Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7067

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-06-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
200.254.186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding op grond van het verval van arbeidsplaats van werknemer terecht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0926
JAR 2019/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.254.186

(zaaknummer rechtbank Gelderland 7094553)

beschikking van 27 juni 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen,

en


de stichting Stichting Het Schild,

gevestigd te Wolfheze,

verweerster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: Het Schild,

advocaat: mr. R. Bijlsma.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

12 november 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift (met producties), ter griffie ontvangen op 8 februari 2019;

- het verweerschrift, ter griffie ontvangen op 14 mei 2019;

- de op 22 mei 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door mr. Nelissen pleitnotities zijn overgelegd.

2.2

Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald op 3 juli 2019 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoekster] heeft in haar beroepschrift, verkort weergegeven, het hof verzocht de bestreden beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

-primair Het Schild te veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen tegen een door het hof te bepalen datum, waar mogelijk met terugwerkende kracht per 1 september 2018, een voorziening te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst, op straffe van een dwangsom;

-subsidiair aan [verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen van € 65.215,- bruto, vermeerderd met € 7.500,- netto en de reële proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

-in beide gevallen Het Schild te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten.

2.4

Het Schild heeft verweer gevoerd.

3 De feiten

3.1

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op [datum indiensttreding] in dienst getreden bij Het Schild, in de functie van [functie verzoekster] , op basis van 24 uur per week. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 2.896,18 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een 13de maand.

3.2

Het Schild exploiteert een centrum voor blinden en slechtzienden. Het Schild heeft vanwege dalende inkomsten een reorganisatie doorgevoerd, zoals omschreven in het jaarplan 2018 “Terug naar de eenvoud”. De Ondernemingsraad van Het Schild heeft op 4 december 2017 een positief advies uitgebracht over dit plan. In het kader van de reorganisatie is een Sociaal Plan opgesteld, waarmee de Ondernemingsraad heeft ingestemd.

3.3

Ten gevolge van de reorganisatie is de functie van [verzoekster] komen te vervallen. [verzoekster] heeft gesolliciteerd op de nieuwe functie van [nieuwe functie] . [verzoekster] heeft op 9 januari 2018 twee gesprekken met twee sollicitatiecommissies gevoerd. Diezelfde avond is zij gebeld door de directeur-bestuurder van Het Schild, [directeur] , met de mededeling dat zij niet zou worden benoemd in de functie van [nieuwe functie] . Bij brief van 2 februari 2018 heeft Het Schild [verzoekster] deze afwijzing bevestigd. In die brief is tevens vermeld dat de boventalligheid van [verzoekster] per 1 april 2018 van kracht wordt.

3.4

Bij brief van 27 maart 2018 heeft Het Schild aan [verzoekster] een gesprek van diezelfde datum bevestigd. In die brief is vermeld dat [verzoekster] vanaf de datum van boventalligheid van 1 april 2018 lopende de ontslagaanvraag zal worden vrijgesteld van arbeid

3.5

Het Schild heeft toestemming gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] wegens bedrijfseconomische redenen op te zeggen. [verzoekster] heeft verweer gevoerd. Het UWV heeft Het Schild om een nadere toelichting gevraagd, waarop door [verzoekster] is gereageerd.

3.6

Het UWV heeft op 26 juni 2018 de door Het Schild gevraagde toestemming verleend. In deze beslissing is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Vervallen van arbeidsplaatsen

(…)

Na zorgvuldige en uitvoerige bestudering van hetgeen in de onderhavige procedure is aangevoerd en overgelegd, zijn wij van mening dat u aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een slechte of slechter wordende financiële situatie. (…) Uit het bovenstaande overzicht blijkt dat uw onderneming de afgelopen twee boekjaren aanzienlijke negatieve resultaten heeft geboekt. (…) Uw voornemen om de werkzaamheden, na het verval van de arbeidsplaats van werknemer, onder te brengen bij de functie waar deze volgens u logischerwijs en functioneel gezien thuishoort, namelijk bij de nieuwe functie van [nieuwe functie] vinden wij in verhouding met de organisatorische veranderingen. Uit zowel het reorganisatieplan “Terug naar de eenvoud” als de Adviesaanvraag OR blijkt dat de functie van werknemer niet terugkeert in de nieuwe organisatie. (…)

Gelet op bovenstaande zijn wij van mening dat u de bedrijfseconomische noodzaak voor het verval van de arbeidsplaats van werknemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Ontslagvolgorde

(…)

In het onderhavige geval achten we het aannemelijk dat werknemer een unieke functie bekleedt en haar functie derhalve niet onderling uitwisselbaar is met andere functies binnen uw onderneming, met name die van [nieuwe functie] . (…)

Op grond van de specifieke leiderschapsstijl van de functie van werknemer, het niveau waarop haar functie zich binnen uw organisatie bevindt en het specifieke in die functie aan te sturen organisatieonderdeel, achten wij het aannemelijk dat de functie van werknemer binnen uw onderneming een unieke functie is. Om die reden vindt het afspiegelingsbeginsel in het geval van werknemer geen toepassing.

(…)

Herplaatsing

(….)

U geeft aan dat werknemer de sollicitatieprocedure voor de passende functie van [nieuwe functie] heeft doorlopen. (…) Op grond van het vorenstaande menen wij dat u op een voldoende transparante en objectieve wijze bent gekomen tot uw keuze een herplaatsingsaanbod te doen aan de kandidaat die volgens de sollicitatiecommissie het meest geschikt wordt geacht. In het laatste geval handelt u daarmee binnen de beleidsvrijheid die u als ondernemer toekomt. Met het voorgaande heeft u naar ons oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen mogelijkheden zijn om werknemer te herplaatsen binnen uw onderneming. (…)

Beslissing

Wij verlenen u hierbij toestemming om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen.”

3.7

Bij brief van 29 juni 2018 heeft Het Schild de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd tegen 1 september 2018.

4
4. De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht, verkort weergegeven, het Schild te veroordelen:

-om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met terugwerkende kracht te herstellen per 1 september 2018 of een door de kantonrechter te bepalen datum, op straffe van een dwangsom;

-om aan [verzoekster] te betalen het sinds 1 september 2018 verschuldigde salaris van € 2.896,18 bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

-om de non-actiefstelling op te heffen en [verzoekster] toe te laten tot haar werkzaamheden, op straffe van een dwangsom;

-om de Raad van Toezicht van Het Schild schriftelijk in kennis te stellen van de inhoud van de beschikking, op straffe van een dwangsom;

-het voltallige personeel van het Schild schriftelijk te informeren over herstel van het dienstverband op de in het beroepschrift weergegeven wijze, op straffe van een dwangsom;

-in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW, dat Het Schild niet is tekortgeschoten in haar herplaatsingsverplichting en dat de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen, onder veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoekster] is blijkens het beroepschrift van oordeel dat het UWV aan Het Schild ten onrechte toestemming heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen (artikel 7:671a BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW) en voorts dat de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 BW.

Vervallen arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische noodzaak

5.2

[verzoekster] stelt allereerst dat Het Schild niet op goede gronden tot de reorganisatie heeft kunnen besluiten. Er was geen noodzaak om de twee diensthoofdenfuncties, waaronder die van [functie verzoekster] , te laten vervallen, omdat die functies zijn vervangen door twee [nieuwe functie] met dezelfde functieschaal. Er is aldus geen besparing gerealiseerd en bovendien zijn de cijfers die Het Schild heeft gepresenteerd niet juist. Deze cijfers zijn niet onderbouwd met een accountantsrapportage en wisselen steeds. Het Schild betwist een en ander gemotiveerd.

5.3

Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW wordt als redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst aangemerkt: “het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.” In de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015, 2015-0000102290, tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding (verder: de Ontslagregeling) worden nadere regels gesteld met betrekking tot de redelijke grond, de herplaatsing en de ontslagvolgorde in geval van bedrijfseconomisch ontslag. Verder volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Wwz met betrekking tot het bedrijfseconomische ontslag dat: “(…) er wel ruimte moet zijn voor de werkgever om dergelijke beslissingen te nemen. De werkgever moet zijn onderneming zo kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. Dat is niet alleen in zijn eigen belang maar ook in het belang van het behoud van werkgelegenheid in meer algemene zin. Bij de toetsing van die beslissing past dan ook een zekere mate van terughoudendheid (zoals nu ook het geval is)” (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 43). In de Memorie van Toelichting wordt verder tot uitgangspunt genomen dat de rechter het ontbindingsverzoek aan dezelfde criteria toetst als het UWV (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 31).

5.4

Het hof oordeelt dat Het Schild in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om haar organisatie op grond van bedrijfseconomische redenen te reorganiseren. Uit de overgelegde jaarverslagen over de jaren 2016 en 2017 blijkt dat in die jaren sprake was van een nettoresultaat van respectievelijk -/- € 1.998,- en -/- € 368.773,- en een (afnemend) eigen vermogen van respectievelijk € 1.849.587,- en € 1.425.907,-. Uit een overgelegd exploitatieoverzicht blijkt dat, met een realisatie tot en met september 2018 van

-/- € 142.533,- de dalende lijn zich in 2018 heeft voortgezet.

[verzoekster] heeft de betrouwbaarheid van deze cijfers betwist met de stelling dat er wisselende resultaten worden gepresenteerd. Dat laatste blijkt echter niet, omdat de wisselingen zijn te verklaren door het verstrijken van de tijd waardoor prognoses door daadwerkelijke resultaten konden worden vervangen. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde cijfers. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de genoemde resultaten (in gunstige zin) afwijken van de eerdere prognoses, zoals [verzoekster] stelt, blijft staan dat sprake is van negatieve resultaten, op grond waarvan Het Schild in redelijkheid tot ingrijpen kon komen om het voortbestaan van haar organisatie, ook op de langere termijn, zeker te stellen. Een verklaring van een accountant, de Stichting Beheer of het Zorgkantoor was daarvoor niet vereist.

5.5

Volgens [verzoekster] leidt de door Het Schild getroffen maatregel, voor zover het het vervallen van haar functie betreft, niet tot een besparing omdat deze functie (evenals die van de functie van haar collega [functie collega] ) werd vervangen door de functie van [nieuwe functie] die op hetzelfde niveau wordt beloond (FWG 60). Het hof volgt [verzoekster] niet in deze stelling. Het Schild heeft voldoende toegelicht, en [verzoekster] heeft dat ter zitting ook niet weersproken, dat in de nieuwe structuur één managementlaag is vervallen. Waar in de oude organisatie sprake was van twee [functie medewerker en collega] en zes [nieuwe functie] , is in de nieuwe organisatie voorzien in twee [nieuwe functie] en één [functie 4] . Door de reorganisatie is dus wel degelijk een besparing gerealiseerd. Dat de nieuwe functie van [nieuwe functie] op gelijk niveau wordt beloond als die van [functie medewerker en collega] doet daaraan niet af. De vraag in hoeverre die twee functies identiek of uitwisselbaar zijn wordt hierna behandeld. Het hof oordeelt dan ook dat Het Schild in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het laten vervallen van de functie van [functie medewerker en collega] noodzakelijk was gezien de bedrijfseconomische noodzaak en dat deze maatregel eveneens in verhouding staat tot de ernst daarvan.

Afspiegelingsbeginsel

5.6

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de oude functie van [functie verzoekster] en de nieuwe functie van [nieuwe functie] uitwisselbare functies zijn en dat zij om die reden op de functie van [nieuwe functie] geplaatst had moeten worden. Het Schild betwist de uitwisselbaarheid van de functies gemotiveerd.

5.7

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 13 van de Ontslagregeling is sprake van uitwisselbare functies indien:
a. de functies vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van functie; en

b. het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn,

een en ander in onderling verband bezien.

Bovendien geldt dat als een nieuw gecreëerde functie als uitwisselbaar met een bestaande (te vervallen) functie moet worden beschouwd, van verval van een arbeidsplaats geen sprake is.

5.8

Het Schild heeft naar het oordeel van het hof voldoende toegelicht en onderbouwd dat de functie van [functie verzoekster] niet uitwisselbaar is met de functie [nieuwe functie] . Weliswaar is de functiewaardering (op de onbetwiste peildatum 1 februari 2018) identiek, nu beide functies zijn ingedeeld in FWG 60, wordt hetzelfde opleidingsniveau gevraagd en zijn er op nog meer punten gelijkenissen, maar uit de met stukken onderbouwde stellingen van Het Schild volgt dat de inhoud van de functie van [nieuwe functie] en de daarvoor benodigde vaardigheden en competenties verschillen. Uit het plan “Terug naar de Eenvoud” blijkt dat de organisatiestructuur aangepast werd door het invoeren van zeven kleine zelfsturende teams rond klantgroepen, met als uitgangspunt om alle uitvoerende activiteiten in de teams te beleggen, en dat de twee [functie medewerker en collega] en zes [functie 3] worden vervangen door twee [nieuwe functie] en een [functie 4] . Het Schild heeft ter zitting toegelicht dat haar organisatie door de reorganisatie is omgevormd van een dienstenorganisatie (bestaande uit teams waarin de zorg was belegd en aparte facilitaire diensten) naar een organisatie waarbij de zorg èn ondersteunende diensten in de teams zelf, dichtbij de cliënt, zijn belegd. Daarmee is een ontwikkeling van een functionele, meer hiërarchische organisatie naar zelforganisatie ingezet. De twee [nieuwe functie] sturen op resultaten en faciliteren de zelfsturende teams. Dat blijkt ook uit de functiebeschrijving, waarin als doel van de functie wordt omschreven: “Het coördineren en zorg dragen voor de realisatie van de werkzaamheden en de gestelde doelen op tactisch niveau binnen de teams als afgeleide van het instellingsbeleid ”. Daarmee is sprake van een andere functie-inhoud dan de functie van [functie medewerker en collega] , die volgens de functiebeschrijving neerkomt op: “Het leidinggeven aan [x] dienst met als doel het leveren van [x] diensten aan interne en externe cliënten ten behoeve van de organisatie”. Daarnaast heeft Het Schild voldoende aannemelijk gemaakt dat de functie van [nieuwe functie] een andere, meer coachende, manier van leidinggeven en daarmee andere vaardigheden en competenties vereist. Het gaat dus, anders dan [verzoekster] stelt, niet om een andere manier van leidinggeven, maar om de daarvoor vereiste vaardigheden en competenties, die op grond van de Ontslagregeling ook relevante criteria zijn ter bepaling van de vraag of sprake is van uitwisselbare functies. [verzoekster] voert voorts aan dat zij in haar functie van [functie verzoekster] ook coachend te werk ging. Het hof wil dat zonder meer van haar aannemen, maar voor beantwoording van de vraag of sprake is van uitwisselbare functies gaat het niet om de vraag hoe [verzoekster] haar functie uitvoerde, maar of naar objectieve maatstaven sprake is van dezelfde competenties en vaardigheden. Dat is in dit geval niet zo.

5.9

Nu uit het voorgaande volgt dat van uitwisselbare functies geen sprake is, hoefde het afspiegelingsbeginsel niet te worden toegepast.

Herplaatsing

5.10

[verzoekster] betoogt dat Het Schild tekort is geschoten in haar herplaatsingsverplichting. In dat verband voert zij aan dat de functies van [nieuwe functie] en [functie 4] voor haar passend zijn en dat zij op de functie van [nieuwe functie] had moeten worden geplaatst. [verzoekster] stelt dat de wijze waarop de reorganisatie heeft plaatsgevonden in strijd met de wet is, omdat Het Schild de methode De Blécourt heeft toegepast. Voor zover al een sollicitatieprocedure gerechtvaardigd was, geldt dat die procedure niet zorgvuldig was en dat er geen duidelijk toetsbare normen zijn gehanteerd, aldus [verzoekster] . Het Schild heeft een en ander gemotiveerd weersproken.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de functie van [nieuwe functie] als een passende functie geldt. Als uitgangspunt geldt, zoals ook volgt uit de toelichting bij artikel 9 van de Ontslagregeling, dat het in het kader van het herplaatsingsvereiste in beginsel aan de werkgever is om te beoordelen welke werknemer voor het vervullen van een vacature het meest geschikt is. Dat geldt als uitgangspunt ook voor het geval waarin een deel van de werkzaamheden van de vervallen functie wordt voortgezet in een nieuw gecreëerde, niet uitwisselbare, functie (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1212). Die laatste situatie doet zich in dit geval voor, nu de functie van [functie medewerker en collega] is komen te vervallen en een deel van de werkzaamheden wordt voortgezet in de functie van [nieuwe functie] en daarmee, gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld, in een niet met de vervallen uitwisselbare functie (aldus is sprake van een aangepaste nieuwe functie).

5.12

[verzoekster] heeft op de functie van [nieuwe functie] gesolliciteerd en is daarvoor afgewezen, omdat Het Schild oordeelde dat zij voor die functie niet geschikt was of geschikt was te maken. Het hof volgt [verzoekster] niet in haar stelling dat de gevolgde procedure onzorgvuldig is geweest en dat sprake was van subjectiviteit en willekeur. De twee sollicitatiecommissies bestonden naast de directeur-bestuurder uit leden van de ondernemingsraad, de cliëntenraad, de afdeling personeel en organisatie, de afdeling verzorging en een externe adviseur. Gezien deze pluriforme samenstelling zijn voldoende waarborgen ingebouwd voor een objectieve besluitvorming. Bovendien waren er voldoende objectieve beoordelingscriteria, nu de functie-eisen waren neergelegd in een functiebeschrijving. Dat die beschrijving niet door een extern bureau is gemaakt doet daaraan niet af, mede gelet op het feit dat de directeur-bestuurder deze heeft opgesteld in samenspraak met het zogeheten “aanjaagteam”, waarin diverse geledingen uit Het Schild zijn vertegenwoordigd (en waarvan [verzoekster] ook onderdeel heeft uitgemaakt). Dat de functiebeschrijving en de daarin neergelegde criteria niet zouden overeenstemmen met de functie van [nieuwe functie] is door [verzoekster] ook niet gesteld. Het hof volgt [verzoekster] evenmin in het standpunt dat er op voorhand een assessment had moeten plaatsvinden om de beoordeling meer te objectiveren, nu een dergelijke algemene verplichting niet kan worden aangenomen en ook in dit geval, gezien de overige waarborgen, niet noodzakelijk wordt geoordeeld. Overigens is aan [verzoekster] na de afwijzing nog een assessment aangeboden maar zij is op dat aanbod niet ingegaan. Het Schild is tot het oordeel gekomen dat [verzoekster] niet geschikt was voor de functie van [nieuwe functie] en ter zitting is toegelicht dat in de commissies tevens is besproken dat de inschatting was dat zij daarvoor, ook met scholing, niet geschikt te maken zou zijn. Het hof begrijpt dat [verzoekster] teleurgesteld is over deze uitkomst, ook omdat, naar tussen partijen vaststaat, het functioneren van [verzoekster] in het verleden altijd goed was. Dat doet er niet aan af dat Het Schild, gezien het voorgaande en gegeven haar beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen. De wijze waarop de reorganisatie is vormgegeven en uitgevoerd oordeelt het hof in de hiervoor geschetste omstandigheden niet in strijd met de wet. Dat er na de afwijzing tussen partijen niet meer is gesproken over de optie van de functie van [functie 4] acht het hof niet in strijd met de herplaatsingsverplichting van Het Schild. Zoals gezegd is het in beginsel aan de werkgever om te beoordelen welke werknemer voor het vervullen van een vacature het meest geschikt is. Gelet op de ook voor deze functie vereiste vaardigheden, die overlappen met de functie van [nieuwe functie] , ligt het oordeel van Het Schild dat [verzoekster] voor deze functie niet geschikt is - de sollicitatiecommissie twijfelt aan het vermogen mensen mee te nemen, het reflecteren op eigen handelen - in het verlengde van het oordeel dat [verzoekster] niet geschikt is voor de functie van [nieuwe functie] . Daarnaast is in dit verband van belang dat het [verzoekster] zelf was die het aangeboden assessment, dat haar twijfels over dat oordeel kon toetsen, heeft geweigerd.

5.13

Van een schending van de herplaatsingsverplichting is dan ook geen sprake.

Conclusie

5.14

Uit het voorgaande volgt dat Het Schild de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd in strijd met artikel 7:669 lid 1 juncto lid 3 sub a BW. Feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken zodat het hof voorbij gaat aan het bewijsaanbod van [verzoekster] .

5.15

Het hoger beroep slaagt niet, zodat zal de beschikking van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verzoekster] veroordeeld in de proceskosten van Het Schild in hoger beroep, vastgesteld op € 741,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris advocaat volgens liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van 12 november 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van Het Schild in hoger beroep tot aan deze beschikking vastgesteld op € 741,- aan griffierecht en € 2.148,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, S.C.P. Giesen en R.S. de Vries en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2019.