Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:685

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
200.250.433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling. Onderzoek FIOD. Strafrechtelijke veroordeling na toelatingsbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.250.433

(insolventienummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: C 08/17/696 R)

arrest van 28 januari 2019

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,
hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. D.R. Changoer.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), van 14 oktober 2015 is [appellant] op eigen aangifte failliet verklaard.

1.2

Op 14 januari 2017 heeft [appellant] de rechtbank verzocht het faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dat verzoek is behandeld ter terechtzitting van 1 maart 2017. Kort gezegd wegens onzekerheid over de uitkomsten van een door de FIOD tegen [appellant] en zijn toenmalige werkgever ingesteld onderzoek (en in het verlengde daarvan een mogelijk strafrechtelijke vervolging) is, met instemming van [appellant] , de beslissing op het omzettingsverzoek voor een half jaar aangehouden.
Ter zitting van 26 september 2017 heeft de rechtbank de behandeling van het omzettingsverzoek voortgezet. Bij vonnis van de rechtbank van 3 oktober 2017 is het ten aanzien van [appellant] uitgesproken faillissement opgeheven, onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.3

Bij vonnis van de rechtbank van 20 november 2018 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] , op verzoek van de bewindvoerder, H.J. Koop, tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 28 november 2018 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 november 2018. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de bewindvoerder alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans het verzoek van de bewindvoerder tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met bijlagen van 8 januari 2019 van de bewindvoerder en de op 10 januari 2019 van mr. Changoer ontvangen stukken.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019. Daarbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Changoer. Ook de bewindvoerder is verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Bij vonnis van 30 juli 2018 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, [appellant] veroordeeld voor het in de periode van

1 januari 2011 tot en met 1 december 2015 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opmaken van valselijke aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2014 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
Bij vonnis van gelijke datum heeft die rechtbank het door [appellant] wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 15.369. De rechtbank heeft de betalingsverplichting van [appellant] op nihil gesteld omdat zijn inkomen en dat van zijn echtgenote op bijstandsniveau ligt en omdat hij door zijn psychische en fysieke klachten niet meer in staat is te werken.
Zowel [appellant] als het Openbaar Ministerie hebben tegen de vonnissen van 30 juli 2018 hoger beroep ingesteld. Hierop was ten tijde van de mondelinge behandeling van 21 januari 2019 nog niet beslist.

3.2

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder f van de Faillissementswet (hierna: Fw). Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Vaststaat dat [appellant] in de strafrechtelijke procedure geen inhoudelijk verweer tegen het ten laste gelegde heeft gevoerd. Ook ter zitting naar aanleiding van het verzoek tot tussentijdse beëindiging heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit zou kunnen volgen dat de strafrechtelijke veroordeling in hoger beroep geen stand zou houden.

Op grond van de gegeven verklaringen heeft de rechtbank geconcludeerd dat [appellant] bekent dat de aangiftes niet juist waren, maar dat hij de verantwoordelijkheid hiervoor bij derden probeert neer te leggen. Mede gelet op het gegeven dat [appellant] verder geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, is volgens het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de verklaringen van [appellant] de kern van het bewezenverklaarde in de strafrechtelijke procedure niet anders maakt, zodat de veroordeling in hoger beroep in stand zal blijven. Daarom gaat de rechtbank er vanuit dat [appellant] de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, heeft gepleegd. Dat maakt onder andere dat in het kader van de schuldsaneringsregeling kan worden gesproken van feiten en omstandigheden die tijdens toepassing van die regeling al bestonden. De strafbare feiten zijn immers voorafgaande en voor een deel tijdens het aan de schuldsaneringsregeling voorafgaande faillissement gepleegd, aldus de rechtbank.
Deze feiten en omstandigheden zouden volgens de rechtbank reden zijn geweest het schuldsaneringsverzoek af te wijzen. [appellant] wist ten tijde van de behandeling van dat verzoek dat hij voorafgaande aan het faillissement en ook tijdens het faillissement strafbare feiten heeft gepleegd en dat het risico bestond dat hij voor het plegen hiervan zou worden veroordeeld. Van deze wetenschap heeft [appellant] geen mededeling aan de curator of de rechtbank gedaan. [appellant] heeft ter zitting slechts gemeld dat hij mogelijk zou worden vervolgd voor het plegen van strafbare feiten, maar dat hij hierover nog niets had gehoord en ook nog niet was gedagvaard. Indien [appellant] de rechtbank had geïnformeerd over het feit dat hij onjuiste aangiftes had ingediend en over de wijze waarop, en dat dit ook tijdens het faillissement nog is doorgegaan, zou de schuldsaneringsregeling niet op hem van toepassing zijn verklaard, nu het plegen van (vermogens)delicten zich niet verhoudt tot de beginselen van de schuldsaneringsregeling en daar schulden uit kunnen voortvloeien, aldus de rechtbank.

3.3

[appellant] voert in hoger beroep in de kern aan dat er geen sprake is van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van indiening van zijn omzettingsverzoek reeds bestonden. De door de rechtbank in aanmerking genomen nieuwe feiten en omstandigheden kunnen niet onder het bereik van artikel 350 lid 3, aanhef en onder f Fw worden gebracht. Met haar beslissing om zijn schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen is de rechtbank volgens [appellant] buiten de rechtsstrijd getreden.

3.4

Ingevolge artikel 350 lid 3, aanhef en onder f Fw kan de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden beëindigd indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot die regeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw. Het hof moet dus (eerst) beoordelen of sprake is van dergelijke feiten en omstandigheden en vervolgens eventueel beoordelen of deze zouden hebben geleid tot afwijzing van het omzettingsverzoek van [appellant] .

3.5

Vaststaat dat het door de FIOD ingestelde onderzoek naar mogelijk op grote schaal gepleegde frauduleuze handelingen door [appellant] tijdens twee door de rechtbank gehouden zittingen aan de orde is gekomen. Mede gelet op de naar aanleiding van die zitting opgemaakte processen-verbaal is genoegzaam aannemelijk geworden dat de rechtbank op de hoogte was van de (strekking van de) verwijten aan het adres van [appellant] en van de mogelijkheid dat hij daarvoor op enig moment (strafrechtelijk) veroordeeld zou kunnen worden. Desondanks heeft de rechtbank [appellant] , mede op grond van gebleken goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Hoewel die beslissing gezien de aard en strekking van de verwijten aan het adres van [appellant] bij het hof vragen oproept, kan de omstandigheid dat [appellant] uiteindelijk - circa negen maanden na zijn toelating tot die regeling - strafrechtelijk is veroordeeld wegens feiten die reeds bekend waren, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken dan echter geen grond meer vormen om zijn schuldsaneringsregeling op de in artikel 350 lid 3, aanhef en onder f Fw genoemde grond tussentijds te beëindigen. Die feiten en omstandigheden zijn immers, naar moet worden aangenomen, al door de rechtbank bij die uitspraak in aanmerking genomen en een tussentijdse beëindiging op grond van diezelfde feiten en omstandigheden zou neerkomen op een herbeoordeling. De strafrechtelijke veroordeling zelf, en de daaraan ten grondslag liggende bewezenverklaring van de feiten, betreft geen feit dat ten tijde van de toelatingsbeslissing al bestond en kan dus niet op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder f Fw tot tussentijdse beëindiging leiden.
Het door de bewindvoerder nu gemaakte onderscheid tussen strafbare feiten die voor en tijdens het faillissement zijn gepleegd, doet aan het voorgaande niet af, nu dat onderscheid door de toelatingsrechter niet is gemaakt.

3.6

Gesteld noch gebleken is dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] tot dusver niet naar behoren is verlopen. Ook is niet gebleken dat uit de strafrechtelijke veroordeling of anderszins bovenmatige nieuwe schulden zijn ontstaan. Ook overigens is niet gebleken dat de regeling op een andere grond voor tussentijdse beëindiging in aanmerking komt. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt.
4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 november 2018 en, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] wordt voortgezet.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, F.J.P. Lock en S.M. Evers, en is op
28 januari 2019 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.