Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:686

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
200.250.338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling.

Niet te goeder trouw ten aanzien van ontstaan en onbetaald laten schulden. Geen toepassing hardheidsclausule. Aard en omvang schulden. Onvoldoende stabiele en bestendige situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.250.338

(zaaknummers rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 223588 en 223589)

arrest van 28 januari 2019

in de zaak van:

[Appelant1]

en

[Appelant2] ,

beiden wonende te [Woonplaats] ,

appellanten,
hierna: [Appelanten] ,

advocaat: mr. M.E. van der Lee-Klein Rot.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 november 2018 is het op 10 oktober 2018 ingediende verzoek van [Appelanten] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 27 november 2018 ingekomen verzoekschrift zijn [Appelanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 november 2018. [Appelanten] hebben het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog op hen de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen en van twee brieven met bijlagen van 11 januari 2019 van mr. Van der Lee-Klein Rot.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019. Daarbij zijn [Appelanten] in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Lee-Klein Rot. Voorts is verschenen de op 13 oktober 2016 benoemde beschermingsbewindvoerder, [Bewindvoerder] van Stichting Humanitas Inkomensbeheer (hierna: Humanitas).

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[Appelant1] , geboren op [Geboortedatum] , en [Appelant2] , geboren op [Geboortedatum] , zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Samen hebben zij drie minderjarige kinderen.
Een van deze kinderen (een zoon) heeft een vorm van autisme en volgt speciaal onderwijs. Op basis van verdenking van MS is deze zoon in december 2018 en januari 2019 onderzocht; (verder) neurologisch onderzoek vindt plaats op 18 februari 2019. Een dochter van [Appelanten] heeft epilepsie en zit bij [School] op school.

[Appelant1] was in het verleden fulltime werkzaam in de bouw. Op 19 december 2015 is hij als fietser aangereden door een automobilist. Vanaf die datum heeft hij geen betaald werk meer verricht. Na het ongeval heeft [Appelant1] langdurig gerevalideerd en nazorg gekregen. De in verband met het ongeval ingestelde letselschadeprocedure is nog niet afgerond. Ter zitting in hoger beroep heeft [Appelant1] verklaard dat hij in afwachting is van het van advies van de medisch adviseur over de mate van toerekenbaarheid en over de vraag of bij hem al dan niet sprake is van een medisch eindstadium. De verzekeraar van de wederpartij heeft tot dusver 50% schuld erkend en lijkt niet tot verdergaande concessies bereid te zijn. Over een eventuele toekenning van smartengelduitkering aan hem kon [Appelant1] dan ook geen nadere mededelingen doen.
Omdat een door de gemeente ingeschakelde arbeidsdeskundige in het kader van de door [Appelant1] in acht te nemen inspanningsverplichting jegens de gemeente geen passend werk voor [Appelant1] heeft kunnen vinden, is een verdere herbeoordeling van zijn arbeidsvermogen uitgesteld tot het moment dat - volgens de verklaring van [Appelant1] - de rust in zijn gezin (verder) zou zijn teruggekeerd en zijn (op 3 november 2014 geboren) jongste kind naar de basisschool zou gaan. De afspraak die [Appelant1] op 6 december 2018 had met een nazorgverpleegkundige van [School] is uitgesteld en verplaatst naar 31 januari 2019. Drie dagen eerder, op 28 januari 2019, heeft [Appelant1] een gesprek met een participatiebegeleider van de gemeente. In dat gesprek zal gekeken gaan worden naar de mogelijkheden voor [Appelant1] om (op termijn) weer aan het arbeidsproces deel te nemen. Met het oog daarop gaat [Appelant1] een cursus volgen voor 18 uur per week.
[Appelant2] heeft na de geboorte van haar oudste kind op 16 januari 2009 een postnatale depressie gehad. Hiervoor heeft zij onder behandeling gestaan van Mediant.
Sinds langere tijd kampt zij met het prikkelbare darmsyndroom, waarvoor zij zware pijnstillers gebruikt en onder behandeling staat van een MDL-arts en een gynaecoloog.
In verband met een sluimerende blindedarmontsteking heeft [Appelant2] op 28 januari 2019 een afspraak met een chirurg. Daarnaast heeft zij astma en staat zij voor pijnklachten aan haar arm en been onder behandeling van een neuroloog. Verder is bij haar tweeënhalf jaar geleden een chronische huidziekte vastgesteld, waarvoor zij een aantal operaties zal moeten ondergaan. Hiervoor staat zij sinds augustus 2018 op de wachtlijst van het Erasmus Medisch Centrum (EMC) in Rotterdam. De wachttijd voor de eerste operatie is ongeveer een half jaar. De eerstvolgende afspraak bij het EMC is op 18 februari 2019 .
Tot slot heeft [Appelant2] ter mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij anderhalf week geleden bij de huisarts is geweest in verband met een depressie. De huisarts heeft haar doorverwezen naar een psycholoog.
[Appelanten] ontvangen een uitkering ingevolge de Participatiewet. [Appelant2] werkt daarnaast parttime bij PostNL (6 uur per week volgens het arbeidscontract; volgens [Appelant2] gemiddeld 12 tot 15 uur per week).

3.2

De schuldenlast van [Appelanten] bedraagt volgens het verzoekschrift Wsnp ex art. 284 Fw in totaal bijna € 125.000.
Tot deze schuldenlast behoren onder meer:
- twee schulden aan de belastingdienst van in totaal € 8.264 (waaronder een schuld van
[Appelant1] inzake inkomstenheffing 2015 van € 1.446 en twee schulden van [Appelant2] inzake
inkomstenheffing 2014 van € 807 en motorrijtuigenbelasting 2016 van € 246);
- een schuld aan de gemeente Enschede van € 6.353,16 (ontstaan op 1 december 2016);
- een schuld aan DUO van € 11.493,95 (ontstaan op 31 januari 2007);
- een schuld aan Hoist Kredit AB van € 1.426,45 (ontstaan op 1 april 2012) en € 51.169,11
(ontstaan op 9 maart 2013);
- een schuld aan Daniels Huisman Advocaten van € 2.019,23 (ontstaan op 27 januari 2015)
en
- een schuld aan het CJIB van € 1.994.
Deze laatste schuld bestaat volgens het overzicht van het CJIB van 5 april 2018 uit twee voor een onverzekerde scooter opgelegde boetes uit 2014.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [Appelanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

3.4

Het hof oordeelt als volgt. Hoewel een substantieel deel van de totale schuldenlast van [Appelanten] meer dan vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop zij hun verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hebben ingediend, is ontstaan, hebben [Appelanten] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van enkele andere nog wel binnen de vijfjaarstermijn gelegen schulden de goede trouw niet, dan wel onvoldoende, aannemelijk gemaakt. Het gaat daarbij in het bijzonder om de naar de aard als niet te goeder trouw aan te merken schuld van [Appelant2] uit 2014 aan het CJIB en de belastingschulden van [Appelant1] (€ 1.446 aan inkomstenheffing 2015) en [Appelant2] (€ 807 aan inkomstenheffing 2014 en € 246 aan motorrijtuigenbelasting 2016).

3.5

Daar komt voor [Appelant2] bij dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de periode van vijf jaar voor indiening van haar toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest bij het onbetaald laten van haar schulden.
Op [Appelant2] rustte en rust de verplichting om haar schuldenlast zoveel mogelijk te beperken en waar mogelijk af te lossen op bestaande schulden.
In dit verband heeft [Appelant2] aangevoerd dat zij ondanks haar uiteenlopende medische klachten en de daarmee verband houdende problemen zoveel mogelijk heeft getracht te werken. Meer dan haar huidige (eenmaal verlengde) arbeidscontract bij PostNL en haar in het verleden bij McDonalds verrichte parttime schoonmaakwerkheden heeft zij echter niet genoemd.
Waar het hier met name aan ontbreekt is een gedocumenteerd overzicht waaruit kan worden afgeleid welke inspanningen (betaald werk dan wel sollicitatieactiviteiten) [Appelant2] gedurende de voor haar geldende vijfjaarstermijn heeft geleverd. Nu [Appelant2] daarin (verder) geen inzicht heeft verschaft, is niet aannemelijk geworden dat zij zich in de vijfjaarstermijn in voldoende mate heeft ingespannen om schulden te voorkomen dan wel haar bestaande schuldenlast te verminderen.

3.6

Op grond van het voorgaande kunnen [Appelanten] in beginsel niet tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden toegelaten.
Het verzoek om tot die regeling te worden toegelaten kan, niettegenstaande het feit dat, zoals in dit geval, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288 eerste lid, aanhef en onder b Fw zich voordoet, ingevolge het bepaalde in het derde lid van dat artikel toch worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de hardheidsclausule).

3.7

Het gaat bij de toepassing van deze clausule om de oorzaak van de problematiek, welke oorzaak de schuldenaar aantoonbaar onder controle moet hebben gekregen en waarbij in het algemeen is vereist dat de schuldenaar een (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Met andere woorden: er dient sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

3.8

[Appelanten] hebben hiertoe in de kern het volgende aangevoerd.
In verband met hun problematische schuldensituatie hebben zij zich in het verleden tot de Stadsbank gewend en vervolgens (toen zij meer dan twee maanden geen weekgeld hadden ontvangen) tot Humanitas. Zij kunnen al langere tijd rondkomen van het beperkte budget in het beschermingsbewind (€ 100,- per week). Sinds beschermingsbewind is ingesteld, zijn geen nieuwe schulden meer ontstaan en hebben zij enigszins kunnen aflossen op bestaande schulden.

3.9

Hoewel hetgeen door [Appelanten] is aangevoerd duidt op positieve ontwikkelingen, zijn deze ontwikkelingen thans nog, mede gelet op de aard en de omvang van de schulden, onvoldoende om toepassing te geven aan de hardheidsclausule en daarmee voorbij te gaan aan de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 288 eerste lid, aanhef en onder b, Fw.
Ten aanzien van [Appelanten] kan nog onvoldoende worden gesproken van een stabiele en bestendige situatie, die gelet op de door hen na te leven strikte regels in een wettelijk schuldsaneringstraject essentieel is.
Wat betreft [Appelant1] gaat het meer in het bijzonder om zijn werksituatie. Uit de hiervoor onder rov. 3.1 genoemde feiten en omstandigheden is gebleken dat nog veel onzekere factoren bestaan met betrekking tot een eventuele werkhervatting door [Appelant1] . Gesprekken hierover moeten nog plaatsvinden en [Appelant1] gaat nog een cursus volgen.
Wat betreft [Appelant2] gaat het met name om haar gezondheidssituatie. Uit de onder rov. 3.1 vermelde reeks aan gezondheidsklachten blijkt dat [Appelant2] een zware en intensieve periode doormaakt en dat er vooralsnog geen concreet uitzicht op verbetering daarin bestaat. Diverse medische onderzoeken zijn nog gaande, [Appelant2] zal nog meermalen geopereerd moeten worden en de behandeling voor de onlangs bij haar vastgestelde depressie moet nog een aanvang nemen. Daarmee is ook haar persoonlijke situatie nog onvoldoende stabiel om thans een verantwoord begin te maken met een wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.10

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing


Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 november 2018.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, F.J.P. Lock en S.M. Evers, en is op
28 januari 2019 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.