Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6571

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
200.259.486
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2019:1345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Medische geheimhoudingsplicht. Afgifte medisch dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0229
JERF 2019/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.486

(zaaknummer rechtbank 229700)

arrest in kort geding van 13 augustus 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A.J.A. Assink,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C. van der Kolk-Heinsbroek.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 25 juni 2019 waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft op 22 juli 2019 plaatsgevonden. Na afloop van de comparitie van partijen heeft het hof arrest bepaald.

1.2

[appellante] vordert, na vermindering van haar eis ter zitting, in hoger beroep dat het hof - kort samengevat -, uitvoerbaar bij voorraad:

- het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel van 16 april 2019 (hierna: het bestreden vonnis) zal vernietigen;

- [geïntimeerde] als nog zal veroordelen om aan haar een afschrift te verstrekken van het medisch dossier, inclusief uitslagen van gedane testen/onderzoeken, van haar vader, [vader] (hierna: [vader] ), dan wel - subsidiair - aan haar medisch adviseur, op straffe van een dwangsom:

- [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met rente en nakosten;

- [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] op grond van het bestreden vonnis aan hem betaald heeft, vermeerderd met rente.

1.3

[geïntimeerde] vordert het hoger beroep ongegrond te verklaren met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, vermeerderd met nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg – samengevat - gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis een afschrift van de medische dossiers van [vader] en haar moeder, [moeder] (hierna: [moeder] ) aan [appellante] te verstrekken op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, inclusief nakosten en wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.2

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar - uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten inclusief nakosten veroordeeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [vader] en [moeder] waren tot het overlijden van [vader] gehuwd in gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren: [appellante] , [kind 2] en [kind 3] . [kind 3] woont ongehuwd samen met [partner van kind 3] (hierna: [partner van kind 3] ). Tot de huwelijksgemeenschap van [vader] en [moeder] behoorden alle aandelen in de besloten vennootschap [de B.V.] B.V. (hierna: de B.V.). De B.V. was eigenaar van een onroerende zaak aan [adres] , die werd verhuurd aan [kind 3] (hierna: het pand). Tussen de B.V. en [partner van kind 3] is in november 2016 een overeenkomst gesloten waarbij [partner van kind 3] het pand van de B.V. koopt voor een bedrag van

€ 105.000,-. Op 23 februari 2017 is de akte van levering gepasseerd. De B.V werd bij de koop en levering vertegenwoordigd door haar bestuurder [vader] . Op 16 respectievelijk 23 november 2017 is voor [vader] en [moeder] door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een indicatiebesluit afgegeven voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. [vader] is op 12 januari 2018 overleden. [vader] heeft in zijn testament [moeder] benoemd tot enig erfgenaam, en de drie kinderen tot verwachters. Bij beschikking van de rechtbank van 16 maart 2018 is bewind ingesteld over alle goederen van [moeder] vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand.

4.2

[appellante] stelt dat het pand voor een te lage prijs aan [partner van kind 3] verkocht is. De WOZ waarde in 2016 bedroeg € 199.000,- en de vrije marktwaarde in september 2016 € 175.000,- . De te lage opbrengst van een van de twee vermogensbestanddelen van de B.V. heeft een negatieve invloed op de waarde van de B.V. en daarmee ook op de nalatenschap van [vader] . Dat is weer van invloed op de positie van de verwachters, aldus [appellante] . Omdat alleen [moeder] op grond van artikel 4:138 lid 1 BW gerechtigd is om rechten en rechtsvorderingen, waaronder de rechten die voortvloeien uit de aandelen in de B.V., tegen derden uit te oefenen heeft [appellante] de kantonrechter onder meer verzocht om de bewindvoerder van [moeder] , op te dragen om namens [moeder] de verkoop van de onroerende zaak terug te draaien dan wel schadevergoeding te vorderen. Bij beschikking van de kantonrechter van 3 januari 2019 zijn de verzoeken van [appellante] afgewezen. [appellante] heeft tegen de afwijzing hoger beroep ingesteld bij dit hof. In die zaak (200.255.248) is een mondelinge behandeling bepaald op 3 september 2019.

[appellante] heeft [geïntimeerde] , de huisarts van [vader] en [moeder] , om een afschrift van de medische dossiers van [vader] en [moeder] gevraagd. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gevolg gegeven met een beroep op zijn medisch beroepsgeheim. [appellante] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de medische dossiers omdat zij dient te kunnen onderbouwen dat [vader] en [moeder] ten tijde van de verkoop van het pand niet in staat waren hun vermogensrechtelijke belangen te overzien. Volgens [appellante] waren [vader] en [moeder] ten tijde van de verkoop en levering dement. Op de zitting bij het hof van 22 juli 2019 heeft [appellante] haar vordering beperkt tot het dossier van [vader] .

4.3

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). Niet bestreden is dat op

3 september 2019 een zitting bij het hof plaats zal vinden in de bodemzaak tussen [appellante] en de bewindvoerder van [moeder] , ten behoeve waarvan [appellante] vraagt om afgifte. Het hof acht het belang om in de omstandigheden van het onderhavige geval vlot te kunnen procederen en zoveel mogelijk duidelijkheid te hebben voldoende spoedeisend.

Medische geheimhoudingsplicht

4.4

Op grond van artikel 7:454 lid 1 BW richt een dossier in met betrekking tot de behandeling van een patiënt . De hulpverlener dient de bescheiden in dit dossier gedurende vijftien jaar vanaf het moment van vervaardiging van die bescheiden te bewaren (lid 3). De hulpverlener is verplicht aan de patiënt desgevraagd inzage in en afschrift van de bescheiden te verstrekken (artikel 7:456 BW). De hulpverlener mag aan anderen dan de patiënt geen inzage in of afschrift van deze bescheiden verstrekken dan met toestemming van de patiënt (artikel 7:457 lid 1 BW). Deze geheimhoudingsplicht is tevens verwoord in artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en onder meer uitgewerkt in de richtlijn "Omgaan met medische gegevens" van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). Artikel 88 Wet BIG luidt: "Een ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen." Met deze geheimhoudingsplicht wordt beoogd te voorkomen dat een patiënt nalaat geneeskundige hulp in te roepen uit vrees dat hetgeen hij toevertrouwt aan de hulpverlener aan anderen wordt geopenbaard.

4.5

Deze geheimhoudingsplicht geldt gelet op de hiervoor vermelde strekking ook na het overlijden van een patiënt. Zij geldt ook ten aanzien van zijn erfgenamen, tenzij zij mentor van de overleden patiënt waren of de patiënt bij leven heeft ingestemd met het verstrekken van inzage in of afschrift van zijn medisch dossier aan (een of meer van) zijn erfgenamen.

4.5

De geheimhoudingsplicht is niet absoluut. Doorbreking daarvan kan aan de orde zijn als mag worden verondersteld dat de patiënt zijn toestemming zou hebben gegeven als hij zich had kunnen uitlaten over inzage in zijn medisch dossier na zijn overlijden (vgl. HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7871) of als er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden door het handhaven van het beroepsgeheim. In dat geval moet aannemelijk zijn dat het medisch dossier daarover opheldering kan geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen (HR 20 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1201).

4.6

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. [appellante] vraagt het hof de zaak in volle omvang te beoordelen. Zij stelt dat [geïntimeerde] gehouden is tot het doorbreken van zijn medisch beroepsgeheim en inzage moet geven in het medisch dossier van [vader] . Er was uitdrukkelijke - schriftelijke - toestemming van [vader] tot inzage van zijn medisch dossier door [appellante] . Voorts zijn er zwaarwegende belangen om het medisch dossier in te zien. Het pand is door [vader] tegen een aanmerkelijk lagere waarde dan de marktwaarde verkocht aan de partner van haar zus. Hiermee is het vermogen van de B.V. en daarmee dat van de nalatenschap van haar vader benadeeld, terwijl aan haar moeder geen verteringsbevoegdheid toekomt. Hiermee is het uitgangspunt van haar vader om zijn kinderen gelijk te behandelen doorkruist, hetgeen hij zelf nooit gewild zou hebben, en is het effect hiervan feitelijk gelijk aan die van een testamentswijziging ten nadele van [appellante] . Uit de CIZ-verklaring van16 november 2017 van [vader] blijkt dat zijn geheugen achteruit ging wegens dementie en was hij in elk geval op die datum zodanig dementerend dat beschermd wonen met intensieve dementiezorg noodzakelijk was. Dit proces moet, aldus nog steeds [appellante] , al geruime tijd aan de gang geweest zijn. [appellante] stelt dat de bewindvoerder van [moeder] zich zal kunnen beroepen op de wilsonbekwaamheid van [vader] (artikel 3:34 lid 1 BW en het daar genoemde wettelijk vermoeden), een wilsgebrek bij [vader] (misbruik van omstandigheden, artikel 3:44 BW) of onrechtmatige handelen van diens wederpartij). Dat heeft zij in deze procedure voldoende onderbouwd. De missende schakel in haar redenering is de vraag naar de toestand van het geestvermogens van [vader] ten tijde van de verkoop en /of de levering van het pand. Voor de beantwoording van die vraag is de medische informatie onontbeerlijk, aldus [appellante] .

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.7

Het hof oordeelt als volgt. [appellante] heeft een verklaring gedateerd op 13 juli 2017 overgelegd, waarin is weergegeven dat zij 12 juli 2017 met haar vader in de huisartspraktijk van [geïntimeerde] was, dat haar vader duidelijk aangaf dat zij “de gegevens van de MRI(?) test van hem en moeder mag ontvangen”, en waarin zij de huisarts heeft verzocht de gegevens digitaal aan haar te doen toekomen. Deze verklaring is door haarzelf en door [vader] ondertekend. Gelet op deze verklaring en op de aanwezigheid van [vader] zelf in de huisartspraktijk gaat het hof ervan uit dat mag worden verondersteld dat [vader] zijn toestemming zou hebben gegeven als hij zich had kunnen uitlaten over inzage in zijn medisch dossier, ook na zijn overlijden. Daarnaast is het hof op grond van de niet bestreden stellingen van [appellante] van oordeel dat in de onderhavige omstandigheden van het geval voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang - het belang bij een eerlijke verdeling van zijn nalatenschap tussen de kinderen - geschaad zou kunnen worden. Tevens acht het hof gelet op die omstandigheden voldoende aannemelijk dat het medisch dossier daarover opheldering zou kunnen geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen. Het hof volgt daarbij [appellante] in haar stelling dat er bijvoorbeeld geen (onbevooroordeelde) personen uit de directe omgeving van [vader] als getuige gehoord kunnen worden. [moeder] staat onder bewind, [kind 3] en [partner van kind 3] hebben mogelijk andere belangen en [kind 2] heeft, naar onweersproken is gesteld, zich aan de zijde van [kind 3] en [partner van kind 3] geschaard. Zonder medische informatie zal de rechter in de voornoemde procedure zich geen of een minder goed beeld kunnen vormen van de wilsbekwaamheid dan wel eventuele wilsgebreken of beïnvloedbaarheid van [vader] .

5 De slotsom

5.1

De grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen tot (eventueel digitale) afgifte van het in zijn bezit zijnde medisch dossier van [vader] aan [appellante] zelf binnen een week na betekening van dit arrest. Het hof ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat [geïntimeerde] zich niet aan dit arrest zal houden en zal daarom geen dwangsom opleggen. Het hof zal de veroordeling wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren gelet op het voormelde spoedeisend belang van [appellante] bij tijdige verkrijging van de gegevens.

5.2

Dit betekent ook dat het hof, zoals [appellante] heeft gevorderd, zal bepalen dat [geïntimeerde] al hetgeen hij uit hoofde van het bestreden vonnis van [appellante] heeft ontvangen moet terug betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. [geïntimeerde] heeft daartegen geen verweer gevoerd.

5.3

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] als gevorderd in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] worden begroot op

€ 423,01 aan verschotten (€ 99,01 explootkosten en € 324,- griffierecht) en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief ( 2 punten x tarief II).

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) van 26 april 2019 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] tot (digitale) afgifte van het volledige in zijn bezit zijnde medisch dossier van [vader] aan [appellante] binnen een week na betekening van dit arrest;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen hij uit hoofde van het bestreden vonnis van [appellante] heeft ontvangen, vermeerderd met de rente daarover vanaf de dag van ontvangst tot de dag van algehele terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 423,01 aan verschotten en op € 2.148,- aan salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

13 augustus 2019.