Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6938

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
200.224.770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap en nalatenschap. Is aan de eisen van artikel 3:182 BW voldaan? Waardering woning. Verjaring verplichting tot uitkering uit maatschapsovereenkomst. Vervaltermijn recht van koop. Beroep op verjaring en vervaltermijn onaanvaardbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/300
ERF-Updates.nl 2019-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.224.770

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 323079)

arrest van 27 augustus 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant 1] ,

2. [appellant 2]

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant 2] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna samen: [appellanten] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. K.H.P. Selcraig,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 1]

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 2] ,

3. [geïntimeerde 3]

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 3] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna samen: [geïntimeerden] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. H.M. van Eerten.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 november 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 6 februari 2018;

- de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis (met producties A en B);

- de memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep (met producties 14-18),

- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep (met productie D).

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank heeft in het vonnis van 27 februari 2013 de feiten vastgesteld. Het hof zal de feiten hier niet herhalen, maar een korte schets geven van de zaak en de overige feiten, zo nodig, vermelden bij de beoordeling van de grieven.

2.2

[appellant 1] (door de rechtbank [appellant 1] genoemd), [appellant 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn broers en zussen; [geïntimeerde 3] is de echtgenote van [geïntimeerde 2] . De ouders van [appellant 1] , [appellant 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Vader had een melkveehouderij in [plaats] . Vader en [geïntimeerde 2] zijn met ingang van 1 januari 1984 een (overeenkomst van) maatschap aangegaan. Vader heeft in deze maatschap alle activa van zijn melkveebedrijf ingebracht, waaronder de eigendom van de onroerende zaken (schuren, een hooiberg, een boomgaard en percelen weiland). Vader heeft zich daarbij de stille reserves in de gronden, de bedrijfsgebouwen en de veestapel voorbehouden. De maatschap is ontbonden door het overlijden van vader op [overlijdensdatum] ; de activa van de maatschap zijn verbleven aan [geïntimeerde 2] op grond van het verblijvingsbeding in artikel 10 lid 3 van de maatschapsovereenkomst. Na het overlijden van vader heeft [geïntimeerde 2] de zaken van de maatschap en het melkveebedrijf alleen voortgezet. Vader heeft geen testament gemaakt en als zijn enige erfgenamen achtergelaten zijn echtgenote en zijn vier kinderen, ieder voor een gelijk deel.

2.3

Op [overlijdensdatum] is moeder overleden. Ook zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Zij laat als enige erfgenamen achter haar vier kinderen, ieder voor een gelijk deel.

2.4

[geïntimeerde 2] heeft altijd in het ouderlijk huis ( [adres 1] ) gewoond en is daar na het overlijden van zijn ouders met zijn gezin blijven wonen.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De vorderingen van [appellanten] in conventie en van [geïntimeerden] in reconventie strekken tot verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder.

3.2

De rechtbank heeft beslist als volgt (vonnis 26 april 2017, onderdeel 3):

“De rechtbank

3.1.

deelt het woonhuis gelegen aan de [adres 1] , kadastraal geregistreerd onder Sectie L, [sectienummer 1] , toe aan [geïntimeerde 2] tegen een waarde van € 29.495,71, met de bepaling dat [geïntimeerde 2] gehouden is

- de kosten van de levering van de aandelen van de overige erfgenamen in het woonhuis aan hem te voldoen;

- de overige erfgenamen een overbedelingsvergoeding te betalen van € 7.374,00;

3.2.

veroordeelt [appellanten] tot medewerking aan de levering aan [geïntimeerde 2] van zijn overdeelde aandeel in het woonhuis gelegen aan de [adres 1] , kadastraal geregistreerd onder Sectie L, [sectienummer 1] ;

3.3.

veroordeelt [appellanten] tot medewerking aan de levering aan [geïntimeerde 2] van de tot het maatschapsvermogen van vader behorende onroerende zaken en opstallen te [plaats] , kadastraal geregistreerd onder Sectie L, nummers. [sectienummer 2] , [sectienummer 3] , [sectienummer 4] ;

3.4.

bepaalt dat dit vonnis (telkens) in de plaats zal treden van de door [appellanten] te verrichten benodigde rechtshandelingen voor de levering aan [geïntimeerde 2] van de hiervoor in 3.2. en 3.3. genoemde onroerende zaken indien [appellanten] niet binnen twee weken na de betekening van dit vonnis zijn medewerking verleent;

3.5.

veroordeelt [geïntimeerde 2] tot betaling aan iedere erfgenaam van het bedrag van € 5.924,00 per persoon,

3.6.

veroordeelt [geïntimeerde 2] het in 3.5. genoemde bedrag aan [appellanten] te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis;

3.7.

gelast dat aan iedere erfgenaam een bedrag van € 18.492,45 dient te worden toebedeeld uit het onder notaris Tilleman gehouden depot;

3.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1

[appellanten] komt in het principaal hoger beroep met 21 grieven (genummerd I-VII en VII-XX) op tegen de beslissing van de rechtbank en vordert vernietiging van de vonnissen van 13 juni 2012, 27 februari 2013, 10 september 2014, 8 juni 2016 en 26 april 2017 en alsnog toewijzing van de vorderingen van [appellanten] in conventie en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] in reconventie met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties (inclusief de kosten van getuigen en deskundigen) en nasalaris advocaat van € 131.

[appellanten] wijzigt/vermeerdert zijn vorderingen in conventie. Hij vordert:

  1. te bepalen dat [geïntimeerde 2] met ingang van [overlijdensdatum] over het op grond van de maatschapsovereenkomst uit te keren bedrag primair de promesse-discontorente verschuldigd is en subsidiair de wettelijke rente;

  2. voor het geval [geïntimeerde 2] geen beroep kan doen op het recht van eerste koop van het woonhuis ( [adres 1] ): dit woonhuis aan [geïntimeerde 2] toe te delen tegen (primair) de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de feitelijke verdeling, subsidiair de agrarische waarde en te bepalen dat [geïntimeerde 2] wettelijke rente is verschuldigd in geval van een eerdere peildatum;

  3. voor het geval [geïntimeerde 2] wel een beroep kan doen op het recht van eerste koop van het woonhuis: te verklaren dat sprake is van een gift ter grootte van het verschil tussen de economische waarde van het woonhuis op de datum van feitelijke verdeling of op 12 juli 2006 of op 5 december 2006.

4.2

[geïntimeerden] komt in het incidenteel hoger beroep met vier grieven genummerd I-IV op tegen beslissing van de rechtbank en vordert vernietiging van de vonnissen van 27 februari 2013, 10 september 2014 en 26 april 2017 voor zover die ten grondslag liggen aan de beslissing van de rechtbank in 3.5 en 3.6 van het vonnis van 26 april 2017 en alsnog afwijzing van de vorderingen van [appellanten] in conventie die tot deze beslissing hebben geleid met bekrachtiging voor het overige, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

De geschilpunten in het principaal en het incidenteel hoger beroep hangen samen. Het hof zal deze gezamenlijk bespreken en beoordelen.

5.2

De geschilpunten die achtereenvolgens aan de orde komen zijn:

  1. verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder en de nalatenschap van vader;

  2. de vordering/verbintenis uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst en het beroep op verjaring;

  3. het melkquotum;

  4. de verdeling van het woonhuis aan de [adres 1] ;

  5. vergoeding voor het gebruik van de woning vanaf het overlijden van moeder;

  6. lening moeder aan [geïntimeerde 2] ;

  7. de bankrekening van moeder.

5.3

Het hof zal [appellanten] in alle vorderingen die zijn ingesteld tegen [geïntimeerde 3] niet-ontvankelijk verklaren. Zij is immers geen deelgenoot in de onverdeeldheden waarvan de verdeling in deze procedure aan de orde is. Zij is ook geen schuldenaar van enige vordering die in deze procedure aan de orde komt. Waar hierna sprake is van ‘partijen’ worden daarmee uitsluitend nog [appellant 1] , [appellant 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bedoeld.

Het hof zal [appellanten] verder niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 13 juni 2012. Daartegen staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hogere voorziening open.

A. verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap en nalatenschap vader

5.4

[appellanten] wil dat de rechter de wijze van verdeling van de nalatenschap van vader en moeder gelast. Omdat de nalatenschap van vader deel uitmaakt van de gemeenschap van goederen die door het overlijden van vader is ontbonden gaat het om de verdeling van die ontbonden huwelijksgemeenschap en de daarin vervatte nalatenschap van vader en van de nalatenschap van moeder, die bestaat uit haar aandeel in die ontbonden huwelijksgemeenschap en haar overige vermogen.

5.5

[geïntimeerden] zegt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van vader al zijn verdeeld. Als dat zo is hoeft de rechter niet de wijze van verdeling daarvan te gelasten en moeten de vorderingen van [appellanten] op dat onderdeel worden afgewezen. [appellanten] is het daarmee niet eens.

5.6

Het hof is van oordeel dat de ontbonden huwelijksgemeenschap en de daarin vervatte nalatenschap van vader kort na zijn overlijden al zijn verdeeld (artikel 3:182 BW). In elk geval mocht [geïntimeerden] gerechtvaardigd erop vertrouwen dat deze verdeling heeft plaatsgehad (artikel 3:35 BW). Het hof motiveert deze beslissing als volgt (onderdelen 5.7 – 5.15).

5.7

Omdat [geïntimeerde 2] na het overlijden van zijn vader gebruik heeft gemaakt van zijn recht de zaken van de maatschap voort te zetten en de activa van de maatschap aan hem zijn verbleven, was hij verplicht aan de rechtverkrijgenden van zijn vader diens aandeel in het kapitaal van de maatschap te betalen. [appellanten] stelt nog dat [geïntimeerde 2] het bedrijf van de maatschap niet heeft voortgezet maar [geïntimeerden] betwist dat uitdrukkelijk en [appellanten] onderbouwt zijn stellingen niet nader. Wel staat vast dat [geïntimeerde 2] op enig moment het bedrijf heeft omgevormd van een veebedrijf in een paardenstalhouderij, maar dat was pas enige tijd na het overlijden van zijn vader en kan niet leiden tot de conclusie dat hij de zaken van de maatschap niet heeft voortgezet en dat de activa niet aan hem zijn verbleven.

In artikel 11 van de maatschapsovereenkomst zijn vader en [geïntimeerde 2] over het uit te keren bedrag het volgende overeengekomen:

“Artikel 11

1. De vennoot, aan wie ingevolge het vorige artikel de activa der maatschap

verblijven, is verplicht aan de andere vennoot of diens rechtverkrijgenden onder

algemene titel uit te keren: diens kapitaal in de maatschap volgens de balans,

opgemaakt per datum waarop de maatschap geëindigd is, vermeerderd met hetgeen

de gewezen vennoot nog te vorderen heeft wegens nog niet opgenomen

winstaandelen (voorzover deze laatste althans niet reeds op zijn kapitaalrekening

zijn geboekt en voor comparant sub 1 (hof: vader) genoemd, eventueel vermeerderd met het bedrag van de in artikel 7 lid 1 bedoelde stille reserves tot maximaal de aldaar genoemde bedragen en vermeerderd met zijn nog niet verrekend aandeel in

verliezen.

2. De uitkering als bedoeld in lid 1 van dit artikel zal ingeval van verblijving aan of

overname door de jongere vennoot, opeisbaar zijn zodra een jaar nu het eindigen

van de maatschap is verstreken.

3. Over de uitkering is een rente verschuldigd gelijk aan het promesse-disconto van de

Nederlandsche Bank bij aanvang van het betreffende rentejaar, ingaande bij het

eindigen der maatschap en af te rekenen bij de betaling.”

De vordering die tegenover de schuld van [geïntimeerde 2] staat behoorde tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder. [geïntimeerde 2] is over zijn schuld vanaf [overlijdensdatum] de overeengekomen rente verschuldigd. De schuld was opeisbaar op 8 oktober 1992.

5.8

Administratiekantoor [administratiekantoor] (hierna: [administratiekantoor] ) heeft na het overlijden van vader een balans gemaakt van de onderneming van de maatschap per [overlijdensdatum] en - met inachtneming van de door hem voorbehouden stille reserves - een berekening gemaakt van bedrijfskapitaal van vader en dat becijferd op ƒ 172.052,88. Deze berekening is gedagtekend op 28 september 1992 en ondertekend door [administratiekantoor] .

5.9

[administratiekantoor] heeft verder een overzicht gemaakt van de bezittingen en schulden van vader en moeder (de ontbonden huwelijksgemeenschap) en het zuiver saldo van de nalatenschap van vader berekend op ƒ 261.028. Dit overzicht is gedagtekend op 29 september 1992 en ondertekend door [administratiekantoor] .

5.10

Deze stukken zijn als bijlagen gevoegd bij de aangifte voor het recht van successie in de nalatenschap van vader die op 29 september 1992 door moeder en de vier kinderen is ondertekend. In deze aangifte zijn de bedragen genoemd die ook zijn vermeld op deze beide stukken. In de aangifte is voor moeder en elk van de kinderen een erfrechtelijke verkrijging opgenomen van ƒ 52.205. Op 20 april 1993 heeft de inspecteur der registratie en successie aan ieder van de kinderen overeenkomstig de aangifte een aanslag successierecht opgelegd van ƒ 3.156,-. Deze aanslag is door moeder voor elk van de kinderen betaald.

5.11

In de aangifte voor de inkomstenbelasting 1991 en de vermogensbelasting 1992 die is opgemaakt door [administratiekantoor] en door deze is ondertekend op 2 december 1992 staat op het overzicht van het vermogen van moeder op 1 januari 1992 een post 'schuld aan kinderen' opgenomen van ƒ 208.820. Dat is het totaal van de erfrechtelijke verkrijgingen van elk van de vier kinderen van ƒ 52.205. Op het overzicht van het vermogen van moeder op 1 januari 1992 zijn verder alle bezittingen en schulden van de ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder als het eigen vermogen van moeder opgenomen. Daaronder is ook een lening u/g [geïntimeerde 2] van ƒ 175.380,20. Op 12 mei 1993 heeft moeder aan [appellant 1] , [appellant 2] en [geïntimeerde 1] elk een bedrag van ƒ 50.000 betaald. Moeder heeft dit bedrag ook aan [geïntimeerde 2] betaald door verrekening met de vordering uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst op hem tot een bedrag van ƒ 50.000. Het vermogen van de ontbonden huwelijksgemeenschap met inbegrip van de vordering op [geïntimeerde 2] uit hoofde van artikel 11 van de maatschapsovereenkomst is ook in de jaren na 1992 telkens als het eigen vermogen van moeder vermeld op de belastingaangiften die [administratiekantoor] voor moeder heeft gemaakt.

5.12

Zowel moeder als de kinderen zijn altijd ervan uitgegaan dat alle bezittingen en schulden die zijn vermeld op de aangifte voor het recht van successie en die behoren tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder vanaf het overlijden van vader aan moeder alleen toebehoorden. Zij zien ook allen moeder als schuldeiser voor de vordering op [geïntimeerde 2] uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst. Zij nemen ook allen aan dat moeder de schulden van de ontbonden huwelijksgemeenschap heeft betaald. Verder is het bedrag van ƒ 50.000 dat moeder aan elk van de kinderen heeft betaald niet anders aan te merken dan als de betaling van een vordering wegens overbedeling van moeder. Dit bedrag is nagenoeg gelijk aan het bedrag van de erfrechtelijke verkrijging van de kinderen van ƒ 52.205 minus het door moeder voor elk van hen betaalde successierecht van ƒ 3.156.

5.13

[appellanten] brengt naar voren dat hij in de veronderstelling was dat de betalingen van ƒ 50.000 waren gerelateerd aan het aanwezig zijn van liquiditeiten vanwege de opbrengst van de verkoop door vader en moeder in 1990 van de [adres 2] (MvA nr. 7). Het zal zeker zo zijn dat moeder in staat was betalingen van ƒ 50.000 aan haar kinderen te doen omdat zij voldoende geld daarvoor had onder meer vanwege de verkoop van een woning in 1990. Dat betekent nog niet dat er ook een andere reden voor het doen van de betalingen aan de kinderen was dan haar overbedeling bij de verdeling en de verplichting aan hen het erfdeel in de nalatenschap van hun vader te betalen. [appellanten] noemt ook geen andere reden voor de betalingen, zoals bijvoorbeeld schenking.

5.14

Aan de eisen die artikel 3:182 BW aan een verdeling stelt is voldaan. Alle hiervoor geschetste gedragingen van moeder en de kinderen zijn aan te merken als een rechtshandeling waartoe zij allen als deelgenoten in de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van vader hebben meegewerkt en krachtens welke moeder alle goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap heeft verkregen met uitsluiting van de kinderen. Uit de schets van de gang van zaken na het overlijden van vader volgt dat moeder en de kinderen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor elk van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit onderbedeling). Protest van [appellanten] in verband met deze financiële consequenties is in elk geval zeer lange tijd, tot het overlijden van moeder in 2006, uitgebleven. Onder deze omstandigheden heeft [geïntimeerden] bovendien in elk geval gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat de anderen hebben ingestemd met de verdeling en met de vaststelling van de samenstelling en omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap (artikel 3:35 BW).

5.15

Daarbij mocht [geïntimeerde 2] ook gerechtvaardigd erop vertrouwen dat de omvang van het uit te keren kapitaal van vader in de maatschap tussen hem en de rechtverkrijgenden onder algemene titel van vader definitief was vastgesteld. Deze vaststelling van de omvang van de vordering/verbintenis uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst bindt moeder en alle kinderen. Er is dan ook geen ruimte meer voor een hernieuwde vaststelling daarvan, ook niet als de eerdere vaststelling anders had gekund of gemoeten. Het hof zal dan ook, anders dan de rechtbank, geen aandacht meer geven aan het debat van partijen over de winstverdeling in de maatschap en de waarderingsmaatstaven die ten aanzien van de aan [geïntimeerde 2] verbleven zaken van toepassing zijn. Geen van de deelgenoten heeft overigens vernietiging van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap of de nalatenschap gevorderd. Voor zover dat wel de bedoeling van [appellanten] is geweest, geldt dat de rechtsvordering daartoe door verloop van drie jaren na de verdeling is vervallen. Die termijn is inmiddels lang verstreken, in elk geval ruim voordat [appellanten] deze zaak aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank.

B. schuld [geïntimeerde 2] uitkering kapitaal vader maatschap (artikel 11 maatschapsovereenkomst)

5.16

De rechtbank heeft vastgesteld dat [geïntimeerde 2] het bedrag van ƒ 172.053 met inbegrip van rente geheel heeft betaald aan zijn moeder en dat tot haar nalatenschap geen vordering meer op [geïntimeerde 2] behoort. Deze vaststelling is in hoger beroep niet bestreden. Het hof moet nog wel de stelling van [appellanten] dat deze betalingen niet aan moeder (alleen) ten goede zijn gekomen bespreken. Dat gebeurt in onderdeel 5.37 hierna.

5.17

Stel dat [appellanten] in weerwil van wat hiervoor is geoordeeld in onderdeel 5.15 (omvang uit te keren kapitaal is definitief vastgesteld) terecht aanvoert dat bij de vaststelling van de vordering/verbintenis uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst niet de juiste maatstaven en uitgangspunten zijn toegepast en dat er aanleiding is die vordering/verbintenis op een ander, hoger bedrag vast te stellen. De rechtbank heeft [appellanten] daarin gevolgd en heeft het bedrag dat [geïntimeerde 2] op grond van artikel 11 verschuldigd is aan de rechtverkrijgenden onder algemene titel van zijn vader bepaald op ƒ 224.264 (vonnis 26 april 2016, onderdeel 2.13/14) en geoordeeld dat hiervan een bedrag groot ƒ 172.053 is betaald (vonnis 26 april 2017, onderdeel 2.2), zodat een schuld van [geïntimeerde 2] resteert van ƒ 52.211. In dat geval rijst de vraag of de rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis voor dat meerdere van ƒ 52.211 is verjaard.

5.18

Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart na verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW). De verplichting van [geïntimeerde 2] om aan de rechtverkrijgenden onder algemene titel het kapitaal van zijn vader in de maatschap uit te keren vloeit voort uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst en is een verbintenis uit overeenkomst tot een geven. De daartegenover staande vordering behoorde tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van vader en moeder en is - zoals hiervoor is overwogen - kort na het overlijden van vader door moeder en de kinderen vastgesteld en aan moeder toegedeeld. De vordering is overeenkomstig de afspraak van vader en [geïntimeerde 2] opeisbaar geworden op 8 oktober 1992. De rechtsvordering tot nakoming is op voet van artikel 3:307 lid BW vijf jaar daarna op 9 oktober 1997 verjaard. [geïntimeerde 2] heeft zich beroepen op verjaring. De verjaring is niet voor 9 oktober 1997 gestuit. Voor zover nu blijkt dat de vordering groter was dan ƒ 172.053 heeft voor dat meerdere hetzelfde te gelden. Ook ten aanzien daarvan geldt dezelfde verjaringstermijn. Ook die verjaring is op 9 oktober 1997 voltooid.

5.19

[appellanten] voert nog aan dat van verjaring geen sprake kan zijn zolang de omvang van de vordering niet is vastgesteld. Dat is niet juist. Dat de omvang van de vordering nog niet bekend zou zijn en pas veel later is vastgesteld, doet niet af aan het ontstaan van de vordering op [overlijdensdatum] , de opeisbaarheid op 8 oktober 1992 van de vordering, de aanvang van de verjaringstermijn op 8 oktober 1992 en de voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming op 9 oktober 1997.

5.20

[appellanten] hanteert een verjaringstermijn van 20 jaar. Ook dat is niet juist. Dat de vordering uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en de daarin vervatte nalatenschap van vader behoorde, betekent nog niet dat de verjaringstermijn van artikel 3:307 lid 1 BW niet van toepassing is. Dat [appellanten] (hernieuwde) vaststelling van de omvang van deze vordering verlangt in een procedure waarin hij een vordering tot verdeling van de nalatenschap van hun vader heeft ingesteld maakt dat niet anders. Wel is denkbaar dat de vordering, voor zover die nog zou hebben bestaan en zou hebben behoord tot de nalatenschap van moeder, is verjaard, maar toch op voet van artikel 3:184 lid 1 BW wordt toegerekend op het aandeel van [geïntimeerde 2] daarin. [appellanten] stellen echter noch het een (vordering behoort tot nalatenschap moeder) noch het ander (toerekening op aandeel [geïntimeerde 2] daarin).

5.21

Het hof is (anders dan de rechtbank) niet van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerden] een beroep doet op verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst. Hiervoor is overwogen dat moeder en de kinderen de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van vader kort na zijn overlijden hebben verdeeld, althans dat [geïntimeerde 2] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat die verdeling tot stand was gekomen. Bij die verdeling is op grond van de stukken van [administratiekantoor] uitgegaan van een omvang van de vordering/schuld uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst van ƒ 172.053. Geen van de kinderen heeft tijdens leven van moeder geprotesteerd tegen de vastgestelde omvang van de vordering. Die vordering is toegedeeld aan moeder. [geïntimeerde 2] heeft deze schuld nog tijdens leven van moeder geheel voldaan. Is het in die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 2] zich op verjaring beroept? Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken. Geen van partijen heeft in het debat in deze procedure aandacht geschonken aan deze rechtsbeginselen en rechtsovertuigingen en ook niet aan betrokken maatschappelijke belangen. Ook het hof ziet in deze zaak geen rechtsbeginselen of rechtsovertuigingen of maatschappelijke belangen waarmee rekening zou moeten worden gehouden. Uiteraard zijn in deze zaak wel de persoonlijke belangen van partijen gebleken. Dat is enerzijds het belang van [geïntimeerde 2] dat hij erop mag vertrouwen dat zijn schuld is vastgesteld en niet na zoveel jaar nog een aanvullende betaling van hem wordt verlangd. Aan de andere kant is er het belang van [appellanten] bij een uitvoering van de maatschapsovereenkomst zoals die volgens hem had behoren te zijn. [appellanten] heeft zijn eigen belang veronachtzaamd door bij de afwikkeling van de nalatenschap te handelen zoals hiervoor is geschetst (onderdelen 5.10 - 5.15) en zich pas veel later en naar nu blijkt veel te laat af te vragen hoe nu precies het kapitaal van vader in de maatschap had moeten worden berekend. In deze omstandigheden past niet het beroep van [geïntimeerde 2] op verjaring onaanvaardbaar te achten.

C. het melkquotum

5.22

Tussen partijen is in geschil of het melkquotum alleen van vader is of is ingebracht in de maatschap of om andere reden tot het vermogen van de maatschap behoort. Als het melkquotum alleen van vader is (gebleven), is het niet bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van vader betrokken en is sprake van een overgeslagen goed dat alsnog moet worden verdeeld. In dit geval zou het vanwege de verkoop van het melkquotum nog gaan over verdeling van de opbrengst daarvan.

5.23

In zijn brief van 11 november 1986 heeft de Minister van Landbouw en Visserij aan de maatschap [vader] & [geïntimeerde 2] meegedeeld dat de aan vader toegekende heffingvrije hoeveelheid (melk) van 69.735 kg met terugwerkende kracht tot het begin van het heffingsjaar 1984/1985 op naam van de maatschap wordt overgeschreven. In deze brief is vermeld dat het de overname van het bedrijf van [vader] (hof: vader) betreft. Het hof leidt daaruit af dat het melkquotum tot het vermogen van de maatschap vanaf het heffingsjaar 1984/1985 is gaan behoren en bij de ontbinding van de maatschap ten gevolge van het verblijvingsbeding is toegedeeld aan [geïntimeerde 2] . Daaraan doet niet af dat het melkquotum niet is opgenomen op de openingsbalans van de maatschap, omdat ten tijde van het opstellen van die balans de tenaamstelling van de heffingvrije hoeveelheid melk op de maatschap nog niet had plaatsgehad. Dat het melkquotum ook niet op de slotbalans staat kan daaraan ook niet afdoen. Vaststaat dat met de waarde van het melkquotum niet zichtbaar rekening is gehouden bij het vaststellen van de omvang van de vordering/verbintenis uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst. Ook staat wel vast dat het melkquotum 'geruisloos' (zonder dat daarover inkomstenbelasting is geheven) is overgegaan op [geïntimeerde 2] en ook niet heeft meegeteld voor het successierecht. Omdat - zoals hiervoor is geoordeeld - de rechtsvordering tot nakoming van de vordering/verbintenis uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst is verjaard, is het niet meer mogelijk alsnog wel rekening te houden met de waarde van het melkquotum en de omvang van de vordering te herrekenen. Daarvoor is het te laat.

D. het woonhuis [adres 1] (hierna ook: de woning)

5.24

Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van de ouders behoorde het woonhuis aan de [adres 1] . De woning is, zoals hiervoor is overwogen, net als alle overige bezittingen toegedeeld aan moeder en behoort tot haar nalatenschap.

Vader, moeder en [geïntimeerde 2] hebben in een notariële akte op 8 november 1985 de volgende afspraak gemaakt:

“De comparanten sub Ia (hof: vader) en II (hof: [geïntimeerde 2] ) zijn de enige vennoten in de tussen hen bestaande maatschap, in welke maatschap is ingebracht het veehoudersbedrijf aan de [adres 1] .

Het woonhuis aan de [adres 1] is niet ingebracht en is eigendom van de comparanten sub I genoemd (hof: vader en moeder).

De comparanten verklaarden te zijn overeengekomen als volgt:

  1. Bij overlijden van de langstlevende van de comparanten sub I heeft de comparant sub II het recht het woonhuis met erf, tuin en toebehoren, staande en gelegen te [woonplaats] , aan de [adres 1] , deel uitmakende van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , sektie F, [sectienummer 5] , te kopen, mits de comparant sub II binnen drie maanden na het overlijden van de langstlevende van comparanten sub I aan de erfgenamen van de langstlevende of aan de boedelnotaris bij aangetekend schrijven kennis geeft, dat hij van zijn recht gebruik maakt.

  2. (…)

De sub A en B vermelde rechten zijn verleend onder de bij niet vervulling ontbindende voorwaarden:

dat bij de eigendomsoverdracht de comparant sub II in leven is;

dat de comparant sub II eigenaar is van het hiervoor bedoelde veehoudersbedrijf of vennoot in voormelde maatschap en het bedrijf door hem alleen of in het verband van bedoelde maatschap wordt uitgeoefend.

Indien deze voorwaarden niet worden vervuld zijn de bij deze overeenkomst toegekende rechten vervallen.

De koopprijs zal worden bepaald naar de agrarische waarde in bewoonde staat.

(…)

De koopprijs zal maximaal bedragen vijf en zestig duizend gulden (ƒ 65.000,--) (…)”

5.25

[geïntimeerde 2] heeft enkele dagen na 5 december 2006 een beroep gedaan op zijn recht van koop. Dat is bijna twee maanden te laat. Hij had dat uiterlijk op 12 oktober 2006 moeten doen. De rechtbank heeft geoordeeld dat een beroep op die vervaltermijn in dit geval onaanvaardbaar is. De rechtbank heeft het woonhuis toegedeeld aan [geïntimeerde 2] tegen een waarde van ƒ 65.000 of € 29.055,47 en bepaald dat [geïntimeerde 2] wegens overbedeling aan [appellant 1] , [appellant 2] en [geïntimeerde 1] ieder € 5.924 moet betalen. Anders dan de rechtbank is het hof niet van oordeel dat een beroep op die vervaltermijn onaanvaardbaar is. Zoals hiervoor (onderdeel 5.21) al is overwogen, moet bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken. Geen van partijen heeft in het debat in deze procedure ten aanzien van dit onderdeel aandacht geschonken aan deze rechtsbeginselen en rechtsovertuigingen en ook niet aan betrokken maatschappelijke belangen. Ook het hof ziet in deze zaak geen rechtsbeginselen of rechtsovertuigingen of maatschappelijke belangen waarmee rekening zou moeten worden gehouden. Uiteraard zijn in deze zaak wel de persoonlijke belangen van partijen gebleken. Dat is enerzijds het belang van [appellanten] dat hij erop mag vertrouwen dat binnen de uitdrukkelijk daarvoor afgesproken termijn van drie maanden vast komt te staan of [geïntimeerde 2] gebruik wil maken van zijn recht tot koop. Aan de andere kant is er het belang van [geïntimeerde 2] de woning te kopen. [appellanten] bij een uitvoering van de maatschapsovereenkomst zoals die volgens hem had behoren te zijn. [geïntimeerde 2] heeft zijn eigen belang veronachtzaamd door niet tijdig gebruik te maken van de mogelijkheid binnen de uitdrukkelijk afgesproken termijn van drie maanden aan de andere erfgenamen te kennen te geven dat hij van zijn recht van koop gebruik wil maken. Hij heeft deze termijn aanzienlijk, met bijna twee maanden, overschreden. In deze omstandigheden past niet het beroep van [geïntimeerde 2] op de vervaltermijn onaanvaardbaar te achten.

5.26

Dat betekent dat het recht van koop van [geïntimeerde 2] is vervallen en dat hij daarvan geen gebruik kan maken. Het hof zal de woning wel toedelen aan [geïntimeerde 2] . Daarvan gaan alle partijen uit. Partijen verschillen van mening over de waarde waartegen die toedeling moet geschieden. De vraag is of redelijkheid en billijkheid hier nopen tot een lagere waardering dan de actuele waarde van de woning in het economisch verkeer, waarbij op voet van artikel 3:12 BW in elk geval rekening moet worden gehouden met de persoonlijke belangen van partijen.

5.27

Vaststaat dat [geïntimeerde 2] eerst alleen en later met zijn gezin in de ouderlijke woning is blijven wonen en daar nog steeds woont. Hij heeft de woning niet van zijn ouders of zijn moeder gehuurd of gepacht. Onduidelijk is wie de kosten van de woning heeft betaald, of [geïntimeerde 2] een deel van die kosten voor zijn rekening heeft genomen en welk deel dat is. [geïntimeerde 2] stelt dat hij in (het onderhoud van) de woning heeft geïnvesteerd, maar concretiseert dat niet. Een aanknopingspunt voor een lagere waardering zou kunnen zijn gelegen in het persoonlijke belang dat [geïntimeerde 2] zou kunnen hebben bij toedeling van de woning en voortzetting van zijn paardenpensionbedrijf, maar [geïntimeerde 2] laat na dat zelf met zoveel woorden naar voren te brengen en biedt ook geen enkel inzicht in de aard en omvang zijn huidige bedrijf en de noodzaak dat bedrijf op dezelfde plek voort te zetten. Tegenover het belang van [geïntimeerde 2] staat het belang van de andere erfgenamen bij een zo hoog mogelijke waardering. In deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding voor een lagere waardering dan de actuele waarde in het economisch verkeer.

5.28

Het hof zal ten aanzien van de verdeling en de waardering van de woning beslissen als volgt en daarbij ook rekening houden met de mogelijkheid dat [geïntimeerde 2] niet in staat is de toedeling van de woning te financieren.

5.29

Het hof is van oordeel dat met de belangen van [geïntimeerde 2] enerzijds en [appellanten] anderzijds naar billijkheid rekening wordt gehouden, indien de actuele waarde van de woning vrij van huur en gebruik wordt vastgesteld en [geïntimeerde 2] in de gelegenheid wordt gesteld de woning tegen deze waarde toegedeeld te krijgen tegen vergoeding aan ieder van de andere deelgenoten van 1/4e van de waarde. Maakt [geïntimeerde 2] van die gelegenheid geen gebruik dan dienen de partijen de netto opbrengst van de woning na verkoop te verdelen.

5.30

Het hof zal bepalen dat de verdeling moet plaatsvinden ten overstaan van een notaris verbonden aan de Baarnse Notarissen die kantoorhouden te 3741 GA Baarn aan de Eemnesserweg 12 (hierna ook: de notaris).

5.31

Indien partijen dat wensen kan in de notariële akte waarbij de woning aan [geïntimeerde 2] wordt geleverd ook de levering aan hem van de onroerende zaken van de maatschap (zie onderdeel 3.3 van het vonnis van de rechtbank van 26 april 2017) die ten gevolge van het verblijvingsbeding aan hem zijn toegedeeld plaatsvinden.

5.32

Het hof zal naar billijkheid rekening houdende met de belangen van partijen de volgende wijze van verdeling van de woning gelasten:

  1. De uitvoering van deze verdeling, in het bijzonder de toedeling van de woning aan [geïntimeerde 2] , dient plaats te vinden bij notariële akte binnen drie maanden na dagtekening van dit arrest. De kosten van de tussenkomst van de notaris en de kosten van levering van de woning komen voor rekening van partijen samen, ieder voor een gelijk deel.

  2. Partijen dienen binnen vier weken na dagtekening van dit arrest allereerst de actuele waarde vrij van huur en gebruik van de woning te laten bepalen door een Register Makelaar Taxateur Wonen aan te wijzen door partijen samen en bij gebreke van overeenstemming door de notaris.

  3. Binnen vier weken nadat de uitkomst van de taxatie door de notaris aan partijen is bekend gemaakt, dient [geïntimeerde 2] door tussenkomst van de notaris aan de andere deelgenoten mee te delen of hij toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde en betaling aan de andere deelgenoten van hun aandeel in de waarde wenst.

  4. [geïntimeerde 2] dient in dat geval tevens door tussenkomst van de notaris aan haar te overleggen: een onvoorwaardelijke offerte van de ABN AMRO Bank of de ING Bank of een andere financier waaruit blijkt dat hij staat is de toedeling te financieren.

  5. Of [geïntimeerde 2] in staat zal zijn de toedeling te financieren hangt uiteraard af van de waarde die de makelaar/taxateur zal bepalen.

  6. Indien [geïntimeerde 2] deze toedeling wenst, zal het hof bepalen dat partijen vervolgens binnen vier weken nadat [geïntimeerde 2] dat aan de andere deelgenoten heeft meegedeeld bij notariële akte dienen over te gaan tot de toedeling van de woning aan [geïntimeerde 2] en dient [geïntimeerde 2] ter gelegenheid daarvan aan de andere deelgenoten hun aandeel in de waarde te betalen via de kwaliteitsrekening van de notaris.

  7. Deze uitspraak zal, voor zover die betrekking heeft op de verdeling van de woning en de uitvoering daarvan, op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treden van de medewerking van [appellanten] aan de notariële akte van toedeling en levering indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • -

    de notaris heeft partijen uitgenodigd de akte van toedeling en levering op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld en heeft hun ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte en een afrekening toegezonden;

  • -

    [appellanten] heeft niet uiterlijk op het door de notaris vastgestelde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van deze akte;

  • -

    het door [geïntimeerde 2] wegens overbedeling verschuldigde bedrag is gestort op de kwaliteitsrekening van de notaris.

Indien geen toedeling aan [geïntimeerde 2] plaatsvindt, dienen partijen de woning op de kortst mogelijke termijn te verkopen en de netto opbrengst bij helfte te verdelen door:

  1. gezamenlijk opdracht te geven aan de door hen of - bij gebreke van overeenstemming door de notaris - te benoemen makelaar om de woning aan een derde te verkopen.

  2. opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;

  3. al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;

  4. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht;

  5. medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage;

gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij helfte te verdelen.

E. vergoeding voor het gebruik van de woning vanaf het overlijden van moeder

5.33

[appellanten] vindt dat [geïntimeerde 2] aan de andere deelgenoten een vergoeding moet betalen voor het gebruik van de woning sedert het overlijden van moeder. [geïntimeerden] is het daarmee niet eens.

5.34

Op grond van artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot, tenzij een regeling anders bepaalt, bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. De deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoten gebruikt, moet de deelgenoten die aldus verstoken zijn gebleven van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van de mede-eigendom (deelgenootschap) recht heeft, schadeloos stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW) tot maatstaf (Parlementaire geschiedenis Boek 3, pagina 587).

5.35

Het hof is van oordeel dat in dit geval de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerde 2] geen vergoeding voor het gebruik hoeft te betalen aan de andere deelgenoten. Het hof slaat daarbij acht op de volgende omstandigheden. Niet is gebleken dat de andere deelgenoten aanspraak hebben gemaakt of maken op het gebruik van de woning. Dat zij verstoken zijn gebleven van het gebruik heeft niet geleid tot schade aan hun kant waarvoor [geïntimeerde 2] hen schadeloos zou moeten stellen. Van meet af aan is duidelijk geweest dat [geïntimeerde 2] de woning zou krijgen, als het niet door gebruikmaking van het kooprecht was, dan in elk geval door toedeling. De kosten die, naar algemeen bekend is, zijn verbonden aan de eigendom van een woning, zijn nimmer ten laste van de andere deelgenoten gekomen, maar gedragen door [geïntimeerde 2] . Doordat partijen terecht zijn gekomen in een langdurige procedure over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders heeft het voor de andere deelgenoten wel veel langer geduurd voordat zij hun aandeel in de woning te gelde kunnen maken (vordering wegens overbedeling). Dat op zich is voor het hof in dit geval tegenover de andere genoemde omstandigheden onvoldoende alsnog te bepalen dat [geïntimeerde 2] gehouden is een gebruiksvergoeding te betalen.

F. lening moeder aan [geïntimeerde 2] (grief IX)

5.36

[appellanten] stelt dat tot de nalatenschap van moeder een lening op [geïntimeerde 2] behoort van € 29.495. Hij wijst op de aangifte successierecht in de nalatenschap van moeder waarin [geïntimeerde 2] deze lening heeft opgenomen. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellanten] en constateert dat [geïntimeerde 2] in deze aangifte de koopsom voor de woning heeft opgenomen voor een bedrag van € 29.495. Hij ging daarbij kennelijk (nog) uit van uitoefening van zijn koopoptie. Omdat van verkoop van de woning geen sprake is, is deze schuld ook niet ontstaan. Overigens heeft [appellanten] het bestaan van een lening van moeder aan [geïntimeerde 2] van dit bedrag niet nader onderbouwd.

G. de bankrekening van moeder (grieven XIV-XVI)

5.37

[appellanten] stelt dat [geïntimeerde 2] mede het beheer had over de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] die op naam van moeder en/of [geïntimeerde 2] stond. Het betoog van [appellanten] komt erop neer dat [geïntimeerde 2] opnames heeft gedaan van deze rekening en zich geld heeft toegeëigend dat van moeder was. [geïntimeerde 2] betwist dat gemotiveerd. [appellanten] volstaat in hoger beroep met een algemeen bewijsaanbod (memorie van grieven nr. 72). Dat is niet voldoende. In hoger beroep mag worden verwacht dat een partij die bewijs aanbiedt voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Het hof zal [appellanten] niet tot bewijs toelaten. De stelling van [appellanten] is niet komen vast te staan.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

De slotsom ten aanzien van de 21 grieven is als volgt:

  • -

    De grieven I-III ten aanzien van de rente over de vordering/schuld uit artikel 11 van de maatschapsovereenkomst falen vanwege de verjaring van de rechtsvordering.

  • -

    De grieven IV-VII ten aanzien van de verdeling van de woning slagen.

  • -

    Grief VII (bis) ten aanzien van de gebruiksvergoeding faalt.

  • -

    Grief VIII ten aanzien van de vraag of de koopoptie van de woning een gift is behoeft geen bespreking.

  • -

    Grief IX ten aanzien van de lening van € 29.495 faalt.

  • -

    De grieven X-XII over de winstverhouding in de maatschap behoeven geen bespreking gelet op de beslissing ten aanzien van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de vaststelling van de vordering/verbintenis van artikel 11 maatschapsovereenkomst.

  • -

    Grief XIII ten aanzien van de voortzetting door [geïntimeerde 2] van de zaken van de maatschap ten tijde van het overlijden van vader faalt.

  • -

    De grieven XIV –XVI ten aanzien van de bankrekening van moeder falen.

  • -

    De grieven XVII-XIX ten aanzien van het melkquotum falen.

  • -

    Grief XX ten aanzien van de verjaring van de vordering/verbintenis van artikel 11 maatschapsovereenkomst faalt.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

De slotsom ten aanzien van de 4 grieven luidt als volgt:

  • -

    Grief I ten aanzien van de onaanvaardbaarheid van het beroep op verjaring van de vordering/verbintenis van artikel 11 maatschapsovereenkomst slaagt.

  • -

    Grief II ten aanzien van de totstandkoming van de verdeling van de nalatenschap van vader slaagt.

  • -

    Grief III ten aanzien van de hernieuwde waardering van de onroerende zaken van de maatschap behoeft geen bespreking meer.

  • -

    Grief IV ten aanzien van het melkquotum slaagt.

in het principaal en incidenteel hoger beroep

6.3

Het hof zal de onderdelen 3.1, 3.2, 3.4 (voor zover het de woning betreft) en 3.5 van het eindvonnis van 26 april 2017 vernietigen en beslissen als volgt. Het hof zal de overige bestreden vonnissen vernietigen voor zover daarin beslissingen zijn genomen die hebben geleid tot de thans vernietigde beslissingen in 3.1, 3.2, 3.4 en 3.5 van het eindvonnis.

6.4

Partijen zijn broers en zussen van elkaar. De procedure betreft de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. Het hof ziet daarin aanleiding voor compensatie van de kosten van de procedure in eerste aanleg en in principaal en incidenteel hoger beroep. Bovendien zijn partijen gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk gesteld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

verklaart [appellanten] niet ontvankelijk in zijn vorderingen jegens [geïntimeerde 3] ;

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 13 juni 2012;

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2017 wat de onderdelen 3.1, 3.2, 3.4 (voor zover het de woning betreft) en 3.5 betreft en vernietigt de overige bestreden vonnissen van 27 februari 2013, 10 september 2014, 8 juni 2016 voor zover daarin beslissingen zijn genomen die hebben geleid tot de thans vernietigde beslissingen in 3.1, 3.2, 3.4 en 3.5 van het eindvonnis;

doet in zoverre opnieuw recht;

gelast partijen over te gaan tot verdeling van de woning aan de [adres 1] als hiervoor in onderdeel 5.30-5.32 is bepaald;

bepaalt dat de verdeling van de woning aan de [adres 1] ten overstaan van een notaris verbonden aan de Baarnse Notarissen die kantoorhouden te 3741 GA Baarn aan de Eemnesserweg 12 dient te geschieden;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2013, 10 september 2014, 8 juni 2016 en 26 april 2017 voor het overige;

compenseert de proceskosten zodat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.