Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7127

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
P19-129
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:3119, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Penitentiair strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft besloten om de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen te verlengen voor de duur van zes weken. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank vernietigd en de termijn van de maatregel voor de duur van twaalf maanden verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PIJ P19/129

Beslissing d.d. 4 juli 2019

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[jeugdige] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

verblijvende op de [kliniek] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2019, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van zes weken, waardoor de maatregel voorwaardelijk wordt beëindigd op 21 mei 2019, en de opdracht aan Reclassering [naam] om een plan van aanpak en bijzondere voorwaarden te formuleren, waaronder die voorwaardelijke beëindiging dient plaats te vinden.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2014, waarbij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel) voor de duur van twee jaar is opgelegd;

- de brief van de Divisie Individuele Zaken van het ministerie van Justitie en Veiligheid aan het arrondissementsparket Amsterdam, gedateerd 27 november 2018;

- een verslag van [GGZ-instelling] van 6 december 2018, inhoudende het verloop van de behandeling na een verpleegkundige overdracht;

- het rapport van [GGZ-instelling] van 7 januari 2019 aan de Justitiële Jeugdinrichting (hierna: JJI) [locatie 1] , inhoudende informatie over het behandeltraject en de reden van terugplaatsing;

- de uitslag van het risicotaxatie-instrument Savry van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie en Veiligheid, gedateerd 12 februari 2019;

- het verlengingsadvies van JJI [locatie 1] van 15 februari 2019;

- de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 18 februari 2019;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- het crisisplaatsingsbesluit van de Dienst Justitiële Inrichtingen op de Individuele Traject Afdeling van JJI [locatie 2] van 27 maart 2019;

- de akte van beroep van de officier van justitie van 1 april 2019;

- de appelmemorie van de officier van justitie van 3 april 2019;

- de Registratiekaart van de jeugdige, gedateerd 8 april 2019;

- het verslag van het herstelgesprek van 10 april 2019 tussen de jeugdige en de gedragsdeskundige van JJI [locatie 1] ;

- het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (het NIFP) van 12 april 2019, inhoudende een nieuwe indicatiestelling voor Forensisch Psychiatrische Zorg;

- een Pro Justitia rapportage van 12 april 2019 van [deskundige 1] , GZ-psychoog;

- het advies van reclasseringsinstantie GGZ [naam] van 23 april 2019, opgemaakt door [deskundige 2] en [deskundige 3] , over het Scholing- en Trainingsprogramma (hierna: STP);

- een Pro Justitia rapportage van 6 mei 2019 van [deskundige 4] , kinder- en jeugdpsychiater;

- het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2019;

- de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2019, inhoudende de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering tot verlenging van de maatregel;

- de aanvullende informatie van JJI [locatie 1] van 3 juni 2019;

- het advies van reclasseringsinstantie GGZ [naam] van 6 juni 2019, opgemaakt door [deskundige 2] en [deskundige 3] , omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel;

- het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2019;

- de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2019, inhoudende de formulering van bijzondere voorwaarden ten behoeve van een voorwaardelijk beëindiging van de maatregel;

- een e-mailbericht van de Divisie Individuele Zaken van het ministerie van Justitie en Veiligheid van 11 juni 2019, inhoudende informatie over de periode van onttrekking;

- de notulen van het interne overleg tussen JJI [locatie 1] , de gemeente Amsterdam, Reclassering [naam] , de begeleide woonvoorziening Wilskracht Zorg en de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 11 juni 2019.

Het hof heeft ter zitting van 20 juni 2019 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.S.W. Boorsma, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. M. van Leent. Tevens heeft het hof als deskundige gehoord drs. [deskundige 5] , GZ-psycholoog, verbonden aan JJI [locatie 1] te Spijkenisse.

Overwegingen:

Het advies van [GGZ-instelling] van 7 januari 2019

Bij de jeugdige is sprake van een autismespectrumstoornis (PDD-NOS), een licht verstandelijke beperking en verslavingsproblematiek (softdrugs). Zijn ontwikkeling wordt gekenmerkt door een onveilige en onstabiele thuissituatie, huiselijk geweld (waarvan hij zowel getuige als het slachtoffer is geweest) en stagnatie van zijn onderwijstraject. De belaste voorgeschiedenis en traumatische ervaringen hebben geleid tot de ontwikkeling van een posttraumatische stressstoornis. Hij is, mede door de autismespectrumstoornis, onvoldoende in staat om zijn eigen emoties te herkennen en te reguleren. Hij beschikt over onvoldoende vaardigheden om op adequate wijze met opgebouwde spanning en emoties om te gaan. Deze spanningsopbouw kan leiden tot agressieve impulsdoorbraken. Hoewel er zeker sprake is van leerbaarheid, heeft de jeugdige meer tijd nodig om gedragsalternatieven aan te leren. Er is sprake van veelvuldig middelengebruik. Het middelengebruik lijkt te zijn ingegeven om eigen emoties en spanningen te dempen. Op momenten lijkt er bij de jeugdige sprake te zijn van een verlaagd bewustzijn, waardoor zijn gedrag vreemd (randpsychotisch) aandoet. Daarnaast heeft hij uitbarstingen die hij vervolgens niet goed kan uitleggen of zich niet kan herinneren. Er is sprake van een erfelijke kwetsbaarheid voor psychoses, waardoor een zich ontwikkelde psychotische stoornis niet kan worden uitgesloten.

De huidige DSM-V-classificatie luidt als volgt:

299.0 Autismespectrumstoornis, ernst niveau 2, met bijkomende verstandelijke beperking
301.89 Andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis
304.30 Stoornis in cannabisgebruik, matig-ernstig
309.81 Posttraumatische stressstoornis
V61.20 Ouder-kindrelatieprobleem
V62.3 Leer- of onderwijsprobleem
V62.5 Problemen verband houdend met justitiële maatregelen


Vanuit de opname-afdeling is geobserveerd dat de jeugdige erg wantrouwend is tegenover het behandelteam. Er is opgemerkt dat hij een zeer lage spanningsboog heeft en snel last ervaart van prikkels. Hij weigert over zijn familie of het indexdelict te praten. Tijdens het verblijf zijn sterke vermoedens ontstaan van psychotische kenmerken. Hij ontkent echter dat een psychose heeft plaatsgevonden. Vanuit de opname-afdeling is de jeugdige geplaatst op de behandelafdeling met een individueel milieu, gericht op patiënten met psychoses of autisme, die niet groepsgeschikt zijn. De behandeling is gericht geweest op het vergroten van probleeminzicht, de abstinentie van alcohol en drugs, het terugdringen van impulsiviteit, vijandigheid en psychotisch gedrag. Daarnaast is getracht om de sociale vaardigheden, de copingvaardigheden, en de voedings- en leefgewoonten te verbeteren. Er is met de jeugdige een signaleringsplan opgesteld. De samenwerking tijdens de behandeling is ambivalent geweest. De samenwerking is soms coöperatief van aard geweest maar soms heeft de jeugdige zich ook verzet. Daarnaast zijn er incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van zowel verbale als fysieke agressie. Het advies luidt om een overplaatsing van de jeugdige naar de JJI [locatie 1] te bewerkstelligen, zodat een resocialisatietraject in de eigen regio kan plaatsvinden.

Het verlengingsadvies van de JJI [locatie 1] van 15 februari 2019

[locatie 1] neemt de beschrijvende diagnose van [GGZ-instelling] in haar rapport van 7 januari 2019 omtrent de stoornis van de jeugdige over.

Met behulp van het risicotaxatie-instrument SAVRY is in februari 2019 een inschatting van het recidiverisico gemaakt. Op basis van de historische risicofactoren kan worden geconstateerd dat er sprake is van eerder (gewelddadig) delinquent gedrag, een belaste voorgeschiedenis van huiselijk geweld en een gestagneerd onderwijstraject. Ten aanzien van de sociale/contextuele risicofactoren is vastgesteld dat stress, de geringe copingvaardigheden en het beperkte sociale netwerk van invloed zijn op het recidiverisico. Met betrekking tot de individuele risicofactoren is van belang dat de jeugdige problemen heeft met het hanteren van agressie en een gebrek aan empathie heeft. De jeugdige heeft in spanningsvolle situaties onvoldoende vaardigheden om gevoelens van stress en boosheid te reguleren en is onvoldoende in staat om zelfstandig alternatieve manieren te bedenken om zijn boosheid op te lossen. Hij lijkt inmiddels wel beter in staat om risicovolle situaties te vermijden. Er zijn geen beschermende factoren naar voren gekomen. De conclusie luidt dat er sprake is van een hoog recidiverisico.


Het gedrag van de jeugdige is verklaarbaar vanuit de gestelde diagnose. De behandeling in [GGZ-instelling] is niet van de grond gekomen omdat hij zich niet begeleidbaar heeft opgesteld en incidenten heeft veroorzaakt. In [locatie 1] wordt een individuele behandeling aangeboden. De eerdere plaatsing op een groepsafdeling heeft tot problemen geleid, zowel voor zichzelf als voor zijn groepsgenoten. Tijdens de individuele benadering, waarbij de afspraken duidelijk zijn, heeft de jeugdige correct gedrag vertoond. Op het moment dat bepaalde zaken onduidelijk zijn, of anders verlopen dan is afgesproken, is er sprake van onrustig gedrag en wordt geprobeerd om het gewenste resultaat af te dwingen. De behandeling dreigt vast te lopen omdat voor het verdere verloop van het programma een wachtlijst bestaat. De jeugdige is in afwachting van plaatsing op de Individuele Traject Afdeling. De behandeling blijft daarom gericht op het vergroten van copingvaardigheden, het verbeteren van de emotie- en spanningsregulatie, het vormgeven van toekomstperspectief en het opbouwen van beschermende factoren. Daarnaast wordt getracht om opnieuw begeleid verlof op te starten. Er wordt momenteel onderzocht welk verder verloop van het resocialisatietraject het meest in het belang is van de ontwikkeling van de jeugdige. Er bestaat bij hem weerzin en verzet tegen verdere behandeling in een gesloten instelling. In het gesloten kader wordt verwacht dat de jeugdige onvoldoende leerbaar is en het hem aan perspectief zal ontbreken. De vooruitgang van het traject moet gewaarborgd zijn zodat voldoende perspectief en motivatie om hieraan deel te nemen behouden blijft.

Gelet op de aard en omvang van het recidiverisico, de huidige stand van zaken in het behandeltraject en het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige doet zich een dilemma voor. Enerzijds is het wenselijk de maatregel te verlengen zodat gewerkt kan worden aan verdere resocialisatie en bestendiging van bijbehorende copingstrategieën, anderzijds draagt een langer verblijf in de JJI, met huidig gebrek aan perspectief naar een passende vervolgplek, niet bij aan een verdere positieve ontwikkeling van de jeugdige en lijkt de kans op verdere weerzin groter te worden. Het advies luidt om de maatregel te verlengen voor de duur van negen maanden, zodat het behandelteam en de jeugdige tijd gegund wordt om een verblijf buiten de inrichting te realiseren.

Rapportages van de externe deskundigen [deskundige 1] van 12 april 2019 en [deskundige 4] van 6 mei 2019

Omdat de jeugdige heeft geweigerd om zijn medewerking te verlenen aan deze onderzoeken hebben deze deskundigen geen inhoudelijk onderzoek kunnen verrichten. De onderzoeksvragen zijn daardoor onbeantwoord gebleven.

Het advies van reclasseringsinstantie GGZ [naam] van 23 april 2019

De reclassering neemt de beschrijvende diagnose van [GGZ-instelling] in haar rapport van 7 januari 2019 omtrent de stoornis van de jeugdige over.

De reclassering heeft vastgesteld dat de jeugdige gewelddadige incidenten heeft gepleegd richting het personeel van de kliniek, medegedetineerden en goederen. Er is bij de incidenten zowel sprake geweest van fysiek geweld als van verbaal geweld. De hoeveelheid incidenten is afgenomen sinds de opname in de jeugdinrichting. Het valt echter niet uit te sluiten dat in de vrije maatschappij, gedurende het vervolgtraject van de maatregel, dit gedrag opnieuw wordt vertoond. Het geweld is in de afgelopen jaren herhaaldelijk voorkomen door middel van afzondering en insluiting van de jeugdige. Het recidiverisico wordt om die reden ingeschat als hoog. Bij een gestructureerde setting met een hoog beveiligingsniveau is het recidiverisico gemiddeld. Het risico op een onttrekking aan de voorwaarden wordt als gemiddeld ingeschat.

De reclassering heeft uit andere rapportages vernomen dat bij de jeugdige sprake is van een autismespectrumstoornis, een licht verstandelijke beperking en verslavingsproblematiek. In het verleden heeft hij te maken gehad met een onstabiele thuissituatie waar huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Er is tevens sprake van een behoorlijke stagnatie op het gebied van onderwijs. Uit verschillende rapportages is gebleken dat er ernstige problemen zijn op het gebied van agressiehantering, het beheersbaar maken van spanningen en situaties van stress. De jeugdige heeft in de jeugdinrichting meermalen incidenten veroorzaakt waarbij verbale en fysieke agressie is geuit. Deze incidenten komen voort uit opgebouwde spanningen die hij zich achteraf niet altijd kan herinneren. Tijdens de behandeling zijn alternatieven aangeleerd om met deze spanningsvolle situaties om te gaan. Desondanks is het de jeugdige niet gelukt om van deze vaardigheden gebruik te maken. Er is eerder sprake geweest van een STP-traject dat in korte tijd negatief is beëindigd. De jeugdige was niet in staat zich aan de afspraken te houden omtrent het verbod op het gebruik van verdovende middelen en had psychisch ontregeld gedrag vertoond. Vervolgens is een ambulant traject opgestart en is er een overplaatsing geweest naar [GGZ-instelling] . In deze Forensisch Psychiatrische Kliniek heeft de jeugdige zich eveneens verbaal en fysiek agressief gemanifesteerd. Er is onvoldoende medewerking verleend waardoor dit traject ook is stopgezet.

De reclassering heeft negatief geadviseerd over deelname van de jeugdige aan het STP-traject. Er zijn geen mogelijkheden om het recidiverisico te beperken, er zijn nog geen verloven gepraktiseerd en er is evenmin een resocialisatietraject doorlopen. Er kan daarom niet op een verantwoorde invulling worden gegeven aan het STP-programma.

Het aanvullend advies van de JJI [locatie 1] van 3 juni 2019

Er heeft zich een aantal incidenten voorgedaan waarbij de jeugdige betrokken is geweest. Op 21 maart 2019 heeft de jeugdige zich verbaal agressief en dreigend opgesteld tegenover een groepsleider. Hierdoor heeft geen begeleid verlof meer plaatsgevonden. Op 24 maart 2019 heeft een groepsgenoot een jas weggenomen onder druk van de jeugdige. De jeugdige heeft deze groepsgenoot verdovende middelen aangeboden en heeft hiervoor een tegenprestatie geëist. Naar aanleiding van dit incident is er een crisisplaatsing gevolgd bij de JJI Het Keerpunt. De jeugdige heeft daar op 8 april 2019 de gedragsdeskundige van de groep bedreigd. Op 25 april 2019 is de jeugdige weer teruggeplaatst in [locatie 1] . Op 2 mei 2019 is er sprake van een positieve urinecontrole die duidt op de aanwezigheid van THC. Op 14 mei 2019 zijn contrabanden aangetroffen tijdens de kamerinspectie. Tot slot blijkt dat de jeugdige op 28 mei 2019 XTC heeft gebruikt.

Op 15 april 2019 heeft een zorgconferentie plaatsgevonden. Er is gezocht naar een vervolgvoorziening maar veel instellingen staan niet positief tegenover een opname. De jeugdige wordt afgewezen op grond van de zwaarte van zijn problematiek, het hoge risicoprofiel en de beperkte motivatie om aan een behandeling deel te nemen. Op 17 april 2019 heeft de individuele trajectbegeleider van de jeugdige een huisbezoek afgelegd bij zijn vriendin. Dit adres zou gebruikt kunnen worden als verlofadres. Er wordt echter geadviseerd om dit adres niet als verblijfplaats van de jeugdige aan te wijzen ten tijde van het STP-traject of bij de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Op 3 mei 2019 heeft een intakegesprek plaatsgevonden met de beschermde woonvoorziening Wilskracht Zorg te Amsterdam. Hoewel deze voorziening niet voldoet aan de zorgintensiteit en beveiligingsnoodzaak die geïndiceerd is, is de instelling bereid om de jeugdige op te nemen. Zij bieden ook hulp in het kader van het STP-traject en begeleiding ten tijde van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Daarnaast wordt ondersteuning geboden bij dag- en vrijetijdsbesteding. Tot slot is de jeugdige aangemeld bij [kliniek] . Hij zal daar op 13 juni 2019 ter observatie worden geplaatst voor de duur van zeven weken. Door middel van onafhankelijk onderzoek wordt getracht inzicht te verkrijgen welke mogelijkheden er zijn voor een geschikt vervolgtraject. Het advies van de JJI [locatie 1] luidt wederom om de maatregel voor de duur van negen maanden te verlengen.

Het advies van reclasseringsinstantie GGZ [naam] van 6 juni 2019

De reclassering heeft wat betreft de omschrijving van het recidiverisico gepersisteerd bij het door haar advies van 23 april 2019. Zij geeft aan dat in de afgelopen maanden diverse vormen van overleg hebben plaatsgevonden, waarbij alle disciplines en andere belanghebbenden hebben deelgenomen om te onderzoeken wat het meest geschikte vervolgtraject voor de jeugdige is. Hij heeft geen medewerking verleend aan de Pro Justitia rapportages van zowel de psychiater en psycholoog. Hierdoor is geen recent beeld omtrent de diagnostiek ontstaan en ontbreekt een nieuw intelligentieonderzoek. Gezien de jonge leeftijd kan het beeld omtrent de diagnostiek veranderd zijn. De jeugdige is aangemeld bij de beschermende woonvorm Wilskracht Zorg in Amsterdam. Dit is de enige instelling die hem heeft geaccepteerd. Het is van groot belang dat hij abstinent zal blijven van cannabis, aangezien het gebruik hiervan het risico vergroot op en onstabiel psychisch functioneren en (rand)psychotisch gedrag. Het is voorts onduidelijk in hoeverre zijn familie voor hem een ondersteunend netwerk vormt. Het sociale netwerk is beperkt. Daarnaast ontbreekt er overeenstemming tussen de jeugdige en de reclassering over de financiën en er is geen dagbesteding. De overgang van een gesloten voorziening naar de reguliere maatschappij is een grote stap, waarbij de jeugdige hoogstwaarschijnlijk overvraagd zal worden. Ondanks zijn motivatie om buiten de huidige instelling te verblijven ontbreekt het besef wat er op hem afkomt en van hem wordt verlangd. Een geleidelijke overgang waarbij in toenemende mate vrijheden ontstaan is wenselijk om spanning en stress te voorkomen. Tegen deze achtergrond is een STP-traject aangewezen, zodat bij een eventuele ontregeling of bij het niet nakomen van afspraken een time-outplaatsing mogelijk is. Hiermee wordt het risico op fouten aanvaardbaar. Een observatieplaatsing bij [kliniek] zal duidelijkheid geven over de psychische gesteldheid en de maatregelen die getroffen moeten worden om begeleiding buiten het justitiële kader mogelijk te maken. De reclassering is er niet op toegerust om, gelet op de complexiteit van de casus van de jeugdige, met de beperkte mogelijkheden van (tijdelijke) klinische plaatsingen in een ambulant kader voldoende steun en begeleiding te bieden.

De reclassering heeft negatief geadviseerd over de mogelijkheid om de maatregel voorwaardelijk te beëindigen. Er zijn in het onderhavig geval te weinig mogelijkheden om het recidiverisico tot een verantwoord niveau te beperken. Zonder een gefaseerd overgangstraject bestaat geen reële kans om in de maatschappij te resocialiseren. Er is onderzoek naar de diagnostiek en intelligentieonderzoek nodig om op passende wijze begeleiding te bieden. De reclassering heeft bijzondere voorwaarden geformuleerd, ondanks de hiervoor omschreven contra-indicaties, indien de maatregel alsnog voorwaardelijk wordt beëindigd.

Het advies van de deskundige [deskundige 5] ter zitting van het hof op 20 juni 2019

De jeugdige verblijft sinds kort op de observatieafdeling [kliniek] in de JJI [locatie 3] . Hij heeft geen medewerking verleend aan de Pro Justitia onderzoeken. Deze onderzoeken vonden plaats om de vereiste behandelinterventies in kaart te brengen. Tijdens het verblijf bij [kliniek] zullen opnieuw gesprekken met een psycholoog en psychiater plaatsvinden. Het doel is om de meest geschikte vorm van behandeling vast te stellen. Het onderzoek bij [kliniek] vindt niet plaats om meer duidelijkheid te verkrijgen over de diagnostiek. In mei 2019 is contact gelegd met de beschermde woonvorm Wilskracht Zorg te Amsterdam. Deze instelling is bereid om de jeugdige te begeleiden maar voldoet niet aan het vereiste beveiligingsniveau en de geïndiceerde zorgintensiteit. Omdat een eerder STP-traject is mislukt en incidenten hebben plaatsgevonden, zijn een andere behandelpartners niet bereid de jeugdige een resocialisatietraject aan te bieden. Op dit moment is een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel onverantwoord. Er meer onderzoek nodig zodat er bijzondere voorwaarden geformuleerd kunnen worden. De plaatsing bij [kliniek] duurt zeven weken en eindigt in juli 2019. Na de zomer zou opnieuw gestart kunnen worden met een STP-traject dat minimaal zes maanden in beslag neemt. De verloven moeten vervolgens opnieuw worden opgestart. Het totale behandeltraject van de maatregel zal naar verwachting gerekend vanaf de vorige expiratiedatum nog twaalf maanden in beslag nemen. Daarna zou een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel aan de orde kunnen zijn. In het licht van deze feiten en omstandigheden acht de deskundige verlenging van de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige.

Het standpunt van de jeugdige en zijn raadsman

Op basis van de feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of verlenging van de maatregel nog voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tegen deze achtergrond is van belang dat de persoonlijkheidsproblematiek van de jeugdige uitgebreid is onderzocht. Een nieuw (diagnostisch) onderzoek heeft geen meerwaarde. Daarnaast is de jeugdige niet gebaat bij een nieuw behandeltraject. Hij verzet zich hiertegen en vanuit het behandelteam ontbreekt een concreet perspectief. De verantwoordelijkheid wordt telkens op een andere instantie afgewenteld. De jeugdige kan niets doen aan de wachttijden die hierdoor ontstaan voor het verlof en voor de deelname aan de Individuele Traject Afdeling. Voorts is het recidivegevaar voldoende teruggedrongen. De verdediging heeft verzocht om de vordering van het openbaar ministerie af te wijzen en de beslissing waarvan beroep te bevestigen, waarbij de maatregel met zes weken is verlengd. Voorts is verzocht aansluiting te zoeken bij de voorwaarden die thans door de rechtbank Amsterdam bij beslissing van 6 juni 2019 zijn geformuleerd en de maatregel onder die condities voorwaardelijk te beëindigen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De jeugdige heeft zich in de afgelopen periode schuldig gemaakt aan een aantal incidenten. Hierbij is zowel verbale als fysieke agressie gebruikt. Er heeft geweld plaatsgevonden ten opzichte van groepsgenoten en het behandelend personeel van de kliniek. Daarnaast heeft de jeugdige verdovende middelen gebruikt (cannabis en XTC). Gedurende de maatregel is de jeugdige door verschillende instanties behandeld omdat de samenwerking niet altijd goed verlopen is. Op dit moment wordt bij [kliniek] onderzoek gedaan naar de meest geschikte behandelinterventie. Daarna zal een STP-traject opgestart kunnen worden. De positieve ontwikkeling in het resocialisatieproces moet nog plaatsvinden. De reclassering heeft op dit moment onvoldoende mogelijkheden om de jeugdige te begeleiden in het kader van voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Gelet op deze omstandigheden heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de beslissing waarvan beroep dient te worden vernietigd, en dat de maatregel moet worden verlengd met een termijn van twaalf maanden, dan wel voor de duur die het hof passend en geboden acht in deze zaak. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd om bij vervroeging uitspraak te doen.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

Indexdelict

Bij vonnis van 3 juli 2014 heeft de rechtbank Amsterdam aan de jeugdige de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd ter zake van een poging tot zware mishandeling. Dit is een misdrijf dat gericht is tegen en/of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Stoornis en recidivegevaar

Bij de jeugdige is sprake van een autismespectrumstoornis (PDD-NOS), een licht verstandelijke beperking en verslavingsproblematiek. De jeugdige is gedurende zijn ontwikkeling beschadigd, hetgeen heeft geleid tot een posttraumatische stressstoornis. Verder beschikt de jeugdige niet over voldoende vaardigheden om op adequate wijze met opgebouwde spanningen en emoties om te gaan. Dit heeft meermalen geleid tot agressieve impulsdoorbraken.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Er zijn historische risicofactoren, individuele risico-items en sociale/contextuele risicofactoren die hierop van invloed zijn. Er zijn geen beschermende factoren naar voren gekomen.

Verlenging

Gelet op de schriftelijke adviezen, de verklaring van de deskundige ter terechtzitting en het overige verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de aan de jeugdige opgelegde maatregel eist.

De afgelopen periode wordt het behandeltraject van de jeugdige gekenmerkt door incidenten. Er is sprake geweest van agressie, het gebruik van verdovende middelen en er is contrabande aangetroffen. De jeugdige heeft ook niet meegewerkt aan Pro Justitia rapportages. Hierdoor heeft nauwelijks een behandeling plaatsgevonden. De jeugdige is op dit moment geplaatst bij observatieafdeling [kliniek] in de JJI [locatie 3] . Het doel is om de meest geschikte vorm van behandelinterventies vast te stellen, zodat het recidiverisico beheersbaar wordt gemaakt. De deskundige heeft ter zitting aangegeven dat het verlof volledig opnieuw moet worden opgestart. Voorts zal het STP-traject in kaart moeten worden gebracht en moeten worden uitgevoerd. Volgens de door de deskundige ter zitting gegeven toelichting zal dit traject ongeveer twaalf maanden duren.

Met de deskundige is het hof van oordeel dat verlenging van de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. In aanmerking genomen de aard van de stoornis en het als hoog ingeschatte recidivegevaar, acht het hof gelet op het thans lopende onderzoek in [kliniek] , de (mogelijk) daaruit volgende vervolgstappen op het terrein van behandeling en het noodzakelijke, opnieuw op te starten resocialisatie- en verloftraject, een verlenging van de maatregel met twaalf maanden aangewezen. Het hof zal daarom, anders dan door de rechtbank, de termijn van de maatregel met die termijn verlengen.

Beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit

De maatregel is ingegaan op 18 juli 2014 en loopt dus thans meer dan vier jaren. Dit tijdsverloop in relatie tot de ernst van het delict waarvoor de maatregel is opgelegd, te weten – kort gezegd – poging tot zware mishandeling, moet mede in aanmerking worden genomen bij de verlengingsbeslissing. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat van disproportionaliteit in het onderhavige geval geen sprake is, immers niet alleen het tijdsverloop – in relatie tot de ernst van het delict – moet in aanmerking worden genomen, maar ook de aard van de stoornis en de ernst van het recidivegevaar. Het hof acht evenmin strijd met het beginsel van de subsidiariteit aanwezig, nu het hof van oordeel is dat er nog geen geschikte alternatieven zijn om de jeugdige te kunnen laten functioneren in de maatschappij zonder de structuur van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Einde maatregel

Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 77t, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof vast dat, behoudens verdere verlenging van de maatregel, gelet op de eerdere expiratiedatum van 18 april 2019, op 12 april 2020 voorwaardelijk zal eindigen en op 12 april 2021 onvoorwaardelijk zal eindigen.

Overweging ten aanzien van de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2019

Hoewel de beslissing van de rechtbank van 16 mei 2019 formeel niet aan het oordeel van het hof is onderworpen, merkt het hof op dat de rechtbank de officier van justitie niet niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in zijn vordering tot verlenging, nu die vordering in verband met de beslissing van de rechtbank van 20 maart 2019 tijdig was ingediend, maar de behandeling van die vordering had moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van het hof.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2019 met betrekking tot de jeugdige [jeugdige].

Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twaalf maanden.

Aldus gedaan door

mr. E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen als raadsheren,

en drs. A. Vissers en drs. I. van Outheusden als raden,

in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal als griffier,

en op 4 juli 2019 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.