Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6838

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
200.259.150/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van de ondertoezichtstelling dient geen haalbaar doel (door houding en gedrag van de moeder) en wordt beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.150/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/164717 / FJ RK 18-1250)

beschikking van 20 augustus 2019

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.M.M. Pater te Emmeloord,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

verweerster in hoger beroep,

gevestigd te Leeuwarden,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 mei 2019;

- een journaalbericht van mr. Pater van 3 juni 2019 met productie(s);

- een brief van de GI van 6 juni 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Pater van 19 juni 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Pater van 5 juli 2019;

- een brief van de GI van 8 juli 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Pater van 8 juli 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 juli 2019 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door mr. K. Benchaïb (kantoorgenoot van mr. Pater). Namens de GI zijn verschenen [C] , mevrouw [D] en mevrouw [E] .

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de vader en de moeder is [in] 2013 [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ) geboren, over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] woont bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van 7 maart 2018 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 7 maart 2019. Deze termijn is verlengd bij de bestreden beschikking tot

7 maart 2020.

3.3

Bij beschikking van 14 december 2018 is het verzoek van de GI tot machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] aangehouden en is door de kinderrechter een nader

NIFP-onderzoek gelast. Bij beschikking van 18 januari 2019 heeft de kinderrechter hiertoe een deskundige benoemd ter beantwoording van de in die beschikking vermelde onderzoeksvragen met betrekking tot het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en de mogelijkheden tot het vormgeven van (structureel) contact tussen [de minderjarige] en de vader.

3.4

Bij beschikking van 19 april 2019 heeft de kinderrechter de GI (vervangende) toestemming verleend om in het kader van de ondertoezichtstelling gesprekken met alleen [de minderjarige] te voeren.

3.5

Het door het NIFP uitgevoerde onderzoek is vastgelegd in drie rapporten van

10 mei 2019. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze rapporten heeft de GI de kinderrechter, bij verzoekschrift van 5 juni 2019, verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tussentijds op te heffen.

3.6

Bij beschikking van 5 juli 2019 heeft de kinderrechter zijn beslissing op voormeld verzoek van de GI aangehouden tot aan de pro forma zitting van 4 september 2019 en de GI verzocht om de beschikking van het hof zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval voor

4 september 2019, aan de rechtbank toe te zenden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 6 maart 2019 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd tot 7 maart 2020.

4.2

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de GI af te wijzen.

4.3

De GI heeft geen verweerschrift ingediend maar ter zitting aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Het hof oordeelt op grond van de stukken dat ten tijde van de bestreden beschikking was voldaan aan het wettelijke criterium voor (de verlenging van de) ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . Echter, op basis van de hierna uitgebrachte NIFP-rapporten van 10 mei 2019, het verzoek van de GI tot het tussentijds opheffen van de ondertoezichtstelling en hetgeen (verder) tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling niet langer voortgezet dient te worden. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

5.3

Uit het dossier blijkt dat er sprake is van een langdurige (juridische) strijd tussen de ouders die steeds meer is verhard, waardoor de situatie nu klem zit. Vanwege een volledig gebrek aan vertrouwen in elkaar en de voortdurende spanningen van de moeder bij eventuele omgang tussen de vader en [de minderjarige] vindt er op dit moment helemaal geen omgang plaats. Pogingen hiertoe, waaronder begeleide omgang via [F] , zijn gestrand en diverse hulpverleningstrajecten (waaronder [G] en [H] ) gericht op de verbetering van de communicatie tussen de ouders hebben geen effect gehad. Ook individuele hulpverlening voor de moeder komt niet van de grond omdat zij aangeeft geen hulpvraag te hebben, terwijl [H] duidelijk heeft aangegeven dat er zicht moet komen op de eigen problematiek van de moeder betreffende wat zij niet op [de minderjarige] mag overdragen, het toestaan dat [de minderjarige] een (biologische) vader heeft en om de negatieve kijk van [de minderjarige] op hem te neutraliseren. Omdat het conflict tussen de ouders, en dan met name de weerstand van de moeder tegen omgang en [de minderjarige] bewustzijn van de diskwalificering van de moeder richting de vader, naar de mening van de raad en de kinderrechter een ernstige bedreiging vormt voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] is zij in 2018 onder toezicht gesteld, teneinde er voor te zorgen dat [de minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben. Het is de GI vervolgens niet gelukt om dit contact tot stand te brengen, omdat het onmogelijk is gebleken om tot afspraken met de moeder te komen en -ondanks een schriftelijke aanwijzing- tot gesprekken met [de minderjarige] , en om zicht te krijgen op haar ontwikkeling. Er is sprake van een verstoorde samenwerking tussen de GI en de moeder, waarbij de GI aangeeft dat de moeder iedere vorm van medewerking afhoudt en de moeder stelt geen vertrouwen te hebben in de werkwijze van de GI. Omdat op deze manier niet aan de ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige] gewerkt kon worden en de jeugdbeschermers zorgelijke signalen zagen wat betreft de belasting van de moeder van [de minderjarige] waar het haar vader betreft, heeft de GI in november 2018 een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ingediend om zodoende vanaf een neutrale plek aan het ouderlijk conflict en de contactopbouw tussen [de minderjarige] en de vader te werken. [de minderjarige] heeft volgens de GI uitspraken gedaan die er op wijzen dat de moeder negatieve gebeurtenissen en/of belevingen van vroeger met haar deelt.

5.4

Uit de NIFP-rapporten volgt dat een uithuisplaatsing niet in het belang van [de minderjarige] wordt geacht, kort gezegd omdat [de minderjarige] niet in haar ontwikkeling wordt bedreigd en in een veilige gezinssituatie opgroeit. Uit het rapport blijkt daarnaast dat onder de huidige conflictueuze omstandigheden tussen de ouders, waarbij het op gang brengen van omgang alleen maar spanning en stress bij zowel de moeder als [de minderjarige] veroorzaakt, het contact tussen [de minderjarige] en haar vader schadelijk zal zijn. [de minderjarige] ervaart daarbij een ernstig loyaliteitsconflict, wat zij heeft opgelost met een duidelijke keuze voor haar moeder, met ontkenning van de vader tot gevolg. De spanning die [de minderjarige] toont en haar afwijzende houding ten aanzien van de vader lijkt gebaseerd op haar band met de moeder van wie ze afhankelijk is. De moeder ziet volgens het NIFP niet in welke functie de vader als ouder van [de minderjarige] zou kunnen hebben en op welke wijze [de minderjarige] hierbij in haar ontwikkeling baat zou kunnen hebben. Evenwel dient voorafgaand aan het op gang brengen van een omgangsregeling het conflict tussen beide ouders eerst zo te worden opgelost dat zij onderling tot voldoende begrip, vertrouwen en respect kunnen komen in elkaar als ouder. Dit kan volgens het NIFP bewerkstelligd worden door middel van systeemtherapie.

5.5

Hoewel de GI van mening is dat de geconstateerde ontwikkelingsbedreigingen nog onverminderd aanwezig zijn en er (inmiddels) van ouderverstoting kan worden gesproken, heeft zij aangegeven dat een ondertoezichtstelling onder de huidige omstandigheden, met name gelet op de uitkomsten van het NIFP-onderzoek, op dit moment geen meerwaarde heeft.

5.6

Zoals het hof ook in zijn eerdere beschikking van 28 juni 2018 - aangaande de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] - heeft overwogen vormen de bezwaren van de moeder (vanuit het verleden) richting de vader onvoldoende reden om [de minderjarige] en de vader het recht op omgang met elkaar te ontnemen. Niet ter discussie staat dat [de minderjarige] een vrolijk meisje is met wie het zowel thuis als op school goed gaat. Het hof benadrukt echter dat een

fundamenteel recht van ieder kind is contact met en betrokkenheid van beide ouders; weten wie je moeder en vader zijn. Wanneer hierin (al vanaf jonge leeftijd) iets mis gaat is de kans groot dat er problemen ontstaan met het zelfbeeld, het aangaan van relaties, moeite hebben met vertrouwen en (gezond) loskomen of zich juist keren/afzetten tegen de verzorgende ouder, welke problemen veelal ontstaan tijden de adolescentie. Het hof vindt het zeer zorgelijk dat de moeder ondanks alle adviezen, inspanningen, diverse hulpverleningstrajecten die haar mede via de ondertoezichtstelling toekwamen en het ontbreken van contra-indicaties voor contact niet in staat is gebleken om de vader enige rol te geven in het leven van [de minderjarige] , en dat zij rechterlijke uitspraken (zelfs als daarin een dwangsom is opgenomen) en schriftelijke aanwijzing(en) naast zich neerlegt. In dit hoger beroep is opnieuw gebleken dat de allesoverheersende weerstand van de moeder maakt dat zij haar rol in de door diverse professionals geuite zorgen rondom [de minderjarige] niet (h)erkent en niet in staat is om haar eigen gevoelens in het belang van haar dochter opzij te zetten. De vader krijgt geen kans om het beeld dat de moeder heeft bij te stellen, waardoor [de minderjarige] opgroeit met een door de moeder ingekleurd beeld van de vader zodat zij geen mogelijkheid heeft zich een eigen beeld, laat staan een positief beeld, van hem te vormen. Het hof onderschrijft het standpunt van de GI dat onderhavige problematiek, zoals loyaliteitsproblemen en ouderverstoting, wel door het NIFP wordt gesignaleerd maar dat in het rapport onderbelicht blijft wat de gevolgen van deze ontwikkelingsbedreigingen voor [de minderjarige] (en beide ouders) op de lange termijn kunnen zijn.

Ook leest het hof in het rapport niets over de noodzaak van individuele hulpverlening voor de moeder, terwijl uit het rapport wel blijkt dat de moeder haar eigen angst en negatieve ervaringen in haar relatie met de vader (inmiddels) een plek lijkt te hebben gegeven en dat zij nu met haar nieuwe partner een ideaalplaatje wenst te vormen waarin geen ruimte voor de vader is. Informatie in het dossier vanuit de ROH-GGZ bevestigt dit beeld. Het hof constateert in dit verband dat er geen sprake (meer) is van onmacht bij de moeder maar van onwil. Voor zover de moeder stelt dat zij toe is aan rust merkt het hof op dat de moeder inmiddels ruimschoots de tijd heeft gehad om de situatie te doorbreken en tot oplossingen te komen, maar dat alle mogelijkheden die de moeder (en de vader) hierin zijn geboden tot niets hebben geleid. Naarmate de tijd verstrijkt zal de situatie rondom het (ontbreken van) contact tussen de vader en [de minderjarige] en het beeld dat [de minderjarige] meekrijgt over haar vader, alleen maar tot verdere verwijdering tussen hen leiden.

5.7

Het hof ziet zich voor een lastige keuze gesteld. Enerzijds is sprake van een situatie waarin de ouders doorlopend in een (juridische) strijd verkeren waarbij [de minderjarige] door de moeder belast wordt met spanning en onrust en anderzijds de situatie waarin [de minderjarige] de mogelijkheid wordt ontnomen om een band met haar vader op te bouwen doordat de moeder iedere vorm van contact tegenhoudt. Het hof constateert, mede gelet op wat de GI en de moeder hierover hebben aangevoerd, dat de maatregel tot ondertoezichtstelling eerder tot een verdere verwijdering tussen de ouders heeft geleid dan dat de maatregel iets heeft opgeleverd. Gelet hierop en op alle middelen die tot op heden tevergeefs zijn ingezet, alsook de conclusies in het NIFP-rapport kan het hof niet anders dan vaststellen dat voortzetting van de ondertoezichtstelling geen haalbaar doel dient en gelet op alle extra spanning die het met zich brengt niet in het belang van [de minderjarige] is. Het hof neemt bij zijn afweging in aanmerking dat er op dit moment geen concrete zorgen zijn over (het functioneren van) [de minderjarige] .

5.8

Het hof overweegt tot slot dat het nu aan de moeder is om ervoor te zorgen dat zij haar verantwoordelijkheid neemt en haar toezeggingen gestand doet. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij begrijpt dat de vader een rol in het leven van [de minderjarige] zou moeten krijgen en dat zij openstaat voor systeemtherapie (via de gemeente), zoals het NIFP heeft geadviseerd, waarbij niet alleen de ouders, maar ook de nieuwe partners en eventueel grootouder(s) een rol hebben. Ook het hof acht deze vorm van therapie aangewezen, omdat uit het dossier duidelijk naar voren komt dat de moeder [de minderjarige] niet heeft kunnen stimuleren in het contact met de vader maar ook dat zij hierin door haar directe omgeving wordt gesteund en gesterkt. Het hof adviseert de moeder daarnaast om hulpverlening voor zichzelf in te zetten om meer inzicht te verkrijgen in haar houding en gedrag en met name de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het spreekt voor zich dat een maandelijks telefoongesprek (met de huisarts of het wijkteam), zoals nu het geval, hiervoor volstrekt onvoldoende is. Het hof benadrukt de urgentie van voormelde hulpverlening, zodat er binnen afzienbare tijd aan het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader gewerkt kan worden aangezien er al veel kostbare tijd in het nog jonge leven van [de minderjarige] is verstreken.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof zal de bestreden beschikking, voor zover de beschikking de ondertoezichtstelling tot heden betreft, bekrachtigen. Het hof zal de bestreden beschikking met ingang van heden vernietigen en beslissen als hierna staat vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 maart 2019, voor zover het de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot heden betreft en vernietigt die beschikking voor het overige;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijst het verzoek van de GI tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor zover deze zich uitstrekt over de periode vanaf heden af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, J.D.S.L. Bosch en

M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op

20 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.