Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6653

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
18/00710
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2882, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Moet een ontvangen beëindigingsvergoeding gedeeltelijk worden aangemerkt als een niet tot het loon behorende vergoeding voor geleden immateriële schade?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-08-2019
FutD 2019-2257
V-N Vandaag 2019/1980
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00710

uitspraakdatum: 20 augustus 2019

Uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 juli 2018, nummer AWB 18/1096, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 153.784.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is vanaf 23 maart 2000 tot 1 februari 2016 in dienst geweest van de Hogeschool [A] (hierna: de hogeschool). Bij indiensttreding is belanghebbende gaan werken voor de sector autotechniek en ingeschaald als docent, schaal 11, met uitzicht op schaal 12. In 2007 heeft belanghebbende naar aanleiding van de tot dusverre positieve beoordelingen verzocht om inschaling in schaal 12. Dit verzoek is medio 2007 afgewezen omdat het salariëringssysteem inmiddels was gewijzigd en dit systeem voor de functie van belanghebbende niet meer in die schaal voorzag. De spanning hierover en de werkdruk bij het begin van het schooljaar leidden tot gezondheidsklachten bij belanghebbende in de vorm van een burn-out. Belanghebbende heeft uiteindelijk berust in de afwijzing van zijn verzoek om een hogere salarisschaal.

2.2.

Omdat in de sector autotechniek de werkgelegenheid was teruggelopen, heeft belanghebbende in het jaar 2010 met het oog op een mogelijke functiewisseling enige tijd stage gelopen bij de sector [B] . In de loop van het jaar 2011 is belanghebbende definitief overgegaan naar die sector waar hij werd ingedeeld in het functieprofiel Instructeur/docent praktijkonderwijs 1. Hij werd ingezet als medewerker van de onderafdeling [C] , een afdeling die zich bezighield met het testen en meten van prestaties van sporters. Deze nieuwe functie van belanghebbende was gewaardeerd op schaal 9. Het salaris van belanghebbende werd daarbij aangevuld tot zijn oude salaris, te weten het maximum van schaal 11.

2.3.

De samenwerking met de direct leidinggevende in de onderafdeling verliep stroef. Ook ervoer belanghebbende een hoge werkdruk. Dit heeft uiteindelijk tot een tweede burn-out geleid, waarvoor belanghebbende zich op 2 oktober 2015 heeft ziek gemeld. Na overleg met de bedrijfsarts heeft belanghebbende besloten om te onderzoeken of een passende vertrekregeling kon worden getroffen. Belanghebbende kon hierbij gebruik maken van een bestaande afvloeiingsregeling.

2.4.

Op verzoek van de werkgever heeft [D] op 13 oktober 2015 een berekening gemaakt van de inkomenseffecten voor belanghebbende bij vervroegde pensionering op 1 februari 2016. In deze berekening wordt melding gemaakt van een op de afvloeiingsregeling gebaseerde eenmalige ontslagvergoeding van € 53.662.

2.5.

Omdat belanghebbende zich niet met de hoogte van de voorgestelde ontslagvergoeding kon verenigen, heeft hij in november 2015 twee gesprekken gevoerd met directieleden van de sector. Hierin heeft hij naar voren gebracht dat hij grote financiële schade heeft geleden omdat de bij zijn indiensttreding beloofde doorgroei naar schaal 12 geen plaats heeft gevonden. Daarnaast heeft hij gewezen op door hem geleden emotionele en psychische schade tijdens de periode waarin hij werkzaam was voor de sector [B] omdat hij een slechte verstandhouding had met zijn direct leidinggevende en die direct leidinggevende zich volgens belanghebbende schuldig maakte aan belangenverstrengeling.

2.6.

Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat de werkgever op 20 november 2015 een nieuw aanbod voor een vertrekregeling heeft gedaan. In een e-mailbericht van die datum aan belanghebbende is hierover het volgende vermeld:

“Hieronder de afspraken zoals we hierover gesproken hebben. Je hebt aangegeven gebruik te willen maken van de regeling sociaal beleid met een uitdiensttreding per 1 februari 2016. Gezien jouw specifieke situatie zijn wij bereid om de reguliere tegemoetkoming van 50% tbv je pensioengat te verhogen naar 100% (ofwel een volledige compensatie van dit gat). Dit aanbod kunnen we eenmalig doen en is alleen van toepassing bij uitdiensttreding per 1 februari 2016. Dit aanbod is verder niet onderhandelbaar.”

2.7.

Op 4 december 2015 heeft de werkgever een concept van de overeenkomst waarin de vertrekregeling is vastgelegd aan belanghebbende versterkt. Op een vraag van belanghebbende of hierin nog wijzigingen kunnen worden aangebracht heeft de werkgever op dezelfde dag ontkennend geantwoord. In de op 8 december 2015 door belanghebbende en de werkgever getekende overeenkomst is – voor zover van belang – het volgende vastgelegd:

“In aanmerking nemende dat:

 (…)

 partijen dientengevolge overeengekomen zijn dat werknemer de arbeidsovereenkomst zal opzeggen onder voor hem/haar acceptabele voorwaarden;

 partijen daartoe afspraken hebben gemaakt in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, welke zij hierbij wensen vast te leggen;

 (…)

 dat werkgever werknemer heeft geadviseerd om vóór de ondertekening van deze overeenkomst (juridisch) advies in te winnen en werkgever aan werknemer een redelijke bedenktijd heeft gegeven voordat werknemer heeft ingestemd met de inhoud van deze overeenkomst;

(…)

Komen als volgt overeen:

1. De arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt (uiterlijk) 1 februari 2016 door opzegging door de werknemer, welke opzegging door ondertekening van deze overeenkomst wordt geëffectueerd.

2. (…)

3. (…)

4. Ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst stelt de werkgever ten behoeve van de werknemer een bedrag van EUR 107.324,- bruto beschikbaar (hierna te noemen beëindigingsvergoeding);

5. De beëindigingsvergoeding dient ter aanvulling van een elders lager te verdienen loon of enige uitkering krachtens de sociale zekerheidswetten;

6. De beëindigingsvergoeding is niet bedoeld voor de financiële overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW;

7. Betaling door werkgever van de beëindigingsvergoeding onder 4 zal (uiterlijk) plaatsvinden bij de eindafrekening in de maand januari 2016. Op deze uitbetaling van de beëindigingsvergoeding aan werknemer wordt door werkgever hierop in beginsel loonbelasting ingehouden. Er vindt geen inhouding plaats van premies ingevolge de werknemersverzekeringen, daar de vergoeding is aan te merken als inkomen uit vroegere dienstbetrekking.

(…)”

2.8.

Belanghebbende heeft de beëindigingsvergoeding van € 107.324 in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 als inkomen uit werk en woning aangegeven. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de aangifte gevolgd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de beëindigingsvergoeding gedeeltelijk moet worden aangemerkt als een niet tot het loon behorende vergoeding voor geleden immateriële schade.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt onder loon verstaan hetgeen daaronder moet worden verstaan overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. In artikel 3.82 van de Wet IB 2001 is opgenomen dat tot het loon wordt gerekend hetgeen wordt genoten ter vervanging van gederfd of te derven loon.

4.2.

Uit de wettelijke regeling en de jurisprudentie volgt dat een ontslagvergoeding welke door een werkgever wordt uitgekeerd ter gelegenheid van het beëindigen van een dienstbetrekking behoort tot het te belasten loon uit dienstbetrekking, ongeacht of sprake is van een vergoeding voor materiële of immateriële schade. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft het geval waarin de ontslagvergoeding geen of onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking om daaruit als genoten te worden aangemerkt (vgl. HR 26 maart 1993, nr. 29057, ECLI:NL:HR:1993:ZC5364). Een vergoeding verstrekt wegens aan de afwikkeling van een dienstbetrekking inherent psychisch leed van een belastingplichtige valt niet onder deze uitzondering. De bewijslast dat deze uitzondering van toepassing is rust op belanghebbende (vgl. HR 21 januari 1992, nr. 28360, ECLI:NL:HR:1992:ZC5136).

4.3.

Belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding gedeeltelijk is aan te merken als een vergoeding voor geleden immateriële schade die onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking om te worden aangemerkt als daaruit genoten. Belanghebbende voert daartoe aan dat hij jaren lang spanning en frustratie heeft ondervonden doordat de hem toegezegde inschaling in schaal 12 nooit heeft plaatsgevonden (zie 2.1) en door de manier waarop hij werd behandeld na te zijn overgeplaatst naar een andere afdeling binnen de hogeschool (zie 2.2 en 2.3). Deze gang van zaken leidde tot gezondheidsschade voor belanghebbende en emotionele schade voor hem en zijn gezin. Het is volgens belanghebbende evident dat zijn voormalige werkgever een deel van de beëindigingsvergoeding heeft bedoeld als vergoeding voor de aldus geleden immateriële schade en inkomensschade. Dit deel van de beëindigingsvergoeding behoort niet tot het belastbare loon, aldus belanghebbende.

4.4.

De Inspecteur stelt dat de beëindigingsvergoeding niet mede dient ter vergoeding van immateriële schade. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst de Inspecteur op de beëindigingsoverkomst van 8 december 2015 (zie 2.7) waaruit, zakelijk weergegeven, blijkt dat de beëindigingsvergoeding alleen dient ter compensatie van inkomensschade. Er bestaat een direct verband tussen de door belanghebbende ontvangen beëindigingsvergoeding en de dienstbetrekking. Voor zover al gesteld zou kunnen worden dat een deel van de beëindigingsvergoeding bedoeld is als compensatie voor door belanghebbende geleden immateriële schade - hetgeen niet het geval is - ligt dat niet anders. Ook dat deel van de beëindigingsvergoeding vindt haar grond in de dienstbetrekking. Het is immers inherent aan het beëindigen van een dienstbetrekking dat spanning en frustratie wordt ervaren.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de door hem genoemde omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat een deel van de beëindigingsvergoeding ziet op een niet als loon aan te merken vergoeding van gedurende het dienstverband geleden immateriële schade.

4.6.

Het Hof heeft daarbij overwogen dat belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft verklaard niet aan te kunnen geven waar uit blijkt dat zijn werkgever een deel van de ontslagvergoeding heeft bedoeld als vergoeding van immateriële schade en om welk bedrag het gaat. Uit het aan belanghebbende gerichte e-mailbericht van belanghebbendes werkgever van 20 november 2015 (zie 2.6) blijkt eerder het tegendeel. Hierin wordt melding gemaakt van de bereidheid om vanwege de specifieke situatie van belanghebbende de reguliere tegemoetkoming van 50% te verhogen tot 100% ter volledige compensatie van het pensioengat dat dreigt te ontstaan voor belanghebbende. Daarnaast is in de door belanghebbende en diens werkgever getekende beëindigingsovereenkomst (zie 2.7) onder punt 5 met zoveel woorden opgenomen dat de beëindigingsvergoeding bedoeld is om elders lager te verdienen loon of enige uitkering krachtens de sociale zekerheidswetten aan te vullen. Uit deze e-mail, de beëindigingsovereenkomst en het ontbreken van stukken die belanghebbendes stelling onderschrijven leidt het Hof af dat de voormalige werkgever van belanghebbende met de beëindigingsvergoeding niets anders heeft beoogd dan toekomstig loon- of pensioeninkomen aan te vullen. Dergelijke vergoedingen behoren op grond van artikel 3.82 van de Wet IB 2001 tot het loon.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, voorzitter in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 20 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A.I. van Amsterdam)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 augustus 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.