Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6884

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
18/00031
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:4711, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Hoorplicht is niet geschonden omdat het gaat om een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding.

Het Hof ziet geen reden tot het stellen van prejudiciële vragen over de door belanghebbende gestelde strijdigheid van art. 28c van de Invorderingswet met het recht van de Europese Unie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2019-2280
Viditax (FutD), 02-09-2019
V-N Vandaag 2019/1982
NTFR 2019/2280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 18/00031

uitspraakdatum: 27 augustus 2019

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2017, nummer LEE 17/1534, ECLI:NL:RBNNE:2017:4711, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 7 maart 2014 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de naheffingsaanslag vernietigd en belanghebbende een bedrag van € 246 voor proceskosten vergoed. Bij dwangsombeschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een dwangsom ten bedrage van € 20 toegekend.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep ziet op het (niet) vergoeden van rente buiten de regeling van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (IW) om, het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het moet worden opgevat als te zijn gericht tegen (de beschikking inzake) de rentevergoeding ex artikel 28c van de IW, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Op 21 maart 2013 heeft belanghebbende aangifte in de bpm gedaan naar een te betalen bedrag aan bpm van € 4.436. In overeenstemming met de aangifte heeft belanghebbende dit bedrag aan bpm voldaan.

2.2.

Bij brief van 23 augustus 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag kenbaar gemaakt en de gelegenheid gegeven eventueel mondeling te reageren. Op 7 maart 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de bpm opgelegd ten bedrage van € 370.

2.3.

Op 13 maart 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij brief van 9 mei 2014 heeft belanghebbende de gronden van zijn bezwaar aangevuld.

2.4.

Bij brief van 30 september 2014 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende geschreven dat hij ermee kan instemmen dat de behandeling van – onder meer – het bezwaarschrift van belanghebbende wordt aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad met betrekking tot het aan de orde zijnde materiële geschil.

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 21 maart 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag vernietigd en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 246 toegekend. Bij dwangsombeschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een dwangsom ten bedrage van € 20 toegekend.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil of: (i) het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel of de hoorplicht is geschonden, (ii) invorderingskosten dienen te worden terugbetaald, (iii) belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten, (iv) een te laag bedrag aan dwangsom is toegekend, (v) de Rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om toekenning van een passende rentevergoeding buiten artikel 28c van de IW om over de periode van de betaling tot de feitelijke terugbetaling, (vi) belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn, (vii) van belanghebbende te veel griffierecht is geheven, en (viii) of belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente over het griffierecht.

4 Beoordeling van het geschil

Schending Unierechtelijke verdedigingsbeginsel/schending hoorplicht/proceskosten bezwaar

4.1.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij noch voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag noch voor de uitspraak op bezwaar is gehoord, dat aldus vaststaat dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden en dat de zaak naar de Inspecteur moet worden teruggewezen. Belanghebbende heeft er in dit verband op gewezen dat de Inspecteur aan het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten niet tegemoet is gekomen.

4.2.

Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, dat van toepassing is wanneer de administratieve overheid voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen, vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratieve overheid haar besluit wil baseren. Bij de beoordeling of het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, kan van belang zijn dat de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit wordt opgeschort, evenals het bestaan van de mogelijkheid het besluit administratief aan te vechten (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) 20 december 2017, C-276/16, Prequ’Italia Srl, ECLI:EU:C:2017:1010). Dit Unierechtelijke beginsel is uitsluitend van toepassing in situaties waarin het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd.

4.3.

Het Hof is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het Unierecht reeds faalt omdat een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding geen rechtstreeks verband houdt met de bpm als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 18 april 2013, Mariana Irimie, C‑565/11, ECLI:EU:C:2013:250. Daarnaast is het Hof van oordeel dat artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet meebrengt dat de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt, alleen al omdat in het onderhavige geval de naheffingsaanslag is vernietigd (vgl. HR 18 februari 2005, nr. 37690, ECLI:NL:HR:2005:AM3206). Hier voegt het Hof nog aan toe dat evenmin het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, dat eist dat nationale procedurevoorschriften voor het geldend maken van aan het Unierecht ontleende aanspraken niet ongunstiger zijn dan de procedurevoorschriften voor het geldend maken van soortgelijke aan het nationale recht ontleende aanspraken, wordt geschonden.

4.4.

Om diverse redenen baat het beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel belanghebbende niet. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dient te worden nageleefd voordat een bezwarend besluit wordt genomen. Dit betekent dat het beroep op het verdedigingsbeginsel belanghebbende om deze reden al niet kan baten voor zover het de naheffingsaanslag betreft, aangezien dit besluit is vernietigd. Het Hof is van oordeel dat het in de bezwaarfase genomen besluit om aan belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toe te kennen en geen werkelijke proceskostenvergoeding geen bezwarend besluit is in de zin van genoemde jurisprudentie van het HvJ EU. Het Hof wijst er ten overvloede op dat voldoende is dat de belanghebbende de gelegenheid is geboden zijn standpunt nuttig kenbaar te maken. Dit kan ook schriftelijk gebeuren. Belanghebbende dan wel zijn gemachtigde heeft zowel in de fase vóór het opleggen van de naheffingsaanslag (de brief van 23 augustus 2013 waarin aan belanghebbende het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag kenbaar is gemaakt en de gelegenheid is gegeven eventueel mondeling te reageren) als in de bezwaarfase (het bezwaarschrift en de aanvulling daarop) de gelegenheid gekregen het eigen standpunt nuttig kenbaar te maken. Niet is vereist dat een hoorgesprek plaatsvindt. Voorts heeft belanghebbende de naheffingsaanslag niet hoeven betalen. De uitvoering van dit bezwarende besluit is dan ook opgeschort. Tegen de beslissing van de Inspecteur om niet de werkelijke proceskosten te vergoeden, staan beroep en hoger beroep open. Belanghebbende heeft deze beslissing dan ook kunnen voorleggen aan een onafhankelijke rechter, wat hij ook heeft gedaan.

4.5.

De Inspecteur is in bezwaar in zoverre aan belanghebbende tegemoetgekomen dat hij de naheffingsaanslag heeft vernietigd. In zoverre kon de Inspecteur – gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Awb – afzien van het horen van belanghebbende.

4.6.

In de Memorie van Toelichting is over de procedurele aspecten van de beslissing op het verzoek om kostenvergoeding het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 8)

“In de opzet van het wetsvoorstel neemt het bestuursorgaan – desverzocht – in beginsel (eerst) zelf een beslissing omtrent vergoeding van kosten, en wel in de beslissing op het bezwaar- of beroepschrift.

(…)

Een belangrijk uitgangspunt is [..] dat – evenals bij artikel 8:75 van de Awb het geval is – het wettelijk stelsel voorziet in concentratie van rechtsgangen en leidt tot beperking van procedures. Daartoe stellen wij een stelsel voor waarin het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de bestuurlijke voorprocedure alleen mogelijk is indien de belanghebbende in de voorprocedure daarom verzoekt. In dat geval zal daarop door het bestuursorgaan bij de beslissing op het bezwaar of administratief beroep een uitdrukkelijke beslissing moeten worden gegeven. De beslissing op een dergelijk verzoek is daarmee onderdeel van de beslissing op bezwaar of beroep. Tegen die beslissing kan vervolgens desgewenst op de gewone wijze beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. De belanghebbende kan in zijn beroepschrift zo nodig aangeven, dat het beroep tot de beslissing omtrent de vergoeding wordt beperkt. Indien de rechter van oordeel is, dat een verzoek om vergoeding ten onrechte is afgewezen, zal hij het beroep gegrond verklaren en het besluit waartegen beroep is ingesteld, vernietigen. Vervolgens kan hij op basis van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak dan wel in de uitspraak zelf het bestuursorgaan op grond van artikel 8:75, eerste lid, in de kosten van de bestuurlijke voorprocedure veroordelen.”

4.7.

Uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van het Hof dat de beslissing op het verzoek tot vergoeding van proceskosten om doelmatigheidsredenen onderdeel uitmaakt van de beslissing op het bezwaar. Gelet op het uitgangspunt dat het besluit op het verzoek tot vergoeding van de proceskosten gemotiveerd dient te worden genomen, dient de inspecteur bij het nemen van zijn beslissing de normale zorgvuldigheid te betrachten. Indien de belanghebbende heeft verzocht te worden gehoord, dan bestaat voor de inspecteur de verplichting de belanghebbende over zijn verzoek tot vergoeding van de proceskosten te horen. Van het horen kan de inspecteur afzien als zich één van de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen op overeenkomstige wijze voordoet (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2017, nr. 16/00175, ECLI:NL:GHARL:2017:5155; het daartegen ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 6 juli 2018, nr. 17/03586, ECLI:NL:HR:2018:1090 ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 lid 1 Wet RO).

4.8.

De Inspecteur heeft het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten in de uitspraak op bezwaar gemotiveerd afgewezen. De Inspecteur heeft belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend. De Inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar geschreven dat een hoorgesprek naar zijn mening niet is vereist, omdat wordt tegemoetgekomen aan het bezwaar. Het Hof constateert echter dat aan het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten niet is tegemoetgekomen. Van het horen kan ook worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is (artikel 7:3, aanhef en onderdeel b, van de Awb). Het Hof ziet aanleiding de motivering in de uitspraak op bezwaar in die zin te verbeteren. Ook over het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten hoefde de Inspecteur belanghebbende niet te horen, aangezien hetgeen de gemachtigde hierover heeft gesteld in het bezwaarschrift, de aanvulling daarop en de ingebrekestelling tot de conclusie leidt dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Het Hof is van oordeel dat voor vergoeding van de werkelijke kosten in de bezwaarfase geen aanleiding bestaat. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden, van vergaand onzorgvuldig handelen aan de zijde van de Inspecteur, of van tegen beter weten in procederen door de Inspecteur. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.

Invorderingskosten

4.9.

Belanghebbende heeft geklaagd over de in rekening gebrachte invorderingskosten. Volgens belanghebbende dienen deze kosten te worden terugbetaald nu hij in het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gelijk heeft gekregen. Naar het oordeel van het Hof kan deze klacht in de onderhavige procedure inzake de heffing van belastingen niet aan de orde komen. De Rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat zij in de onderhavige procedure geen oordeel kan geven over de door belanghebbende genoemde kosten van het dwangbevel. Het Unierecht noopt niet tot het geven van een dergelijk oordeel.

Dwangsom

4.10.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom ten onrechte ervan is uitgegaan dat hij de ingebrekestelling pas op 6 maart 2017 heeft ontvangen. Belanghebbende stelt dat hij reeds op 24 februari 2017 aan de rechtbank Gelderland per fax een ingebrekestelling heeft verzonden, dat hij de ingebrekestelling, gedagtekend 24 februari 2017, op dezelfde dag ter post heeft bezorgd zodat deze binnen enkele dagen daarna door de Inspecteur moet zijn ontvangen, en – in hoger beroep – dat hij de ingebrekestelling op dezelfde datum ook per e-mail naar de Inspecteur heeft gestuurd.

4.11.

Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Het Hof is van oordeel dat uit de tekst van evenvermeld artikellid en uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 3, blz. 3), kan worden afgeleid dat – gelet op het doel van de ingebrekestelling, te weten de mogelijkheid voor een aanvrager het bestuursorgaan dat verzuimt tijdig te beslissen aan te sporen dit alsnog te doen – de aanvrager de ingebrekestelling aan het bestuursorgaan moet toezenden (ABRvS 9 juli 2014, nr. 201309219/1/A1, ECLI:NL:RVS:2014:2518).

4.12.

In artikel 6:15 van de Awb is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

“1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

(…).

3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.”

4.13.

Over de vraag of artikel 6:15 van de Awb ook geldt voor ingebrekestellingen als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb overweegt het Hof het volgende. Uit de tekst van beide onder 4.13 aangehaalde leden van artikel 6:15 van de Awb volgt ondubbelzinnig dat het artikel enkel ziet op “het bezwaar- of beroepschrift”. De ingebrekestelling wordt niet genoemd. Ook uit de structuur van de Awb kan worden afgeleid dat artikel 6:15 van de Awb niet van toepassing is op ingebrekestellingen voor het verkrijgen van een dwangsom. Hoofdstuk 6 van de Awb bevat algemene bepalingen over bezwaar en beroep, terwijl hoofdstuk 4 van de Awb bijzondere bepalingen over besluiten bevat. Voorts biedt de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6:15 van de Awb naar het oordeel van het Hof geen aanknopingspunt voor het oordeel dat artikel 6:15 van de Awb ook ziet op ingebrekestellingen in het kader van de dwangsomregeling. Het andersluidende standpunt van belanghebbende faalt.

4.14.

Het Hof zal niettemin, zij het ten overvloede, ingaan op de vraag of artikel 6:15, derde lid, van de Awb, hier van toepassing is. In de wetsgeschiedenis is over ‘kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht’ als bedoeld in laatstgenoemde bepaling onder meer het volgende opgemerkt:

“Het bezwaar- of beroepschrift zal na wijziging dus bijna altijd ontvankelijk zijn, tenzij er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Voor dit laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat bij herhaling en willens en wetens een bezwaar- of beroepschrift bij het verkeerde orgaan wordt ingediend. De term «kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht» is ontleend aan artikel 8:75 en is opgenomen als een soort veiligheidsklep om misbruik van de geboden verruiming in artikel 6:15 Awb tegen te gaan.” (Kamerstukken II 1998/99, 26 523, nr. 3, blz. 6)

4.15.

Tijdens een wetgevingsoverleg op 4 december 2000 is namens de regering onder meer het volgende opgemerkt:

“Voor die gevallen waarin men het express verkeerd doet, is een vangnetclausule opgenomen. Als er sprake is van misbruik van procesrecht, geldt die eerste datum van indiening bij een onbevoegd orgaan niet. Dan geldt de regeling dat het op tijd op de goede plaats binnen moet zijn. Op die manier kan misbruik worden voorkomen en wordt de regeling veel eenvoudiger en meer burgervriendelijk.” (Kamerstukken II 2000/01, 26 523, nr. 11, blz. 23)

4.16.

De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat, aangezien hij niet meer per fax of e-mail met de Inspecteur mocht corresponderen, het zijn praktijk is om geschriften, zoals de onderhavige ingebrekestelling, naar het faxnummer van de rechtbank Gelderland te zenden teneinde zekerheid te krijgen dat het geschrift is ontvangen. Het Hof is van oordeel dat door deze handelwijze van de gemachtigde, wiens kennis en handelen op dit punt dient te worden toegerekend aan belanghebbende, sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, derde lid, van de Awb. Gelet op het hiervoor overwogene, komt het Hof tot de conclusie dat de ontvangst van het faxbericht niet bepalend is voor het tijdstip waarop de ingebrekestelling door de Inspecteur is ontvangen.

4.17.

De Inspecteur heeft betoogd dat de per post verstuurde ingebrekestelling, gelet op de datumstempel van de Belastingdienst, door hem op 6 maart 2017 is ontvangen.

4.18.

Wanneer, zoals hier, tussen een belastingplichtige en een inspecteur een geschil ontstaat over de vraag wanneer de in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, bedoelde termijn van twee weken is gaan lopen, rust op de belastingplichtige de last aannemelijk te maken wanneer de ingebrekestelling door de inspecteur is ontvangen. Hierbij kan de belastingplichtige in eerste instantie volstaan met het bewijs van verzending van de ingebrekestelling naar het juiste adres (vgl. HR 28 februari 2014, nr. 13/01830, ECLI:NL:HR:2014:418). Belanghebbende heeft (het tijdstip van) de terpostbezorging niet nader onderbouwd. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet in het leveren van het van hem verlangde bewijs geslaagd. Het Hof gaat ervan uit dat de Inspecteur de per post verzonden ingebrekestelling op 6 maart 2017 heeft ontvangen.

4.19.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een afschrift van de op 24 februari 2017 door een medewerker van de gemachtigde van belanghebbende aan de Belastingdienst toegestuurde e-mail, waarin een gelijkluidende tekst van voormelde ingebrekestelling is opgenomen, overgelegd. De Inspecteur betwist de ontvangst van deze e-mail niet, maar stelt zich op het standpunt dat de datum van ontvangst van deze e-mail niet kan gelden als datum van ontvangst van de ingebrekestelling, omdat de elektronische weg niet is opengesteld voor formele berichten zoals de ingebrekestelling. De Inspecteur verwijst daarvoor naar het besluit van de Staatssecretaris van 15 februari 2016, nr. BLKB 2016/19.

4.20.

Ingevolge artikel 2:15 van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden gezonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Nu de Belastingdienst de verzending per e-mail niet heeft opengesteld voor ingebrekestellingen, is de via deze weg verzonden ingebrekestelling niet geldig.

4.21.

Gelet op het voorgaande is de Inspecteur terecht uitgegaan van een ontvangstdatum van de ingebrekestelling van 6 maart 2017. Vaststaat dat de Inspecteur op 21 maart 2017 uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

4.22.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de dwangsom over één dag is verbeurd en derhalve € 20 bedraagt. De dwangsombeschikking is daarom juist.

Passende rentevergoeding

4.23.

Belanghebbende heeft ook in hoger beroep gesteld dat de artikel 28c van de IW in strijd is met het recht van de Europese Unie en heeft ter zitting van het Hof verklaard bewust geen beschikking van de ontvanger op grond van artikel 28c van de IW te hebben gevraagd, maar in dit verband in hoger beroep uitsluitend op te komen tegen het oordeel van de Rechtbank dat zij zich onbevoegd heeft verklaard om te beslissen op het verzoek zonder toepassing van artikel 28c van de IW een rentevergoeding toe te kennen.

4.24.

Op grond van artikel 28c, eerste lid, van de IW wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur is gehouden belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de IW, voor zover van belang, beslist de ontvanger op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4.25.

De wetgever heeft met de inwerkingtreding van artikel 28c van de IW beoogd dat bij uitsluiting de ontvanger bevoegd is om op de voet van artikel 30, eerste lid, van de IW bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter aan de beoordeling van die beschikking inzake invorderingsrente toekomen. De Rechtbank heeft zich dan ook terecht onbevoegd verklaard met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om toekenning van een passende rentevergoeding buiten artikel 28c van de IW om over de periode van de betaling tot de feitelijke terugbetaling (vgl. HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:2017:341). De stelling van belanghebbende dat de renteregeling zoals opgenomen in artikel 28c van de IW in strijd is met het Unierecht, dient te worden verworpen. Het Hof verwijst voor de gronden daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790.

4.26.

Ten overvloede overweegt het Hof nog dat belanghebbende tegen het oordeel van de Rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het moet worden opgevat als te zijn gericht tegen (de beschikkingen inzake) de rentevergoeding ex artikel 28c van de IW in hoger beroep niet is opgekomen, zodat de juistheid van dat oordeel door het Hof niet hoeft te worden beoordeeld.

4.27.

Het Hof ziet geen redenen tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. De namens belanghebbende ingebrachte argumenten maken dat niet anders.

Vergoeding immateriële schade

4.28.

Het Hof is, met de Rechtbank, van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

4.29.

Belanghebbende heeft op 13 maart 2014 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 30 september 2014 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende geschreven dat hij ermee kan instemmen dat de behandeling van – onder meer – het bezwaarschrift van belanghebbende wordt aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad met betrekking tot het aan de orde zijnde materiële geschil. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat voormelde aanhouding heeft plaatsgevonden op verzoek van belanghebbende. Belanghebbende heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hetgeen in de brief van 30 september 2014 is vermeld, de gemaakte afspraken niet weergeeft. Uit de tekst van de ingebrekestelling, met dagtekening 24 februari 2017, waarin melding wordt gemaakt van de aanhouding en van het feit dat de Hoge Raad inmiddels arrest heeft gewezen, volgt juist het tegendeel. De door belanghebbende aangevoerde invorderingshandeling leidt niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad heeft op 27 januari 2017, nr. 15/02273, (ECLI:NL:HR:2017:45) arrest gewezen in de met betrekking tot het materiële geschil vergelijkbare zaak. Naar het oordeel van het Hof dient de periode tussen 30 september 2014 en 27 januari 2017 bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing te worden gelaten.

4.30.

De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 12 december 2017. Gelet op het voorgaande is daarmee de redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase niet overschreden. Nu het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, is de redelijke termijn ook in de hogerberoepsfase niet overschreden. Het betoog van belanghebbende dat een andere rechter dan degene die de hoofdzaak behandelde, had moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van die hoofdzaak, faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623.

Hoogte griffierecht

4.31.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar het arrest Kantarev (HvJ EU 4 oktober 2018, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807) gesteld dat de Rechtbank te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de hoogte van de betwiste vordering. Volgens belanghebbende is het bedrag aan griffierecht dusdanig buitensporig dat daadwerkelijke toegang tot het Unierecht in volle omgang niet is gewaarborgd.

4.32.

Het Hof overweegt dat het de wetgever vrijstaat te kiezen voor een vast griffierecht, zonder rekening met de hoogte van het (proces)belang. Dat de toegang tot de rechter afhankelijk is gesteld van de betaling van een dergelijk vast griffierecht brengt op zichzelf niet mee dat sprake is van een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter als bedoeld in het arrest Kantarev. In het onderhavige geval heeft de Rechtbank een griffierecht van € 168 geheven en het Hof een griffierecht van € 253. Het Hof acht deze van belanghebbende geheven bedragen in het onderhavige geval niet buitenproportioneel en geen onoverkomelijk obstakel. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende bij betalingsonmacht om (gedeeltelijke) vrijstelling van het griffierecht had kunnen verzoeken. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven zijn financiële situatie, in aanmerking komt voor vrijstelling van het verschuldigde griffierecht.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. De vraag of wettelijke rente over het griffierecht dient te worden vergoed en of belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van de werkelijke proceskosten, behoeft daarom geen behandeling.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 27 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 augustus 2019

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.