Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6612

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
WAHV 200.230.179
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwangsom. Hoewel de officier van justitie, nu de gemachtigde daarom had gevraagd, gehouden was om hem een termijn te bieden voor het aanvullen van gronden, heeft dit voor de beslistermijn geen gevolgen. Anders dan de kantonrechter oordeelde was de officier van justitie wel een dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.230.179

15 augustus 2019

CJIB 204126912

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 30 november 2017

betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een dwangsom vast te stellen is afgewezen en het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 247,50.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert ten eerste aan dat de kantonrechter de inleidende beschikking ten onrechte in stand heeft gelaten.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 249,- opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 25 km/h.” Deze gedraging zou zijn verricht op 29 december 2016 om 08:51 uur op de Maasboulevard te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

3. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene ontkent op het aangegeven punt te hard te hebben gereden. Dat was ook totaal niet mogelijk, aangezien het regende en donker was en het een onoverzichtelijk stuk weg is. Het feit dat de betrokkene toch geflitst is moet daarom worden gezocht in de foutieve werking van de apparatuur. De betrokkene gaat ervan uit dat de gebruikte apparatuur niet goed geijkt is. De nummers op de foto zijn niet gelijk zijn. Er staat 62313/60498 in plaats van 60498/60498. De gemachtigde wijst daarbij op de op rechtspraak.nl gepubliceerde arresten van het hof met de vindplaatsen ECLI:NL:GHARL:2012:BZ6620, -2017:1777, - 2017:4167.

4. In het zaakoverzicht is vermeld dat de werkelijke snelheid is vastgesteld met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. Het dossier bevat daarnaast een foto-opname van de gedraging. Hierop is het voertuig met kenteken [0-YYY-00] te zien. De bij de foto vermelde gegevens stemmen overeen met de in het zaakoverzicht vermelde gegevens. Verder is het typegoedkeuringsnummer, TP8576, en het serienummer, 62313/60498, vermeld. Tot het dossier behoort verder een NMi-verklaring van 26 juli 2016 betreffende de gebruikte apparatuur.

5. Het verweer dat de apparatuur niet correct is geijkt, nu het nummer van de camera en van de antenne-eenheid niet identiek zijn, treft geen doel. Al uit de foto van de gedraging blijkt dat de camera en de antenne-eenheid hier elk over een uniek nummer beschikken. Dat is niet ongebruikelijk (vgl. het arrest van het hof van 14 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:4377). De NMi-verklaring met daarop eveneens de onder 4 genoemde nummers bevestigt dit.

6. Mede gelet op het voorgaande ziet het hof in de stelling dat ter plaatse niet te hard kon worden gereden geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de gereden snelheid op juiste wijze is vastgesteld. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook terecht ongegrond verklaard. De bestreden beslissing kan op dit punt worden bevestigd.

de dwangsom

7. De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen dwangsom is verschuldigd. Daartoe is onder andere het volgende overwogen: "In dit geval is betrokkene bij brief van 22 mei 2017 gewezen op een verzuim in het beroepschrift. Daarmee is de beslistermijn voor de duur van vier weken opgeschort ingevolge artikel 7:24, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De uiterlijke beslisdatum was daarom 4 juli 2017, zodat de ingebrekestelling in deze zaak te vroeg is verstuurd."

8. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter het verzoek om te bepalen dat de officier van justitie een dwangsom verbeurt ten onrechte heeft afgewezen. Nog daargelaten dat de gemachtigde de brief van 22 mei 2017 niet heeft ontvangen, zijn de gronden op

30 mei 2017 ingediend. Daarmee eindigde de beslistermijn op 20 juni 2017 en niet op 4 juli 2017. De ingebrekestelling was dan ook niet prematuur. De officier van justitie verbeurt een dwangsom van 18 juli 2017 tot en met 3 augustus 2017, groot € 380,-, aldus de gemachtigde.

9. Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt, voor zover van belang, in:

“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”

10. Artikel 7:24 van de Awb houdt voor - zover hier van belang - in:

“1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. (…)

3. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken."

11. Op basis van het dossier stelt het hof het volgende vast, voor zover van belang:

- de inleidende beschikking is op 10 januari 2017 aan de betrokkene toegezonden;

- op 25 januari 2017 heeft de betrokkene zelf administratief beroep ingesteld; dit beroepschrift houdt een grond in, te weten dat de beschuldiging dat de betrokkene een verkeersovertreding zou hebben begaan, onjuist is.

- op 21 februari 2017 heeft de gemachtigde aanvullend beroep ingesteld, deelt hij mee dat hij de zaak van cliënt overneemt, herhaalt hij dat de beschuldiging dat de betrokkene een verkeersovertreding zou hebben begaan, onjuist is, verzoekt hij om diverse stukken en een nadere termijn om gronden in te dienen;

- op 22 mei 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde een termijn van vier weken gegeven om het verzuim de gronden van het beroep op te geven te herstellen;

- op 31 mei 2017 heeft de gemachtigde nogmaals verzocht om het procesdossier, een nadere termijn voor het indienen van gronden en heeft hij aangegeven dat hij wil worden gehoord;

- bij brief van 30 juni 2017, ontvangen op 3 juli 2017, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld;

- op 27 juli 2017 heeft de CVOM de beslissing op het beroep verzonden aan de gemachtigde en de betrokkene.

12. Gelet op de verzenddatum van de inleidende beschikking liep de beroepstermijn af op 21 februari 2017 en liep de beslistermijn af op 13 juni 2017. Met de brief van 22 mei 2017, wat er ook zij van de ontvangst daarvan door de gemachtigde, is de beslistermijn niet opgeschort. Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de brieven van 25 januari 2017 en 21 februari 2017 heeft de officier van justitie ten onrechte geoordeeld dat er is verzuimd beroepsgronden op te geven. Hoewel de officier van justitie, nu de gemachtigde daarom had gevraagd, gehouden was om hem een termijn te bieden voor het aanvullen van de gronden, heeft dit voor de beslistermijn geen gevolgen (zie, vergelijkbaar, de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 oktober 2015, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2015:3506).

13. De beslissing op het administratief beroep is derhalve niet tijdig genomen. Dat betekent dat de officier van justitie, die op correcte wijze in gebreke is gesteld, vanaf

18 juli 2017 aan de betrokkene een dwangsom is verschuldigd. Nu op 27 juli 2017 is beslist, bedraagt de dwangsom € 200,- (= 10 dagen x € 20,-).

14. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat geen dwangsom is verschuldigd. De beslissing van de kantonrechter wordt daarom in zoverre vernietigd en het hof zal op dit punt doen wat de kantonrechter had moeten doen.

15. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om te bepalen dat een dwangsom is verbeurd is afgewezen;

stelt vast dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd van € 200,-.

bevestigt die beslissing, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, voor het overige;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.