Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6596

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
18/00473
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Art. 8:25 Awb. Weigering gemachtigde wegens ernstige bezwaren. Taalgebruik van de gemachtigde komt structureel in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-08-2019
V-N Vandaag 2019/1893
FutD 2019-2205 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/38.28.19
Belastingblad 2019/382 met annotatie van J.P. Kruimel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00473

datum: 16 augustus 2019

Beslissing van de vierde meervoudige belastingkamer

in het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 april 2018, nummer AWB 17/5527, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Feiten

1.1.

[A] BV (hierna: [A] ), vertegenwoordigd door [B] (hierna: [B] ), treedt in deze procedure op als gemachtigde van belanghebbende. Uit door het Hof ambtshalve bij het Handelsregister ingewonnen inlichtingen blijkt dat [C] B.V. enig aandeelhouder en enig bestuurder van [A] is en dat [B] alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder is van [C] B.V.

1.2.

[A] is de gemachtigde van vele belanghebbenden in bezwaar- en beroepsprocedures inzake de heffing van belastingen, in het bijzonder de BPM. [B] pleegt in die zaken de proceshandelingen te verrichten en processtukken in te dienen.

1.3.

Het Hof heeft zich in toenemende mate gestoord aan de wijze waarop [B] zich in deze stukken heeft uitgelaten over Nederland, over de rechtspraak, rechters en raadsheren en over ambtenaren. Het Hof heeft hem daarop verschillende malen aangesproken. Zo heeft het in zijn uitspraak van 9 oktober 2018, nummer 17/00400, ECLI:NL:GHARL:2018:8805, overwogen:

“Het Hof heeft de gemachtigde tijdens de zitting van 5 juli 2018 voorgehouden dat het zich ernstig heeft gestoord aan het taalgebruik van de gemachtigde in de stukken van het geding, welke ieder fatsoen ontberen. In het bijzonder de bewoordingen gebezigd in de aanvullende motivering, de op 12 juni 2018 ingekomen pleitnota en de pleitaantekeningen ingekomen op 2 juli 2018, in welke stukken de gemachtigde zich op grove wijze uitlaat over Nederland, de Hoge Raad, de leden van het Hof en de ambtenaren van wetgeving en de uitvoeringspraktijk. Daarop heeft de gemachtigde verklaard dat hij dit in de toekomst achterwege zal laten, de stukken betreffende de pleitaantekeningen terug te nemen en zich in deze zaak te beperken tot het geven van een mondelinge toelichting ter zitting.”

1.4.

Het Hof heeft ter behandeling van verschillende zaken waarin [B] optreedt als gemachtigde zittingen gepland op 8 en 14 augustus 2019. Bij faxberichten van 30 en 31 juli 2019 en 1 augustus 2019 heeft [B] aan het Hof pleitnota’s in deze zaken gestuurd. Daarin staat onder meer:

- over de vertegenwoordiger van de Inspecteur: “Clown [D] , of een van zijn collegae die de zitting zullen bijwonen, heeft er een gewoonte van gemaakt uw gerechtshof te vragen mij te wijzen op mijn taalgebruik en het liefst passende maatregelen te nemen. Mogelijk wil hij mij laten fusilleren of laten ophangen, maar zelf laat hij mij na klikpartijen bij zijn meerdere in de zieke club schorsen als gemachtigde. (…) een geboren loser als [D] (…) De man is geboren om te stelen en te bedriegen en als hij gewezen wordt op die misstanden, gaat de trukendoos open. (…) [D] is een ongekende charlatan die oplichten van belastingbetalers tot een kunst heeft verheven.”, “kennelijke boef die structureel steelt”

- over de Rechtbank: “De rechtbank gaat voorbij begrijpelijk omdat verweerder anders ongelijk gaat krijgen en de burgers niet kan tillen aan (…) De rechtbank maakt zich er ook schuldig aan, wie niet in de rechtspraak nada onafhankelijk in Nederland?”, “clowntje [E] van het circus in Arnhem”

- over het gerechtshof Amsterdam: “criminelen van gerechtshof Amsterdam” en “Gerechtshof Amsterdam is natuurlijk een crimineel bolwerk”

- over de Hoge Raad: “een intens criminele organisatie als de Hoge Raad der Nederlanden, de max in Nederland op het gebied van verneuken van rechten van belastingplichtigen en het faciliteren van de wetgever en de heffende autoriteit”, “criminelen pur sang”, “een gajesclub”, “georganiseerde misdaadorganisatie die blijkbaar geen gram respect heeft voor de grondrechten van de burger van lidstaat Nederland (of andere mensen die ze proberen leeg te zuigen)”, “De Hoge Raad is daarmee verworden tot een doorgeefluik van de boodschap, maar zoals gezegd menen ze op de Korte Voorhout het recht niet te hoeven waarborgen en er zelf een draai aan te kunnen geven, het hoogste recht te verneuken en justitiabelen waar mogelijk en in een zo groot mogelijke omvang te benadelen”, “De leden van de Hoge Raad gaan gewoon de pastoors in de katholieke kerk achterna. Vroeger geloofde men nog in de oprechtheid, later bleek hoe het er echt aan toe ging. Dat later is voor ons al nu....”, “hoerentent pur sang, vol met criminelen”, “maffiapraktijken”, “een gekende gajes club”, “een grote boevenclub”, “een enorme hoerenkast is die naaien van burgers tot zijn absolute kernactiviteit heeft ontwikkeld!!!!”, “De Hoge Raad verzuimt structureel en strikt opzettelijk mogelijk omdat ze er geld voor krijgen van grote belanghebbende partijen (Staat, merkimporteurs, alles is mogelijk, ondoordringbaar criminele gajesclub), en naait de burger dat de stukken ervan af vliegen.”, “De Hoge Raad heeft zich ontwikkeld onder leiding van [F] tot een allerhoogst bedenkelijke, zieke geest, die het hoogste recht onbevoegd en willens en wetens niet juist toepast.”, “ [F] wordt ook niet voor niks als gekende crimineel geduid op Internet”, “de criminelen aan de Korte Voorhout”, “de Hoge Raad is een gekende gajesclub”

- over de rechtspraak: “Vooropgesteld zij dat de hele rechtspraak in Nederland overgoten is met criminaliteit teneinde burgers van hun rechten te ontdoen en de weg te plaveien ze leeg te zuigen waar mogelijk. (…) De rechtspraak in Nederland is een schande voor Europa en voor elke te respecteren maatschappij!! (…) Ik heb 0,0 % vertrouwen terecht in onafhankelijke rechtspraak in Nederland genoegzaam gebleken, ook weer in onderhavig geval. Recent had ik bijna 40 gegronde cassatieberoepen bij de criminelen aan de Korte Voorhout van dit gerechtshof... Echt ongelooflijk allemaal en dat is pas het begin. Het is echt heel, heel, heel erg!”, “Als je niet meer kunt vertrouwen op onafhankelijke rechtspraak een fundamenteel beginsel kun je beter zoals ik 17 jaar geleden heb gedaan, je spullen pakken en wegwezen!”, “de lagere rechters doet lekker mee, die zijn evenzeer (zwaar) crimineel. De rechtspraak in Nederland is een schande voor Europa en voor elke te respecteren maatschappij!!”, “Klootjesvolk! Smeerkezen zijn het in de Nederlandse rechtspraak!!”

- over Nederland: “In een derdewereldland als lidstaat Nederland is er natuurlijk sowieso geen sprake van een eerlijk proces. Nederland is verworden tot een intens gajesland, waar de grootste dictators ter wereld zich kunnen inspireren lijkt het…”, “Terecht kwalificeer ik Nederland als een enorm kutland! Dat zijn vieze praktijken.”

1.5.

Naar aanleiding van deze passages heeft het Hof op 5 augustus 2019 per fax aan [B] een brief gestuurd, met de volgende inhoud:

“Voor de zaken die gepland zijn voor de zittingen van 8 en 14 augustus 2019, heeft u nadere stukken ingediend. (…) Gelet op de inhoud van deze stukken, waarin door u zeer beledigende opmerkingen worden gemaakt ten aanzien van personen werkzaam bij de Belastingdienst en de rechtspraak, zal het Hof op de inhoud van die stukken geen acht slaan.

Voorts merk ik op dat u in het verleden meermalen bent gewaarschuwd voor uw beledigende taalgebruik in de stukken in de vele procedures die door u aanhangig zijn gemaakt bij het Hof. Ik wijs u in dit verband op de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 9 oktober 2018, nr. 17/00400, ECLI:NL:GHARL:2018:8805 (…).

Het Hof constateert dat u volhardt in uw ten aanzien van personen en instellingen beledigende, mogelijk lasterlijke, taalgebruik. Daarbij denkt het Hof onder meer doch bepaald niet alleen aan uw opmerkingen als zou de Hoge Raad der Nederlanden een “intens criminele organisatie” zijn met “maffiapraktijken”, een “hoerentent pur sang, vol met criminelen” en “de max op het gebied van het verneuken van rechten van belastingplichtigen”, en wordt volgens u de president van de Hoge Raad [F] “niet voor niks als gekende crimineel geduid op internet”, uw opmerking als zou het Gerechtshof Amsterdam een “crimineel bolwerk” zijn, uw aanduidingen van de heer [D] als vertegenwoordiger van de Belastingdienst als “kennelijke boef die structureel steelt”, een “ongekende charlatan die oplichten van belastingbetalers tot een kunst heeft verheven” en “geboren om te stelen en te bedriegen”.

U vertegenwoordigt in de procedures de verschillende belanghebbenden bij het Hof. Het Hof roept in herinnering dat de kern van vertegenwoordiging is dat handelingen waartoe ook de onderhavige hiervoor gememoreerde door u gemaakte opmerkingen en beledigingen en mogelijk laster aan de vertegenwoordigde worden toegerekend.

Op grond van het voorgaande en ter bescherming van de belangen van procespartijen geeft het Hof u, c.q. [A] BV in dit verband een laatste waarschuwing. Mocht u desondanks na heden blijven volharden in uw opstelling en het gebruik van bewoordingen dan zal het Hof toepassing geven aan artikel 8:25 Algemene wet bestuursrecht (weigeren gemachtigde).

Een kopie van deze brief zond ik heden aan de desbetreffende belanghebbenden en aan de inspecteur.”

1.6.

In reactie daarop heeft [B] bij faxbericht van 5 augustus 2019 geschreven:

“Met dagtekening van 5 augustus 2019 ontving ik van uw gerechtshof een brief waarin u kort gezegd de grieven van belanghebbende in zijn stukken voor de zitting van 8 en 14 augustus 2019 buiten beschouwing laat.

Dat is dan weer een uitvloeisel van de vermeende noodzaak van uw gerechtshof waar mogelijk de belangen van belastingplichtigen te beperken, waarbij uw gerechtshof een rechtvaardiging meent te kunnen vinden in mijn taalgebruik/processtrategie.

Het is de schande ver voorbij. Uw gerechtshof zou dat wanneer het onafhankelijk zou opereren nooit mogen doen. Bij twijfel voorleggen aan Europa!!

Maar uw gerechtshof doet het toch, werkelijk een regelrechte schande en een toonbeeld van wat een gajes er werkzaam is in de rechtspraak in Nederland met uitsluitend 1 doel, de staatskas vullen en gevuld houden!!

Uw gerechtshof heeft met kennelijk misbruik van bevoegdheid uitlegging van bepalingen van het Unierecht, waar uw gerechtshof zich apert van behoort te onthouden!!!

Een belanghebbende het recht ontnemen met toepassing van nationale bepalingen, verhoudt zich niet tot artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Als u dat toch doet, zal ik mij daarover beklagen in Europa en aantonen wat een mensen er werkzaam is in de rechtspraak in Nederland, die met misbruik van bevoegdheid kennelijk uitlegging geven over bepalingen van het Unierecht en met voorrang toepassen op fundamentele grondrechten van de Unie.

Ik vind het ook schandelijk dat uw gerechtshof een ‘gele’ kaart uitdeelt als de rode kaart niet uitgedeeld kan worden en mijn waar mogelijk in een kwaad daglicht tracht te zetten.

Ik neem de woorden niet terug, uw gerechtshof moet doen wat het behoort te doen, het recht waarborgen. Dat impliceert ook de grondrechten van het Handvest van de Europese Unie integraal waarborgen.

Daartoe behoort ook de waarborging van het recht op een vrije keuze van raadsman voor de advisering, vertegenwoordiging of verdediging. Dat recht is behalve in het belang van de Unie hier niet aan de orde niet te beperken, vooral niet door artikel 8:25 Awb!! Bij twijfel voorleggen aan Europa!!

Doet u dat toch, dan behoud ik mij het recht voor alle noodzakelijke wettelijke - rechten in te zetten om de schade vergoed te krijgen.

Als u mij wil naaien, moet u dat mij in persoon doen, maar er nette belanghebbenden buiten laten, hun rechten worden tot op het bot geschonden!! Van laster is geen sprake!

Gaat u eens onafhankelijk recht spreken!!”

1.7.

Bij faxbericht van 6 augustus 2019 heeft [B] vervolgens onder meer geschreven:

“Zonder duidelijke uitlegging van de unierechter met betrekking tot artikel 47 handvest van de grondrechten is er geen sprake van een eerlijk proces en worden de rechten van de belanghebbenden door uw gerechtshof zoals doorgaans het geval is niet gerespecteerd en eerbiedigt.

Dat is 100000 keer erger dan dat ik [F] een crimineel noem (staat gewoon op Internet en is geen woord aan gelogen) of raadheren van de Hoge Raad hoerenkinderen die met misbruik van bevoegdheid de rechten van ingezetenen in Nederland massaal om zeep helpen ten behoeve van de staatskas (ook daar is geen woord aan gelogen). (…)

Mijn belanghebbende mag toch op zijn minst enige mate van onafhankelijkheid verwachten van uw gerechtshof, waartoe tenminste behoort dat uw gerechtshof zich ander dan structureel het geval is kennelijk onthoudt van misbruik van bevoegdheid!!! (…)

Eens zal het eindigen, de weg is lang en zwaar, maar wij geven niet meer af. Ik heb uw gerechtshof aantoonbaar ontmaskert als een gerechtshof dat anders dan het poogt uit te stralen de belangen van belastingplichtigen te pas en te onpas te grabbel gooit, evenals de Hoge Raad en andere nationale rechters!!”

1.8.

Het Hof heeft besloten de zittingen van 8 en 14 augustus te verdagen.

2 Overwegingen

2.1.

Voorop staat dat partijen in een gerechtelijke procedure zich kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door iemand van hun keuze. Waar het gaat om zaken die het Unierecht betreffen, is dat neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Dat recht is (voor strafrechtelijke vervolging en het fiscale boeterecht) neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Voor een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige is dat vastgelegd in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.2.

Een partij, haar bijstandsverlener(s) en haar gemachtigde(n) mogen het standpunt van die partij verwoorden op een wijze die hun goeddunkt, ook als dat standpunt verwijten behelst aan de wederpartij of anderen. Maar daarbij geldt dat zij zich niet onnodig grievend dienen uit te laten, dat zij hun verwijten en beschuldigingen feitelijk dienen te onderbouwen en dat zij duidelijk moeten maken wat de relevantie daarvan is voor het desbetreffende geschil.

2.3.

Het Hof is van oordeel dat het taalgebruik van [B] structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. Hij uit verwijten en beschuldigingen aan burgerlijke en rechterlijke ambtenaren, aan rechterlijke colleges en aan de rechtsstaat en Nederland in het algemeen. Daarbij gaat het er niet om dat [B] kenbaar maakt het oneens te zijn met bepaalde rechterlijke oordelen. Laatstbedoelde uitingen passen bij rechterlijke procedures. Waar het wel om gaat is dat [B] onnodig beledigende opmerkingen maakt. Voorts verzuimt hij te motiveren wat de relevantie is van zijn verwijten en beschuldigingen voor de aanhangige procedure. Zonder nadere motivering is niet duidelijk waarom deze verwijten en beschuldigingen een ondersteuning zijn voor zijn standpunt over de in geding zijnde belastingaanslagen en/of beschikkingen. Ook na daarvoor te zijn gewaarschuwd, heeft [B] daarin volhard.

2.4.

Sommige door [B] ingediende stukken bevatten zoveel beledigende opmerkingen dat het Hof geen kennis van deze stukken neemt. [B] is daarop gewezen. Dat brengt mee dat de stellingen en standpunten van de desbetreffende partij en de onderbouwing daarvan het Hof niet bereiken voor zover zij in deze stukken zijn vervat. Deze benadeling van de door [B] vertegenwoordigde procespartijen, is een rechtstreeks gevolg van het ongepaste taalgebruik van [B] .

2.5.

Het Hof is op grond daarvan van oordeel dat tegen [B] ernstige bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 8:25, eerste lid, van de Awb. Deze bezwaren gelden evenzeer voor [A] , nu [A] de gemachtigde van belanghebbende is, [B] middellijk bestuurder van [A] is en [B] in rechterlijke procedures zowel schriftelijk als mondeling pleegt op te treden namens [A] . De stukken met de beledigende woorden zijn ook zonder uitzondering ondertekend door [B] . Het Hof heeft [B] daarover ingelicht bij brief van 5 augustus 2019 (zie hiervoor onder 1.5). [B] heeft daarop gereageerd bij faxberichten van 5 augustus 2019 (geciteerd onder 1.6) en van 6 augustus 2019 (geciteerd onder 1.7).

2.6.

[B] voert aan dat artikel 47 van het Handvest eraan in de weg staat bijstand of vertegenwoordiging door hem te weigeren, in het bijzonder nu het gaat om procedures waarin het gaat om toepassing van Unierecht. Het is, aldus [B] , niet aan het Hof om die bepaling uit te leggen. Het Hof zou dienaangaande prejudiciële vragen moeten stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zo begrijpt het Hof [B] .

2.7.

Artikel 47 van het Handvest luidt:

Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

2.8.

Naar het oordeel van het Hof komt de onderhavige weigering niet in strijd met artikel 47 van het Handvest. Aan de belanghebbende wordt immers niet het recht op toegang tot de rechter ontzegd of de mogelijkheid ontnomen zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Haar wordt slechts het recht ontzegd om door [B] te worden bijgestaan en/of vertegenwoordigd. Met de weigering wordt een legitiem doel nagestreefd, te weten het waken voor onnodige en ernstige verstoring van de gang van zaken bij rechterlijke procedures, zoals in dit geval bij dit Hof. Een normale gang van zaken wordt hersteld door degene die deze gang van zaken verstoort te weigeren als bijstandverlener en/of gemachtigde. Door deze weigering te beperken tot de onderhavige zaak en enkele andere zaken die stonden gepland voor de zittingen van 8 en 14 augustus, bestaat naar het oordeel van het Hof een redelijke verhouding tussen die beperking en het doel van de schorsing, de verzekering van een normale gang van zaken bij de onderhavige procedure.

2.9.

Op grond van het vorenstaande zal het Hof [B] en [A] weigeren in de onderhavige procedure bijstand te verlenen of belanghebbende te vertegenwoordigen. Belanghebbende zal van deze beslissing in kennis worden gesteld en haar zal de gelegenheid worden geboden desgewenst een andere gemachtigde aan te wijzen.

3 Beslissing

Het Hof:

– weigert [B] en [A] BV om bijstand te verlenen aan belanghebbende dan wel haar te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure;

– stelt belanghebbende in de gelegenheid om, indien zij dat wenst, binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen voor de verdere procedure.

Deze beslissing is genomen door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De griffier,

De voorzitter,

(E.D. Postema)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 augustus 2019

Tegen deze tussenuitspraak staat geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Op grond van artikel 28, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan tegen deze beslissing slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vgl. Hoge Raad 14 september 2007, nr. 43.294, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).