Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7062

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
200.257.603/01 en 200.257.604/01 en 200.259.156/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Hof geeft GI opdracht alsnog onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid tot terugplaatsing van de kinderen bij één van de ouders ondanks dat voor GI duidelijk is dat perspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.257.603/01, 200.257.604/01 en 200.259.156/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/18/189448 / JE RK 19-15 en C/18/189485 / JE RK 19-24)

beschikking van 29 augustus 2019

inzake

in de zaak met nummer 200.257.603/01

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Mulder te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader van [de minderjarige2] ,

advocaat: mr. F.B. Flooren te Groningen.

in de zaak met nummer 200.257.604/01

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Mulder te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader van [de minderjarige2] ,

advocaat: mr. F.B. Flooren te Groningen.

in de zaak met nummer 200.259.156/01

[de vader] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader van [de minderjarige2] ,

advocaat: mr. F.B. Flooren te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Mulder te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In de zaken met nummers 200.257.603/01 en 200.259.156/01

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 13 februari 2019, uitgesproken onder zaaknummer C/18/189448 / JE RK 19-15.

In de zaak met nummer 200.257.604/01

1.2

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 13 februari 2019, uitgesproken onder zaaknummer C/18/189485 / JE RK 19-24.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedures blijkt uit:

In de zaak met nummer 200.257.603/01

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 april 2019;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mulder van 23 april 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mulder van 20 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Flooren van 21 mei 2019.

In de zaak met nummer 200.257.604/01

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 april 2019;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mulder van 23 april 2019 met productie(s).

In de zaak met nummer 200.259.156/01

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 mei 2019;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- het verweerschrift van de moeder;

- een journaalbericht van mr. Flooren van 20 mei 2019 met productie(s).

In alle zaken

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 juli 2019 tegelijkertijd plaatsgevonden. De moeder en de vader van [de minderjarige2] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [B] en mevrouw [C] .

3 De feiten

In alle zaken

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en [D] is [in] 2009 [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ) geboren, over wie de moeder alleen het gezag uitoefent.

3.2

Voorafgaand aan het huwelijk van de vader van [de minderjarige2] en de moeder (dat heeft geduurd van 1 augustus 2012 tot 7 juli 2016) is [in] 2011 [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ) geboren. De vader van [de minderjarige2] en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag over hem uit.

3.3

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 27 maart 2017 onder toezicht van de GI.

3.4

Bij beschikking van 11 juli 2017 is het hoofdverblijf van [de minderjarige2] bij de vader van [de minderjarige2] bepaald.

3.5

Uit een nieuwe relatie van de moeder is [in] 2018 [de minderjarige3] geboren.

3.6

Bij (afzonderlijke) beschikkingen van 15 november 2018 zijn machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een 24-uurs setting verleend, met ingang van 15 november 2018 tot uiterlijk 13 maart 2019.

3.7

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikkingen heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 13 maart 2020.

3.8

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben van 22 mei 2018 tot 16 november 2018 bij de vader van [de minderjarige2] en diens ouders verbleven en zijn, nadat zij enkele dagen in een crisispleeggezin geplaatst zijn geweest, op 20 november 2018 in een ander pleeggezin geplaatst. Omdat de plaatsing in dat pleeggezin niet kon worden voorgezet zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op 4 april 2019 overgeplaatst naar gezinshuis [E] .

4 De omvang van het geschil

In de zaken met nummers 200.257. 603/01 en 200.257.604/01

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van

13 februari 2019 (C/18/189448 / JE RK 19-15 en C/18/189485 / JE RK 19-24). Deze grieven zien op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikkingen te vernietigen voor zover het betreft de uithuisplaatsing van beide kinderen, en, na wijziging, met betrekking tot [de minderjarige2] verzocht om een uithuisplaatsing van [de minderjarige2] bij haar.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen en het verzoek van de moeder af te wijzen.

In de zaak met nummer 200.259.156/01

4.3

De vader van [de minderjarige2] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 februari 2019 (C/18/189448 / JE RK 19-15). De grieven en het verzoek van de vader zien enkel op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vader verzoekt het hof, na vermindering van zijn verzoek, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en, opnieuw rechtdoende, [de minderjarige2] terug te plaatsen bij grootouders vaderszijde althans bij de vader, die de zorg over zal laten aan zijn ouders.

4.4

De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vader af te wijzen.

4.5

De moeder voert verweer en verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de bestreden beschikkingen te vernietigen voor zover het betreft de uithuisplaatsing van beide kinderen;

II. primair: het hoger beroep van de man d.d. 8 april 2019 af te wijzen opdat er toegewerkt kan worden aan plaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder;

III. subsidiair: het hoger beroep van de vader d.d. 8 april 2019 toe te wijzen indien het hof van mening is dat er niet toegewerkt kan worden aan plaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder.

5 De motivering van de beslissing

In alle zaken

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

Het hof is van oordeel dat de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ernstig werd bedreigd en dat op juiste gronden de machtigingen uithuisplaatsing zijn verlengd. De kinderen zijn de laatste jaren geconfronteerd geweest met veel conflictsituaties tussen de ouders. De moeder is vanwege psychoses diverse keren opgenomen geweest. De vader moest vanwege een huisuitzetting met de kinderen wonen in de kleine seniorenwoning bij zijn ouders. De kinderen hebben veel wisselingen in verblijfplaats, zorgregeling, opvoeders en omgang meegemaakt, waarbij er ook een lange periode is geweest dat zij elkaar (en de andere ouder) helemaal niet zagen. Er was sprake van een complex familiesysteem, waarbij de kinderen belast werden met de problematiek die binnen het systeem speelde en waardoor bij de kinderen loyaliteitsproblemen ontstonden. Als gevolg hiervan zijn beide kinderen beschadigd en laten gedragsproblematiek zien. [de minderjarige1] heeft verlatingsangst en faalangst. Ze vindt het moeilijk om aandacht te delen, is angstig om achtergesteld te worden, kan niet op een juiste manier voor haar eigen belangen opkomen en vraagt op een dwingende manier aandacht of gaat huilen. [de minderjarige2] kan hij erg driftig of (fysiek) agressief worden als hij zijn zin niet krijgt, is moeilijk te begrenzen en lijkt een ontwikkelingsachterstand te hebben. Als gevolg van de heftige gedragsproblemen van [de minderjarige2] konden [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet in het pleeggezin blijven en verblijven zij daarom sinds 4 april 2019 bij [E] , een gespecialiseerd groot pleeggezin met extra ondersteuning voor kinderen met meer dan gemiddelde problematiek. Het gaat hier (naar omstandigheden) goed met de kinderen en de gedragsproblemen van [de minderjarige2] lijken aanmerkelijk te zijn verminderd.

5.3

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen lijkt de situatie van beide ouders inmiddels te zijn verbeterd. De GI heeft bevestigd dat er geen strijd meer tussen de ouders is. De moeder heeft samen met haar huidige partner de zorg voor hun kind [de minderjarige3] . Daarnaast zorgen zij eens in de twee weken in het weekend en de helft van de vakanties voor de kinderen van de huidige partner van de moeder. Er is geen sprake van directe hulpverlening in het gezin (het wijkteam speelt alleen een rol op de achtergrond) en [de minderjarige3] is niet onder toezicht gesteld. De huidige partner van de moeder krijgt sinds een half jaar intensieve hulpverlening van Verslavingszorg Noord-Nederland. Daarnaast is het psychische functioneren van de moeder momenteel stabiel als gevolg van het driewekelijks toedienen van depotmedicatie. Bovendien staat [F] stand-by voor het geval het niet goed mocht gaan. De vader heeft op dit moment (nog) geen eigen huisvesting. Beide ouders streven naar eigen zeggen naar een samenwerkingsmodus waarbij beide kinderen alle betrokkenen kunnen zien en een ieder in alle rust een gepaste rol krijgt in het leven van de kinderen. Ook menen beide ouders dat het mogelijk is op termijn een co-ouderschap uit te voeren.

5.4

Uit de stukken is gebleken dat de rechtbank de GI, bij beschikking van 12 juli 2018, de opdracht heeft gegeven een onderzoek in te stellen naar de opvoedvaardigheden van zowel de vader als de moeder. In de onderhavige procedure constateert het hof echter dat de GI, ondanks dit verzoek van de rechtbank, het betreffende onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de ouders niet heeft laten plaatsvinden. De GI heeft hierover ter zitting desgevraagd verklaard dat de betrokken hulpverlening ( [G] ) in haar verslagen al het nodige heeft gemeld en dat dit voldoende informatie geeft. Volgens de GI is duidelijk dat het perspectief niet bij de ouders ligt. Op basis van vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geldt echter dat voldoende moet zijn geïnvesteerd in de band tussen kind en ouders teneinde een terugkeer naar huis te bewerkstelligen, voordat een verderstrekkende maatregel mag worden overwogen (vgl. EHRM 12 juli 2001, 25702/94 (K. en T./Finland). Het ligt in de lijn der verwachting dat de GI verder zal gaan met het ingezette traject van het toewerken naar een gezagsbeëindigende maatregel. De GI heeft immers verklaard dat het perspectief van de kinderen wat haar betreft niet bij de ouders ligt, en dat aan de raad voor de kinderbescherming is verzocht een onderzoek te doen naar gezagsbeëindiging. Het EHRM heeft in de zaak N.P./Moldavië echter benadrukt dat beëindiging van het gezag alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden is toegestaan, na een zorgvuldige en frequente evaluatie van de mogelijkheden tot thuisplaatsing (vgl. EHRM 6 oktober 2015; no. 58455/13, EHRC 2015/239; N.P./Moldavië, par. 64-70).

5.5

Het hof is van oordeel dat er tot dusverre onvoldoende is onderzocht of er mogelijkheden zijn tot thuisplaatsing van de kinderen bij (één van) de ouders. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de moeder zich had verzoend met de uithuisplaatsing en het perspectief van de kinderen bij het pleeggezin, maar de kinderen wonen daar niet meer. In de (thuis)situatie van beide ouders lijkt inmiddels een stuk rust te zijn ontstaan en de verstandhouding tussen de moeder en de vader van [de minderjarige2] is verbeterd. De moeder heeft haar mening daarom bijgesteld. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat het hiervoor genoemde onderzoek niet achterwege mag blijven. Het hof onderkent dat op de opvoeders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een verzwaarde opvoedtaak rust, maar acht anderzijds niet zonder betekenis dat [de minderjarige3] , de jongste zoon van de moeder, zonder ondertoezichtstelling bij de moeder woont. De vader van [de minderjarige2] woont nog bij zijn ouders, maar heeft naar eigen zeggen uitzicht op een eigen woning. In de periode dat de kinderen bij hem en zijn ouders verbleven is de opvoedsituatie als goed genoeg beoordeeld. Daarnaast is gebleken dat de kinderen hun ouders erg missen. Ten slotte ontbreekt (relevante) informatie van het gezinshuis. Het hof zal de GI de opdracht geven alsnog onderzoek te (laten) doen naar de mogelijkheid tot terugplaatsing van de kinderen bij één van de ouders, en in dat kader advies uit te brengen over de volgende vragen:

  • -

    Zijn er (contra-)indicaties voor opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de thuissituatie bij de moeder, mede gelet op haar psychische en/of psychiatrische problematiek, waarbij tevens dient te worden betrokken dat de vader van [de minderjarige2] met ondersteuning van grootouders (vz) een deel van de verzorging en opvoeding op zich kan nemen en hulpverlening ondersteuning kunnen bieden?

  • -

    Zijn er (contra-)indicaties voor opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] in de thuissituatie bij de vader, waarbij tevens dient te worden betrokken dat de moeder een deel van de verzorging en opvoeding op zich kan nemen en grootouders (vz) en hulpverlening ondersteuning kunnen bieden?

5.6

Gelet op het vorenstaande zal het hof de beslissing die in hoger beroep voorligt aanhouden voor de duur van drie maanden en beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verzoekt de GI een onderzoek in te (doen) stellen als hiervoor onder 5.5 omschreven en uiterlijk op 19 november 2019 daaromtrent verslag uit te brengen;

bepaalt dat de zaak zal worden voortgezet op 9 december 2019, waarvoor partijen zullen worden opgeroepen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.M. Dölle en

C. Koopman, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 29 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.