Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6879

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
200.248.463/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop van een roerende zaak. Koopovereenkomst definitief tot stand gekomen?

Nee, uit correspondentie blijkt voorbehoud van bezichtiging. Koper kon na bezichtiging daarom nog afzien van beoogde koop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.248.463/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle 6532584)

arrest van 27 augustus 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , Canada,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E. Schriemer, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] , België,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.J. Berends, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 13 maart 2018 en 17 juli 2018 die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 16 oktober 2018,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep – samengevat – vernietiging van het vonnis van 17 juli 2018, met toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.7. van het vonnis van 17 juli 2018.

Aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens vast staan, komen de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, neer op het volgende.

3.1

[appellant] heeft op een website, Tweedehands.net, een tractor te koop aangeboden voor een richtprijs van € 3.450,-. [geïntimeerde] heeft begin april 2013 daarop gereageerd en partijen zijn met elkaar per e-mail in correspondentie getreden over aankoop van de tractor door [geïntimeerde] . Op 22 april 2013 mailt [geïntimeerde] aan [appellant] :

Indien de tractor werkelijk in goede staat is wil ik er 3000 EUR voor geven. Probleem is een beetje de afstand. Ik zie dat het voor mij 3 uur rijden is. Als de tractor dan niet meevalt, ben ik een ganse dag in de auto kwijt natuurlijk.

In antwoord daarop bericht [appellant] :

Trekker is goed, daar hoef je niet over in te zitten. (…) Ik doe er 100 euro af voor de brandstof, dus 3150,- euro, akkoord?

Daarop laat [appellant] weten dat de prijs “ok” is. Nadat [appellant] [geïntimeerde] met het oog op het transport van de tractor heeft geïnformeerd over de afmetingen daarvan, spreken partijen af dat [geïntimeerde] op zaterdag 27 april 2013 naar het bedrijf Mekelenkamp Hydrocultuur (hierna: Mekelenkamp) in Nieuwleusen zal komen, waar de tractor gestald staat. [geïntimeerde] deelt mee dat hij cash geld mee zal nemen en schrijft dat hij hoopt ter plaatse wat uitleg te krijgen over de werking van de tractor en dat hij wil checken dat alles functioneert. [appellant] deelt mee dat alles geregeld is, dat de tractor buiten klaar zal staan en dat als hij vragen heeft hij op de website van Mekelenkamp alle informatie kan vinden.

3.2

[geïntimeerde] is op 27 april 2013 bij Mekelenkamp geweest. Hij heeft de tractor, die buiten klaar stond, bekeken en is vervolgens weer weggereden. Bij die bezichtiging was verder niemand van Mekelenkamp aanwezig. Ook [appellant] was er niet.
’s Avonds mailt [appellant] aan [geïntimeerde] dat hij dacht dat [geïntimeerde] de tractor zou ophalen.

[geïntimeerde] reageert:

Ik ben niet voor de lol tot ginder gereden. Heb er in totaal 8 uur over gedaan, heen en weer, files inbegrepen. Ik heb de tractor bekeken, en heb besloten hem niet te kopen voor die prijs.

[appellant] laat daarop weten dat [geïntimeerde] te laat is met zijn besluit om de tractor niet te kopen. Volgens [appellant] is er een koopovereenkomst tot stand gekomen en beantwoordt de tractor ook aan die overeenkomst. Hij sommeert [geïntimeerde] tot betaling van de koopprijs van € 3.150,- voor 1 mei 2013 onder aanzegging van de wettelijke rente en deelt mee dat er vanaf die datum € 150,- per maand aan stallingskosten bijkomt.

[geïntimeerde] heeft op die mail niet meer gereageerd.

3.3

Bij brief van 29 mei 2015 sommeert de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] om de overeenkomst na te komen. Naast de koopprijs wordt aanspraak gemaakt op een bedrag van € 3.750,- aan stallingskosten en € 268,- aan inmiddels verschenen rente, in totaal een bedrag van € 7.168,-.
Na een herhaalde sommatie op 19 juni 2017 laat [geïntimeerde] per e-mail van diezelfde dag aan de advocaat van [appellant] weten dat hij na zijn mail met uitleg waarom de koop niet doorging, nooit een mail of brief meer heeft ontvangen. Hij schrijft verder:

En nu na 4 jaar komt u hiermee af?
Ik ben zeer beleefd geweest in mijn laatste mail, vermits de tractor die op het internet werd geafficheerd totaal niet de tractor was die men mij wou verkopen. Na 8 uren rijden moest ik constateren dat men mij een hoop schroot wou verkopen, en dat men andere foto’s had gebruikt om op internet te zetten.

Aan de sommatie heeft [geïntimeerde] verder niet voldaan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.678,75, als volgt gespecificeerd:
- € 3.150,- aan hoofdsom,
- € 7.350,- aan stallingskosten,
- € 975,- aan buitengerechtelijke kosten,
- € 1.203,75 aan reeds verschenen wettelijke rente,
onder veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe in de kern overwogen dat tussen partijen een koopovereenkomst op proef tot stand is gekomen onder de opschortende voorwaarde dat de tractor naar de waardering van [geïntimeerde] in goede/uitstekende staat zou verkeren, dat die voorwaarde niet is vervuld en dat de koopovereenkomst daarom niet heeft geleid tot verbintenissen over en weer.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

De zaak heeft internationaalrechtelijke aspecten nu [geïntimeerde] ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg in België woonachtig was (en ook nog steeds is). [appellant] woont nu weliswaar in Canada, maar woonde toen (onweersproken) in Nederland.

Op grond van artikel 7 aanhef en lid 1 sub b respectievelijk artikel 26 lid 1 van Brussel I-bis heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
In eerste aanleg heeft de rechter het geschil beoordeeld naar Nederlands recht. Partijen hebben daartegen in hoger beroep geen bezwaren geuit, zodat ook in hoger beroep het geschil naar Nederlands recht beoordeeld zal worden.
Het betreft hier een vordering gegrond op een (beweerdelijke) koop van een roerende zaak.
Het hof leidt uit de correspondentie tussen partijen af dat [geïntimeerde] de tractor beoogde aan te schaffen voor persoonlijk gebruik. Het Weens Koopverdrag is daarmee niet op dit geschil van toepassing. Ook partijen hebben in hun stellingen geen aansluiting gezocht bij dat verdrag.

5.2

[appellant] is met drie grieven (genummerd 1 tot en met 3) opgekomen tegen het vonnis van de kantonrechter.

5.3

De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen waaruit verbintenissen zijn voortgevloeid. Volgens [appellant] volgt uit de tussen partijen gevoerde correspondentie dat na de toezegging van [appellant] dat de tractor goed is, tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen, middels aanvaarding door [geïntimeerde] van het aanbod van [appellant] .

Als [geïntimeerde] dan stelt dat de tractor niet aan de overeenkomst beantwoordt dient hij dat te bewijzen, wat hij niet heeft gedaan, aldus [appellant] .

5.4

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. In de correspondentie had hij aangegeven dat hij verlangde dat de tractor in uitstekende staat zou verkeren. Uitsluitend indien de tractor in die staat zou verkeren, zou na bezichtiging een koopovereenkomst gesloten kunnen worden. Bij bezichtiging bleek de tractor zich echter niet in goede staat te bevinden.
Voor zover door de overeenstemming over koopprijs en afleverdatum niettemin wel een koopovereenkomst tot stand zou zijn gekomen, geschiedde dat onder de opschortende voorwaarde van een bij bezichtiging in goede staat verkerende tractor, welke voorwaarde niet is vervuld.

5.5

Een (koop)overeenkomst komt tot stand door de overeenstemmende en (uitdrukkelijk en/of stilzwijgend) tot uitdrukking gebrachte wil van partijen gericht op de totstandkoming van die overeenkomst. Of een overeenkomst tot stand is gekomen is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard, wat zij uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW) (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BQ2213).

5.6

Partijen beroepen zich voor hun stellingen allebei op de tussen hen gevoerde correspondentie voorafgaand aan 27 april 2013. Niet gesteld en evenmin gebleken is dat zij daarnaast nog op andere wijze met elkaar hebben gecommuniceerd. De voorliggende vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de tractor, dient met inachtneming van voormelde maatstaf derhalve te worden beantwoord aan de hand van die correspondentie, tegen de achtergrond van de door [appellant] op Tweedehands.nl geplaatste verkoopadvertentie.

5.7

Het hof is van oordeel dat uit die correspondentie (zie rov. 3.1) niet de conclusie kan worden getrokken dat op of voorafgaand aan 27 april 2013 tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de tractor.
Weliswaar blijkt uit die correspondentie dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de prijs van de tractor en over een plaats en datum voor de levering, maar ook dat [geïntimeerde] daarbij het voorbehoud heeft gemaakt dat hij de tractor wel gezien wilde hebben en zich er van vergewist wilde hebben dat die technisch in orde was. Het hof leest, anders dan [appellant] , in de correspondentie niet dat [geïntimeerde] dat voorbehoud op enig moment heeft prijs gegeven. In aanmerking nemend dat de onderhandelingen over de koop plaats hadden gevonden op basis van de (internet)advertentie en daarbij geplaatste foto’s, dus op afstand en zonder dat [geïntimeerde] de tractor zelf al had gezien, acht het hof een voorbehoud van bezichtiging en inspectie alleszins voor de hand liggend: het is, zeker bij de koop van tweedehands goederen, niet ongebruikelijk dat een koper pas definitief over een voorgenomen aankoop beslist nadat hij het te kopen goed met eigen ogen heeft gezien en heeft kunnen testen. [appellant] mocht er gelet op dat voorbehoud (dus) niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat [geïntimeerde] (ongezien) al vóór 27 april 2013 zijn aanbod definitief had aanvaard.
Daarmee was de koopovereenkomst nog niet definitief en behield [geïntimeerde] de vrijheid om, zoals hij heeft gedaan, bij gelegenheid van de bezichtiging van de tractor van de koop af te zien. Het hof merkt op dat [geïntimeerde] zich (veel) moeite heeft getroost om de tractor te bezichtigen; onweersproken heeft hij daarvoor 8 uur in zijn auto moeten rijden.

Aangenomen mag dan worden dat [geïntimeerde] niet lichtvaardig heeft afgezien van de koop, maar dat de tractor (inderdaad) niet overeenkwam met de (subjectieve) verwachtingen die hij, ook in relatie tot de prijs, daarvan had. Omdat [appellant] zelf niet bij de bezichtiging aanwezig was heeft hij zich de mogelijkheid ontnomen om [geïntimeerde] nog op andere gedachten te brengen. Dat dient echter voor zijn rekening en risico te worden gelaten.

5.8

Aan het door [appellant] gedane bewijsaanbod gaat het hof voorbij. Het aanbod heeft deels betrekking op stellingen die in het licht van wat hiervoor is overwogen niet van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak en ziet voor het overige niet op concrete, door [geïntimeerde] betwiste stellingen. Dat geldt ook voor het aanbod van [appellant] om zichzelf en [geïntimeerde] nader te horen over de gemaakte afspraken en de bedoeling van partijen; [appellant] heeft geen concrete (en betwiste) feiten en omstandigheden aangevoerd die hij daarmee wil bewijzen.

5.9

De conclusie is dat de grieven 1 en 2 falen en dat de vorderingen van [appellant] (dus) niet berusten op een deugdelijke grondslag.

In het falen van de grieven 1 en 2 ligt besloten dat ook grief 3, die is gericht tegen de kostenveroordeling in eerste aanleg faalt.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en € 1.074,- voor salaris advocaat.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 17 juli 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. W.P.M. ter Berg en mr. J.H. Kuiper en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

27 augustus 2019.