Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6833

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
WAHV 200.252.860
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:3197). De omstandigheid dat de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een vordering tot cassatie in belang der wet zal instellen met betrekking tot voormeld arrest, geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.252.860

23 augustus 2019

CJIB 199658690

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 10 december 2018

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 augustus 2019. Van de zijde van de betrokkene is niemand ter zitting verschenen, zoals al was meegedeeld door de gemachtigde van de betrokkene. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. Daartoe is overwogen dat het beroepschrift, gedateerd 6 januari 2018, blijkens het poststempel op de enveloppe op 9 januari 2018 is verzonden. Blijkens de ontvangststempel van de CVOM is het beroepschrift op 10 januari 2018 en dus na het einde van de termijn ter post bezorgd.

2. De gemachtigde voert aan dat de beslissing en overwegingen van de kantonrechter onjuist zijn. De gemachtigde heeft op 6 januari 2017 om 20:29 uur, na de buslichting maar voor het einde van de beroepstermijn, een per gewone post te verzenden en een aangetekend te verzenden beroepschrift ter post aangeboden. Het per gewone post verzonden stuk heeft logischerwijze een poststempel 9 januari gekregen. Het aangetekend verzonden stuk heeft geen poststempel. Beide stukken zijn ontvangen op 10 januari 2017, de tweede werkdag na ter postbezorging. Ten aanzien van beide stukken geldt op grond van jurisprudentie dat het beroep tijdig is ingesteld, aldus de gemachtigde. In hoger beroep is overgelegd een 'bewijs van aanpakken' van het aangetekend verzonden stuk.

3. Vast staat dat de termijn voor het instellen van beroep tegen de beslissing van de officier van justitie eindigde op (vrijdag) 6 januari 2017. Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4. Een stuk is alleen voor het einde van de termijn ter post bezorgd indien het tijdig in de brievenbus is gedeponeerd dan wel op het postkantoor is aangeboden (vgl. HR 29 mei 1996, LJN ZF2248, te raadplegen via rechtspraak.nl). De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd. Dat neemt niet weg dat het poststempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband hiermee moet in gevallen waarin op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden aangenomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd (vgl. HR 28 januari 2011, LJN BP2138, te raadplegen via rechtspraak.nl).

5. Ontbreekt een poststempel, dan hanteert het hof - in navolging van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie ABRvS 17 augustus 2011, AB 2011,259) - als uitgangspunt dat een via PostNL verzonden poststuk in ieder geval wordt geacht tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd.

6. Het beroepschrift is niet gedateerd en vermeldt bovenaan 'verzenddatum 06-01-2017 POSTNL 3SASXN700000101 & BRIEFPOST.' Uit een stempel blijkt dat beide beroepschriften op (dinsdag) 10 januari 2017 door de officier van justitie zijn ontvangen. Het poststempel op het per gewone post verzonden exemplaar vermeldt de datum 9 januari 2017. Bewijs dat dit stuk vóór die datum ter post is bezorgd, is niet geleverd. De aangetekend verzonden enveloppe bevat geen poststempel. Gelet op hetgeen onder 5 is overwogen, is het per aangetekend verzonden post verzonden beroepschrift tijdig ingediend.

7. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard.

8. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen.” Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juli 2016 om 22:51 uur op de Straat van Florida te Almere met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

9. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de inleidende beschikking om de volgende redenen vernietigd dient te worden. Er was geen sprake van een geslotenverklaring in beide richtingen. De straat was tijdelijk in één richting open omdat de Koppeldreef in Almere in verband met werkzaamheden gesloten was. Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) kent het in het zaakoverzicht genoemde bord "CFIETS" niet. De aangewezen ambtenaar heeft de door het openbaar ministerie verzochte aanvullende informatie niet verstrekt. De gedraging kan niet worden vastgesteld op grond van de inhoud van het zaakoverzicht noch op grond van de door de advocaat-generaal in het geding gebrachte foto's van Google Streetview. Die foto's dateren van vele maanden respectievelijk meer dan een jaar na de pleegdatum. Kennelijk zijn later alsnog of wederom borden geplaatst.

10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"Gedragingsgegevens: Ik zag dat de weg werd gebruikt terwijl deze in beide richtingen gesloten is, zoals ter plaatse aangeduid middels bord cfiets RVV 1990, welke was voorzien van een onderbord. De uitzondering(en) genoemd op het (onder)bord, was (waren) niet van toepassing.

Overtreden artikel: 62 jo. bord C1 RVV 1990."

12. Het hof is van oordeel dat in het zaakoverzicht sprake is van een kennelijke schrijffout en dat de inhoud daarvan zo gelezen dient te worden dat de geslotenverklaring in beide richtingen was aangegeven met borden C1 met daaronder een bord met de tekst uitgezonderd voor fietsers.

13. De advocaat-generaal heeft in zijn verweerschrift de inhoud van berichten van de gemeente Almere op facebook weergegeven. In het bericht van 1 juli 2016: "Even opletten in Almere Buiten: de Koppeldreef is vanaf maandag afgesloten" wordt verwezen naar een post van het facebook-account 'werkaandedreven.' De tekst daarvan luidt: "Pro-Rail werkt momenteel in Almere Buiten aan het plaatsen van een geluidsscherm langs het spoor. Daarom is de onderdoorgang van de Koppeldreef (tussen Evenaar/Buitenhoutsweg en Doemere) afgesloten van maandag 4 tot en met vrijdag 22 juli. Fietsers kunnen via de Straat van Florida onder het spoor door. Voor automobilisten is er een omleiding via de Evenaar, Atlasdreef, Boslanddreef en de Buitenring."

14. Het hof is van oordeel dat op grond van hetgeen onder 12 en 13 is overwogen, in onderling verband beschouwd, kan worden vastgesteld dat op 13 juli 2016 door middel van borden C1 was aangegeven dat de Straat van Florida niet in één maar in beide richtingen gesloten was voor automobilisten. Derhalve kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is dan ook ongegrond.

15. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). De omstandigheid dat de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden de gemachtigde heeft meegedeeld dat een vordering tot cassatie in het belang der wet wordt ingesteld met betrekking tot voormeld arrest, geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.