Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7068

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
200.183.414
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2020:6268
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:376 BW. Tekortkoming wegens niet persoonlijk gebruik van het gepachte en verkoop suikerquotum zonder toestemming. Na overlegging stukken door pachter, neemt het hof voorshands aan dat pachter de grond niet persoonlijk gebruikt. Pachter mag met getuigen tegenbewijs leveren. Over het suikerquotum moet de pachter nog meer openheid van zaken geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2019/486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.183.414

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant 3226316)

arrest van de pachtkamer van 27 augustus 2019

in de zaak van

1 [verpachter] ,

wonende te [woonplaats] ,
2. [rentmeester],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna: [verpachter] en [rentmeester] ,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

[pachter] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [pachter] ,

advocaat: mr. W.M. Bijloo.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 november 2018 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het verzoek van [pachter] tot het verlenen van verlof voor het instellen van beroep in cassatie,

- de reactie van [verpachter] en [rentmeester] op dit verzoek,

- de beslissing van het hof van 18 december 2018 tot afwijzing van dit verzoek,

- de akte na tussenarrest van [pachter] ,
- de antwoordakte van [verpachter] en [rentmeester] .

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het principaal hoger beroep gaat over de vraag of [pachter] is tekortgeschoten in de nakoming van de pachtovereenkomst, in het bijzonder door geen bedrijfsmatige landbouw meer te bedrijven, de gronden onder te verpachten en het suikerquotum te verkopen zonder toestemming van de verpachter. [verpachter] verwijt [pachter] specifiek dat hij in de jaren 2012 – 2014 geen bedrijfsmatige landbouw heeft bedreven door zijn pluimveetak af te stoten en de gronden door een derde te laten bewerken. Het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat [pachter] in het verleden geen bedrijfsmatige landbouw bedreef. Anders heeft het hof echter geoordeeld over de stelling van [verpachter] dat [pachter] de gepachte gronden in gebruik heeft afgestaan aan een derde. Het hof heeft [pachter] in de gelegenheid gesteld om nadere stukken over te leggen waaruit de persoonlijke exploitatie van de gepachte gronden en de ontvangst/betaling van de overgelegde facturen blijkt. Daarnaast moest [pachter] gegevens overleggen waaruit de hoogte van het suikerquotum blijkt en de afrekening daarvan met de fabriek.

2.2

Bij akte van 11 december 2018 heeft [pachter] producties 34 tot en met 51 overgelegd. Daarvoor had [pachter] al een groot aantal producties overgelegd. [verpachter] heeft bij antwoordakte op de nieuwe stukken gereageerd en productie G overgelegd.

2.3

Voor het jaar 2012, waarin mais is geteeld, heeft [pachter] aanvullend producties 34 – 42b overgelegd waaruit volgt dat hij met [afnemer 1] een overeenkomst had waarbij [afnemer 1] alle kosten voor gewasbescherming, zaaizaad en meststoffen zou voldoen en de mais zou aankopen. De aankoop is vastgelegd in een verkoopbevestiging oogst van 15 mei 2012 waarbij [pachter] aan [afnemer 1] 70 ton mais verkoopt voor een prijs van € 130 per ton. Volgens [pachter] bedroeg de restant opbrengst van de oogst € 7.909,22, waarvan hij naar zijn zeggen per saldo – na verrekening van verschillende kosten – € 3.610,30 op zijn bankrekening heeft ontvangen. Dat bankafschrift is overgelegd. De producties 34 en 45 onderbouwen verder dat [pachter] de mais zelf heeft geoogst.

2.4

In 2013 zijn aardappelen geteeld. [pachter] heeft aanvullend producties 43 en 44 overgelegd. [afnemer 2] , aan wiens bedrijf de aardappelen zijn verkocht, heeft verklaard dat de zeggenschap over de bedrijfsvoering niet door [pachter] aan hem is overgedragen. De aardappelen heeft [afnemer 2] door voorschotten voldaan met kennelijk nog twee eindafrekeningen in februari en juni 2014. Bankafschriften tonen de bevoorschotting/eindafrekeningen maar een duidelijk boekhoudkundig inzicht van deze teelt ontbreekt. De keuze/inkoop van het pootgoed is niet verantwoord en de verrekening van de door [afnemer 2] voldane kosten is niet toegelicht.

2.5

In 2014 is wintertarwe geteeld. [afnemer 2] heeft de tarwe aangekocht voor € 168 per ton welke aankoop in augustus en september 2014 via aankoopborderellen is gefactureerd in ronde bedragen en die daarvoor al als voorschotten waren voldaan. De kosten voor de teelt zijn volgens [pachter] verrekend met het loonwerk dat [pachter] voor [afnemer 2] heeft verricht. Een cijfermatige toelichting hiervan ontbreekt.

2.6

Met deze stukken heeft [pachter] nog geen verklaring gegeven voor de zeer eenzijdige teelt en uit de stukken volgt niet dat geteeld is voor de pluimveetak. De mais is blijkbaar voor [afnemer 1] geteeld en de aardappelen en tarwe voor [afnemer 2] . De financiële berekeningen zijn zonder nadere toelichting, die [pachter] niet voldoende heeft gegeven, niet te doorgronden. Het lijkt erop dat de verkoopopbrengst van tevoren vaststond en dat alle kosten werden voldaan door [afnemer 1] , respectievelijk [afnemer 2] . Of er daadwerkelijk finaal is afgerekend conform de overgelegde stukken en is verrekend, is nog altijd niet voldoende onderbouwd. Dat [pachter] zelf de zeggenschap had over het teeltplan, het exploitatierisico heeft gedragen en teeltwerkzaamheden heeft verricht is dan ook nog steeds twijfelachtig. Mogelijk heeft [pachter] de mais zelf geoogst, van andere werkzaamheden blijkt dat die door derden zijn gedaan. Ploegen, zaaien en gewasbescherming van de wintertarwe is bijvoorbeeld niet door [pachter] verricht. Daarbij komt dat een deel van de overgelegde stukken ziet op de exploitatie van grond in België en dus geen informatie geeft over het gebruik van het gepachte door [pachter] .

2.7

Op grond van de in het geding gebrachte stukken acht het hof voorshands bewezen dat de gronden zijn onderverpacht, althans niet door [pachter] persoonlijk in gebruik zijn geweest gedurende een aantal jaren. [pachter] mag tegen dit bewijsvermoeden tegenbewijs door getuigen leveren. Hij heeft getuigenbewijs aangeboden door het horen van leveranciers, afnemers en rentmeester [rentmeester 2] .

2.8

Wat het suikerquotum betreft, heeft [pachter] stukken overgelegd waaruit volgt dat hij 17.903 kg suikerquotum vrijwillig heeft ingeleverd en een bedrag van € 5.147,09 heeft ontvangen van het toenmalige ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). [verpachter] constateert dat [pachter] meer suikerquotum moet hebben gehad dan 17.903 kg. Uit de stukken van [pachter] (productie 50) volgt dat hij in 2007 bijna 4 ha suikerbieten heeft geteeld. Daarvoor had [pachter] ruim 40.000 kg nodig, aldus [verpachter] . Inderdaad valt de omvang waarvan [pachter] stukken heeft overlegd niet goed te rijmen met het met bieten beteelde areaal in 2007. Het hof zal [pachter] nog éénmaal in de gelegenheid stellen om mede naar aanleiding van de opmerkingen van [verpachter] volledige openheid van zaken te geven. Bij gebreke daarvan zal het hof een tekortkoming aannemen en de helft van de waarde van het verkochte quotum ambtshalve schatten en vaststellen.

2.9

De beoordeling van de overige grieven in het principaal hoger beroep en van het voorwaardelijk incidenteel appel houdt het hof aan.

Slotsom

2.10

[pachter] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, zoals hiervoor bedoeld onder 2.7. Voorafgaand aan de enquête zal [pachter] bij akte nader mogen ingaan op (de omvang en de waarde van) het verkochte suikerquotum.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

aktewisseling

verwijst de zaak naar de roldatum 24 september 2019 voor uitlating bij akte door [pachter] als bedoeld in 2.8;

bepaalt dat [verpachter] op die akte mag reageren;

bewijslevering

laat [pachter] toe tot het tegenbewijs (door het horen van getuigen) van het voorshands bewezen geachte feit dat de gronden zijn onderverpacht, althans niet door [pachter] persoonlijk in gebruik zijn geweest gedurende een aantal jaren;

bepaalt dat het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. Th.C.M. Willemse in aanwezigheid van het deskundig lid ir. J.H. Jurrius, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [pachter] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 24 september 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [pachter] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen, wat het hof betreft in tweevoud;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, F.J.P. Lock en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ir. J.H. Jurrius, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.