan stelt te hebben geleden, ontbreekt.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

Onder aanvoering van negen grieven, die zich grotendeels voor gezamenlijke behandeling lenen, is [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank in hoger beroep gekomen.

5.2

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] heeft op 2 april 2009 het perceel [adres] in eigendom verkregen van [vastgoedbedrijf] . (hierna [vastgoedbedrijf] ). [appellant] heeft daarbij ook een plan voor de bouw van 20 woningen overgenomen dat [vastgoedbedrijf] voor deze locatie had ontwikkeld en waarvoor zij op 20 juni 2008 een bouwaanvraag had ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college). Dit plan van [vastgoedbedrijf] (hierna ook te noemen: plan 1) was in strijd met het vigerende bestemmingplan, zodat voor het verkrijgen van een bouwvergunning een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 van de (toenmalige) Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) nodig was. Omdat het college en de welstandscommissie bezwaren hadden tegen de ligging van de weg (die over het midden van het eiland liep waarop gebouwd zou gaan worden), heeft [appellant] de aanvraag van [vastgoedbedrijf] in overleg met het college gewijzigd in een plan voor 12 geschakelde woningen met een weg aan één zijde van het eiland (hierna ook te noemen: plan 1a). Aangezien de welstandscommissie meer openheid en transparantie in het plan wenste, heeft het college bij [appellant] aangedrongen op aanpassing van het plan.

[appellant] heeft vervolgens een plan 1b ontwikkeld voor 10 woningen en 6 appartementen, waarbij de weg weer over het midden van het eiland kwam te liggen.

Het college heeft op 30 juni 2010 het voornemen bekend gemaakt om op basis van een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO een vergunning voor plan 1b te verlenen. Omwonenden hebben tegen dit voornemen zienswijzen ingediend, waarna de wethouder er bij [appellant] op heeft aangedrongen om met de omwonenden in overleg te gaan. [appellant] heeft naar aanleiding van het overleg met de omwonenden het plan aangepast door er twee woningen uit te halen om voor de omwonenden meer openheid en doorzicht te creëren. Dit betrof dus een plan voor 8 woningen en 6 appartementen (hierna ook te noemen: plan 2). In juli 2010 heeft [appellant] de aanvraag voor plan 1b ingetrokken.

Op 23 december 2010 heeft [appellant] een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor plan 2 ingediend. Zij heeft deze aanvraag op 1 april 2011 gecompleteerd. Het college heeft niet binnen de daarvoor geldende termijn een beslissing op deze aanvraag genomen. Nadat

[appellant] een brief aan het college gestuurd waarbij zij het college dringend verzoekt om het bouwplan voor te leggen aan de raad, heeft het college hierop een raadsvoorstel gemaakt, waarbij het de raad heeft voorgesteld om voor het bouwplan geen verklaring van geen bedenkingen af te geven. Op 18 oktober 2012 heeft de raad, conform het advies van het college, besloten om geen verklaring van geen bedenkingen af te geven.

Nadat [appellant] op 21 maart 2013 bij de rechtbank Midden-Nederland (afdeling bestuursrecht, hierna ook: de bestuursrechter) beroep had ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag, heeft de bestuursrechter bij uitspraak van 26 juli 2013 het beroep gegrond verklaard en heeft het college opgedragen om alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Het college heeft vervolgens op 9 september 2013 een besluit genomen, waarbij hij de aangevraagde omgevingsvergunning heeft geweigerd. Daarbij is onder meer overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat het niet mogelijk is om met toepassing van artikel 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) toch een vergunning te verlenen. Reden hiervoor is, dat de raad op 18 oktober 2012 heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven omdat het bouwplan volgens de raad in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

[appellant] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de bestuursrechter. De bestuursrechter heeft bij tussenuitspraak van 23 mei 2014 geoordeeld dat het besluit van de raad om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening onvoldoende is gemotiveerd en daarmee onrechtmatig is. Het college had zijn besluit om de omgevingsvergunning te weigeren daarom niet op dit besluit van de raad mogen baseren. De bestuursrechter heeft het college in het kader van de bestuurlijke lus de gelegenheid gegeven om een herstelbesluit te nemen. Daarbij is bepaald dat het college zich daartoe opnieuw tot de raad dient te wenden, om zich te voorzien van een deugdelijk gemotiveerd besluit over de vereiste verklaring van geen bedenkingen.

Het college heeft bij besluit van 29 september 2014 de door [appellant] gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd, waartegen [appellant] andermaal beroep heeft ingesteld. [appellant] had inmiddels, nadat nogmaals overleg met omwonenden had plaatsgevonden, een alternatief plan ontwikkeld voor 9 woningen (hierna: plan 3). In dit plan lag de weg niet meer over het midden van het eiland en was er meer afstand tot de woningen van omwonenden. [appellant] heeft op 30 december 2014 voor dit plan een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.

Op 15 januari 2015 heeft de bestuursrechter mondeling uitspraak gedaan (vastgelegd in een proces-verbaal). De bestuursrechter heeft het beroep tegen de besluiten van 9 september 2013 en 29 september 2014 gegrond verklaard en heeft deze besluiten vernietigd. Het college heeft de opdracht gekregen om binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 23 december 2010. Ten aanzien van het besluit van 29 september 2014 heeft de bestuursrechter overwogen dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht om zich te voorzien van een door de raad genomen besluit omtrent de vereiste verklaring van geen bedenkingen, maar alleen een nadere motivering heeft opgesteld die niet ‘meningvormend of besluitvormend’ in een raadsvergadering aan de orde is geweest. Gelet hierop oordeelt de bestuursrechter dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld is en het besluit van 29 september 2014 onvoldoende is gemotiveerd.

Het college heeft op 16 oktober 2015 een omgevingsvergunning voor plan 3 verleend. [appellant] heeft vervolgens op verzoek van de Gemeente de aanvraag van 23 december 2010 voor plan 2 ingetrokken. Het college heeft op zijn beurt het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 15 januari 2015 ingetrokken.

5.3

Met grief 1 klaagt [appellant] erover dat de rechtbank heeft verzuimd relevante feiten in aanmerking te nemen, in het bijzonder de herhaalde toezeggingen van het gemeentebestuur dat op korte termijn een besluit op aanvraag zou worden genomen.

5.4

Deze grief faalt. Als uitgangspunt geldt dat de rechter vrij is om (slechts) die feiten op te nemen die dragend zijn voor zijn motivering.

Bovendien heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 van haar vonnis overwogen: “De Gemeente heeft niet betwist, dat zij [appellant] meermalen heeft toegezegd dat zij snel een beslissing op de aanvraag zou nemen, maar deze toezegging niet is nagekomen. Dit was jegens [appellant] niet zorgvuldig. Dit geldt temeer, nu de gemeente ook niet heeft betwist dat haar bekend was dat [appellant] een groot financieel belang had bij een snelle besluitvorming”.

In rechtsoverweging 4.5 heeft de rechtbank deze omstandigheden echter onvoldoende geacht voor het oordeel dat de Gemeente jegens [appellant] onzorgvuldig heeft gehandeld zodat van onrechtmatigheid sprake is.

Aansprakelijkheid wegens overschrijding van de beslistermijn

5.5

Het hof begrijpt dat [appellant] met grief 1 tevens heeft beoogd (en dat de Gemeente dat ook zo heeft opgevat) het oordeel van de rechtbank over de aansprakelijkheid van de Gemeente wegens overschrijding van de beslistermijn aan te vallen (zie ook randnummer 7.7 van het schriftelijk pleidooi van [appellant] ). Dit onderdeel van grief 1, en in aanvulling daarop grief 2, zijn terecht voorgesteld. Hiertoe geldt het volgende.

De wettelijke beslistermijn strekt ertoe een bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579). De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, is daarom onvoldoende voor het oordeel dat op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijkheid bestaat voor schade die eventueel voortvloeit uit die termijnoverschrijding. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding, en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden

(HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040). Het gaat er - kort gezegd - om of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was.

5.6

Vast staat, dat sprake is van een forse overschrijding van de wettelijke beslistermijn doordat het college pas op 9 september 2013 een beslissing op de aanvraag van 23 december 2010 (die op 1 april 2011 was gecompleteerd) heeft genomen. De Gemeente betwist dat zij hierdoor onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Zij stelt dat de overschrijding van de beslistermijn in redelijkheid aanvaardbaar was, omdat de reden voor de vertraging met name was gelegen in de zorgvuldigheid die zij wilde betrachten jegens de omwonenden en [appellant] . De Gemeente heeft aangevoerd dat zij gedurende de gehele besluitvormingsprocedure steeds heeft getracht om tot een oplossing te komen die zowel voor [appellant] als voor de Gemeente en de omwonenden acceptabel zou zijn en dat zij daarbij uitdrukkelijk ook het belang van [appellant] om een omgevingsvergunning te krijgen heeft willen behartigen. Het college heeft op grond van de signalen die het had gekregen, in een vroeg stadium al de conclusie getrokken dat de raad niet zou instemmen met plan 2 en hiervoor geen verklaring van geen bedenkingen zou afgeven. Het college heeft daarom in de periode van 1 april 2011 tot 29 september 2013 bij [appellant] herhaaldelijk aangedrongen op aanpassing van het plan omdat [appellant] meer voordeel zou hebben bij een vergunning voor een aangepast plan dan bij een weigering. Ten slotte heeft [appellant] pas twee jaar na het completeren van de aanvraag voor plan 2 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.

Dit alles kan de Gemeente niet baten. Zoals ook uit haar eigen ‘timetable’ blijkt (het ‘Overzicht contacten gemeente/ [appellant] bouwplan W-2010-2097, oprichten 8 woningen en 6 appartementen perceel [adres] (“plan 2”), die als bijlage aan de comparitieaantekeningen is gehecht) heeft [appellant] keer op keer aangedrongen op besluitvorming en heeft de Gemeente hierover soms toezeggingen gedaan en soms heeft zij [appellant] geadviseerd een ander plan in te dienen. Zelfs als het [appellant] op 10 juli 2012 duidelijk wordt gemaakt dat het besluit negatief zal uitvallen, dringt haar advocaat bij brief van 24 juli 2012 nog steeds aan op snelle besluitvorming waarbij de Gemeente gewezen wordt op de grote financiële nadelen voor [appellant] bij het uitblijven van de besluitvorming (brief van 24 juli 2012 van de advocaat van [appellant] , te kennen uit spreeknotitie [appellant] randnummer 3.3.12), maar ook dan gebeurt dat niet. Ook na de weigering van de verklaring van geen bedenkingen (18 oktober 2012) duurt het nog bijna een jaar voordat het besluit (9 september 2013) wordt genomen. Voor het hof weegt zwaar dat [appellant] kenbaar heeft gemaakt dat er voor haar omvangrijke financiële belangen op het spel staan (al in de brief van 30 mei 2012 namens [appellant] verzonden door Architecten bureau [architectenbureau] , te kennen uit spreeknotitie [appellant] randnummer 3.3.10). Deze feiten vormen bijkomende omstandigheden die ertoe leiden dat de Gemeente, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens [appellant] in acht te nemen zorgvuldigheid.

De periode van onrechtmatige vertraging in de besluitvorming begint naar het oordeel van het hof 4 weken na het moment waarop [appellant] bij voormelde brief van haar advocaat van 24 juli 2012 de Gemeente expliciet verzoekt alsnog een besluit te nemen, derhalve op 21 augustus 2012, en eindigt op 30 december 2014, zijnde de dag van de aanvraag van een vergunning voor plan 3. Het hof gaat uit van een beslistermijn van 4 weken omdat de Gemeente die termijn redelijkerwijs had kunnen halen nu zij al geruime tijd bekend was met de materie en kansen genoeg heeft gehad om een besluit te nemen. Het hof is van oordeel (zoals hierna blijkt over de paragraaf over de aansprakelijkheid van de Gemeente wegens onrechtmatige besluitvorming) dat áls de Gemeente tijdig zou hebben beslist, zij de vergunning voor plan 2 niet zou hebben afgegeven omdat de raad geen verklaring van geen bedenkingen ten aanzien van dit plan zou hebben afgegeven. [appellant] wist dan wel waar zij aan toe was en zij had eerder dan nu het geval was, een vergunning voor plan 3 kunnen aanvragen. Die vergunning zou - nu voor dit plan geen verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig was en de vergunning voor dit plan ook daadwerkelijk is verleend - dan ook zijn verleend. [appellant] had dan eerder met de uitvoering van de werkzaamheden voor het realiseren van plan 3 kunnen beginnen en zij had vervolgens eerder winsten uit dit project kunnen genereren.

Het hof stelt [appellant] in de gelegenheid bij akte, waarop de Gemeente zal mogen reageren, uiteen te zetten wat haar financiële schade is nu zij pas later het project in de vorm van plan 3 heeft kunnen realiseren. In die akte dient inzichtelijk te worden gemaakt welke schade en tot welk bedrag zij in de periode van 21 augustus 2012 tot 30 december 2014 schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig beslissen van de Gemeente op de aanvraag voor een vergunning voor plan 2 ten gevolge waarvan [appellant] ‘genoodzaakt’ was plan 3 in stelling te brengen. De Gemeente kan bij antwoordakte gemotiveerd aangeven welke kosten zij betwist. Voor de volledigheid merkt het hof op dat het niet gaat om schade ten gevolge van het niet doorgaan van plan 2 (waarop de berekening van [appellant] in de inleidende dagvaarding in paragraaf 7 ‘Schadeomvang’ lijkt te zien) omdat de Gemeente daarvoor niet aansprakelijk is, zoals hierna zal worden uiteengezet.

Aansprakelijkheid wegens onrechtmatige besluitvorming

5.7

De grieven 3 tot en met 9 bestrijken in de kern genomen het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente niet aansprakelijk is voor de door [appellant] gestelde geleden schade omdat er geen causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige besluitvorming en die schade.

5.8

Het hof oordeelt hierover als volgt. Vast staat dat de besluiten van 9 september 2013 en 29 september 2014 door de bestuursrechter bij uitspraken van 23 mei 2014 en 15 januari 2015 wegens een motiveringsgebrek zijn vernietigd. In de uitspraak van 23 mei 2014 laat de rechtbank de argumenten van de raad (bij raadsvoorstel 18 oktober 2012) waarom het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening de revue passeren (rov. 10) en oordeelt vervolgens dat met deze argumenten en met hetgeen het college nog ter zitting heeft toegelicht, onvoldoende is gemotiveerd waarom bouwplan 2 in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht (rov.12). De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het college zijn besluit om de omgevingsvergunning te weigeren niet had mogen baseren op het besluit van de raad en dat om die reden het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank stelt het college vervolgens in de gelegenheid het motiveringsgebrek te herstellen. Het college zal daartoe een nieuw besluit moeten nemen, waarbij zij zich opnieuw tot de raad moet wenden teneinde zich te voorzien van een deugdelijk gemotiveerd besluit aangaande de vereiste verklaring van geen bedenkingen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen (rov.16). Het college heeft hierop op 19 augustus 2014 een informatienota naar de raad gestuurd met als bijlage een aangepaste motivering bij het besluit van de raad van 18 oktober 2012 tot weigering van een verklaring van geen bedenkingen. In de informatienota is de fracties verzocht om uiterlijk 25 augustus 2014 aan te geven of zij kunnen instemmen met de bijgevoegde motivering. Naar aanleiding van binnengekomen reacties is de motivering op onderdelen aangepast en behandeld tijdens de vergadering van de commissie Ruimtelijke Zaken & Publieke Werken. De aangepaste motivering is ter kennisneming naar de raad gestuurd, waarna het stuk noch meningvormend noch besluitvormend in een raadsvergadering aan de orde is geweest. Bij uitspraak van 15 januari 2015 heeft de rechtbank opnieuw een motiveringsgebrek geconstateerd omdat het college (wilde zij het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek kunnen herstellen) zich had moeten voorzien van een door de raad te nemen besluit over de vereiste verklaring van geen bedenkingen en had zij niet kunnen volstaan met een nieuwe motivering van het reeds voorliggende besluit van de raad. Ook het tweede besluit van het college wordt vernietigd. Hiermee is in beginsel de onrechtmatigheid van deze besluiten gegeven. Het geschil tussen partijen spitst zich ook in hoger beroep toe op de vraag of er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige besluitvorming en de schade die [appellant] als gevolg hiervan stelt te hebben geleden. Het is aan [appellant] om dit verband te stellen en zo nodig te bewijzen nu zij zich op het rechtsgevolg van die stelling beroept, te weten vergoeding van de door haar geleden schade.

5.9

Vast staat dat er geen nieuw besluit is genomen, omdat het college na de vernietiging door de bestuursrechter niet meer op de aanvraag voor plan 2 heeft beslist en [appellant] deze aanvraag heeft ingetrokken. In de gevallen waarin het bestaan van causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en schade niet afhankelijk is van de inhoud van het nieuwe besluit van het bestuursorgaan, dient het bestaan van dat verband te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) als wel (direct) een rechtmatig besluit zou zijn genomen (zie HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18 (UWV) en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (Hengelo/ [y]).

5.10

Kernvraag is dus welk besluit op de aanvraag van plan 2 zou zijn genomen als (direct) overeenkomstig de wet zou zijn beslist, in dit geval als het college zich wel op de juiste wijze van een besluit van de raad omtrent een verklaring van geen bedenkingen had voorzien.

Volgens [appellant] stond de raad positief tegenover plan 2 en zou het college vervolgens dit plan hebben goedgekeurd, nu dit plan niet in strijd was met de goede ruimtelijke ordening. Het plan paste uitstekend binnen het kader van de Structuurvisie [plaats] 2007 en leidde op geen enkele manier tot onaanvaardbare aantasting van privacy, lichtinval en uitzicht, de speerpunten voor de vraag of het plan al dan niet in strijd was met de goede ruimtelijke ordening. Plan 2 had bovendien zelfs voordelen ten opzichte van het later ingediende en goedgekeurde plan 3 zodat het voldoende aannemelijk was dat plan 2 zou worden goedgekeurd. Ter staving van haar standpunt dat plan 2 aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening voldeed, heeft [appellant] onder meer verwezen naar het rapport van [adviseurs] adviseurs (‘Ruimtelijke onderbouwing [adres] ’ productie F2 bij het schriftelijk pleidooi), het advies van [architectenbureau] architecten (‘bezonning’) productie C10 bij inleidende dagvaarding), Analyse De Zwarte Hond (producties C11 bij inleidende dagvaarding en productie E15 bij memorie van grieven) en de analyse structuurvisie [plaats] van HzA (productie C4 bij inleidende dagvaarding).

De Gemeente heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens de Gemeente zou de raad nooit positief hebben gestaan tegenover plan 2 nu zij de verklaring van geen bedenkingen tot tweemaal toe feitelijk heeft geweigerd. Ook in tweede instantie heeft de raad, met een verbeterde motivering, immers besloten deze verklaring te weigeren. Volgens de Gemeente was de raad hiertoe ook gerechtigd omdat plan 2 in strijd was met de goede ruimtelijke ordening. Voor de redenen daarvoor heeft de Gemeente verwezen naar de notitie van [bureau planontwikkeling] (productie 2 bij conclusie antwoord), waarin is uiteengezet dat het bouwplan op het punt van de voorgenomen goothoogte in strijd is met de Structuurvisie 2007, dat het tot extra schaduw in de tuinen en op de woningen aan [straat 2] alsmede tot een vermindering van het uitzicht en tot een aantasting van de privacy van omliggende woningen leidt en verder dat het bouwplan niet in de kaders van de Dorpsvisie [plaats] (2014) past.

Verder brengt de Gemeente, onder verwijzing naar correspondentie met [appellant] , naar voren dat zij, anders dan [appellant] voorstaat, naar [appellant] toe altijd heeft gecommuniceerd dat de raad negatief stond ten opzichte van plan 2.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Het beoordelingskader voor zowel de raad bij het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen als dat voor het college bij de besluitvorming voor het verlenen van de omgevingsvergunning is/was ‘de goede ruimtelijke ordening’. Ook in hoger beroep spitst de invulling van dit criterium zich toe op de vraag of plan 2 leidt tot dusdanige belemmeringen in licht, uitzicht en privacy voor de omliggende woningen en tot een onwenselijk geachte bouwmassa, dat het plan op grond hiervan ruimtelijk niet aanvaardbaar moet worden geacht.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] , mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Gemeente, onvoldoende concreet toegelicht waarom de raad de verklaring van geen bedenkingen zou hebben afgegeven en het college vervolgens de omgevingsvergunning zou hebben verleend, als wel conform de wet zou zijn gehandeld. Daartoe geldt het volgende.

Bij het besluit van het college van 29 september 2014 is aangehecht de ‘Weigering Verklaring van geen bedenkingen [adres] ’ (productie C9 bij inleidende dagvaarding), waarbij de weigering van het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen (van de raad van 18 oktober 2012) is aangepast. In de aangepaste motivering wordt het realiseren van plan 2 als een ontoelaatbare belasting voor de naastgelegen percelen genoemd, met onder meer de volgende motivering:

(…) zorgt ook juist de opzet van het plan met een centrale toegangsweg en woningen aan beide zijden daarvan, dat de nieuw op te richten woningen op ongewenste korte afstand van bestaande woningen aan de [straat 1] en van de ten noorden van het perceel gelegen [straat 2] worden gesitueerd. Op korte afstand van bestaande woningen ontstaat zodoende bebouwing die massaal oogt. Zo wordt woning A2 gesitueerd op omstreeks 6,50 m van de tegenoverliggende bebouwing aan de [straat 2] . De beoogde bebouwing zorgt zodoende, met name voor de naastgelegen panden aan de [straat 2] en de [straat 1] , voor ongewenste en onvoorziene belemmeringen in zicht, licht en privacy.’

Ook blijkt uit de motivering dat de realisering van het bouwplan geweld zou doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de karakteristieke en historische lintbebouwing aan de [straat 1] :

Het huidige bouwplan leidt tot een onaanvaardbare ruimtelijke invulling van het perceel. Ook na aanpassing van het bouwplan ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp uit 2008 (…) is sprake van een zeer intensief programma (…). De intensiteit van de bebouwing wordt daarbij nog benadrukt door de keuze van twee rijen woningen, oplopend in goothoogte met hoge steile kappen op zeer korte afstand van bestaande woningen aan zowel de [straat 1] als de [straat 2] .

Daarnaast wordt opgemerkt dat er geen draagvlak voor dit plan bij omwonenden is:

Omwonenden en belangengroepen hebben laten weten bezwaren te hebben tegen het plan’.

De ruimtelijke onderbouwing van [appellant] biedt eveneens onvoldoende aanknopingspunten om aan het plan mee te werken:

De gevraagde mogelijkheden voor dit perceel betekenen evenwel (…) een belemmering/beperking voor bestaande, naastgelegen woningen en zijn zoals hierboven geconstateerd in strijd met de Structuurvisie’.

In de in 5.10 genoemde notitie van [bureau planontwikkeling] , vergezeld van een studie naar de hoeveelheid schaduw/zon ten opzichte van de omliggende bestaande woningen, wordt de conclusie getrokken dat het voorgenomen bouwplan tot extra schaduw in de tuinen en op de woningen aan [straat 2] leidt alsmede tot een vermindering van het uitzicht en tot een aantasting van de privacy van omliggende woningen.

De door [appellant] ingebrachte rapporten hebben de conclusie van [bureau planontwikkeling] en de verbeterde motivering op de punten van licht, uitzicht en privacy voor de omliggende woningen niet dan wel onvoldoende kunnen weerleggen. Ook anderszins heeft [appellant] niet aangetoond dat de raad wél een verklaring van geen bedenkingen zou hebben afgegeven als de rechtmatige weg zou zijn bewandeld. In het stelsel van de Gemeentewet komt groot gewicht toe aan de bevoegdheidsverdeling tussen het college en de raad. Nu het hof van oordeel is dat de raad, indien op de juiste wijze geadieerd en gelet op haar eerdere weigering om een verklaring van geen bedenkingen af te geven (op 18 oktober 2012) alsmede de haar toekomende hoge mate van beslissingsvrijheid, ook met inachtneming van de hiervoor genoemde uitspraken van de bestuursrechter, niet tot een ander oordeel zou zijn gekomen (mede in het licht van de onvoldoende onderbouwing die [appellant] heeft gegeven waarom de raad naderhand wél haar eerdere weigering zou loslaten) zou het college de aanvraag voor een vergunning voor plan 2 hebben mogen afwijzen.

Ten aanzien van het argument van [appellant] dat plan 2 paste binnen de Structuurvisie 2007, overweegt het hof dat een structuurvisie een visie op hoofdlijnen is omtrent de in het gebied gewenste ontwikkelingen, dat de Structuurvisie 2007 in dit geval betekende dat het college in beginsel bereid was haar medewerking aan een nieuwe ontwikkeling op de door [appellant] verkregen locatie te verlenen, maar dat een dergelijke visie nog niets zegt over de vraag of een bouwplan al of niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Dat plan 2 voordelen ten opzichte van plan 3 zou hebben en daarom zeker zou zijn goedgekeurd, ziet het hof niet. Uit de (tussen)uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (afdeling bestuursrecht) van 22 april 2016 (productie C28 bij brief van (de advocaat van) [appellant] van 20 september 2016 ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg) blijkt ten aanzien van de hier van belang zijnde aspecten licht, uitzicht en privacy juist dat [appellant] het bouwplan meermaals heeft aangepast, ‘hetgeen heeft geleid tot het nu vergunde bouwplan (plan 3, toevoeging hof) met minder woningen en een zo goed mogelijk doorzicht tussen de woningen’ (rov. 3.2) en ‘dat het bouwplan - naar [appellant] stelt op uitdrukkelijk verzoek van eisers - vanwege aspecten van privacy voorziet in de aanleg van legakkers in het midden van de watergang (rov.10)’.

5.12

Dit alles betekent dat hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht onvoldoende is voor het oordeel dat de raad een verklaring van geen bedenkingen zou hebben afgegeven en het college, als (direct) rechtmatig op de aanvraag was beslist, de gevraagde omgevingsvergunning zou hebben verleend. Gelet hierop ontbreekt het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Gemeente en de schade die [appellant] als gevolg hiervan stelt te hebben geleden.

5.13

Het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt wordt door het hof gepasseerd nu [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.

5.14

Voor het overige wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1

verwijst de zaak naar de roldatum van 1 oktober 2019 voor het nemen van een akte zoals bedoeld in rov. 5.6 zijdens [appellant] , waarna de Gemeente in de gelegenheid wordt gesteld om op deze akte bij antwoordakte te reageren;

6.2

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, M.F.J.N van Osch en F.J. de Vries en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.