Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6554

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
200.191.150/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bancaire zorgplicht. Hypothecaire geldlening en vermogensbeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/478
NTHR 2019, af. 5, p. 253
JONDR 2019/1267
NTHR 2019, afl. 6, p. 294
NTHR 2019, afl. 6, p. 303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.191.150/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 378377)

arrest van 13 augustus 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna afzonderlijk: [appellant 1] en [appellant 2] , en samen: [appellanten] ,

advocaat: mr. J.R.M. Rikmenspoel,

tegen

de coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A., (voorheen ook Coöperatieve Rabobank Amersfoort Eemland U.A.),

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna: Rabobank,

advocaat: mr. C.G. van der Plas.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In deze zaak is op 25 juli 2017 een tussenuitspraak gedaan. Daarin staat beschreven hoe de procedure tot dan toe is verlopen. In die uitspraak heeft het hof beslist dat met partijen en hun advocaten een zitting (meervoudige comparitie van partijen) zal worden gehouden.

1.2

Deze zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018. Voorafgaande aan de zitting heeft Rabobank nog een aanvullend stuk (productie 7) ingediend. Op de zitting hebben partijen en hun advocaten vragen van het hof beantwoord en hebben zij hun standpunten, aan de hand van spreekaantekeningen, toegelicht. Ook hebben partijen geprobeerd om in onderling overleg een oplossing te vinden voor hun geschil. Dat is hen in hoofdlijnen gelukt, maar voor de verdere uitwerking en uitvoering van de bereikte regeling hadden partijen meer tijd nodig. Zij hebben daarom het hof gevraagd om de zaak door te halen, met de mogelijkheid om de zaak te hervatten en alsnog een uitspraak van het hof te krijgen als de bereikte regeling toch niet tot een definitieve oplossing zou leiden. Deze afspraken zijn in een proces-verbaal opgenomen.

1.3

Op 18 september 2018 heeft Rabobank aan het hof meegedeeld dat er geen definitieve oplossing is bereikt en gevraagd om uitspraak te doen. Vervolgens heeft het hof beslist dat er uitspraak zal worden gedaan.

2 De vaststaande feiten

2.1

In het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2015 zijn onder de punten 2.1 tot en met 2.11 feiten vastgesteld. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

Daarnaast gaat het hof uit van de volgende feiten.

2.2

Bij fusie van 1 januari 2016 is de Coöperatieve Rabobank Amersfoort Eemland U.A. (hierna: Rabobank Amersfoort Eemland) opgegaan in Rabobank.

2.3

Bij fusie van 6 juli 2016 is [private bank] N.V. (hierna: [private bank] ) opgegaan in Rabobank.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2

[appellanten] hebben in 2000 hun woning aan [adres] (hierna: woning 1) verkocht. Bij de verkoop hebben zij een overwaarde gerealiseerd van (omgerekend) € 1.234.282. In datzelfde jaar hebben [appellanten] een woning gekocht aan [adres] (hierna: woning 2). De koopsom bedroeg (omgerekend) € 1.429.407,68. [appellanten] hebben deze koopsom volledig gefinancierd met een hypothecaire geldlening bij Rabobank (hierna: de geldleningsovereenkomst). De overwaarde uit de verkoop van woning 1 hebben [appellanten] onder meer gebruikt voor het doen van beleggingen. [appellant 2] heeft daarvoor een overeenkomst inzake vermogensbeheer gesloten met [private bank] . [voormalig bestuurder] , voormalig bestuurder van Rabobank Amersfoort Eemland, had aan [appellanten] de diensten van [private bank] aanbevolen. Op de beleggingen werd verlies geleden. Eind 2002 hebben [appellanten] het vermogensbeheer door [private bank] beëindigd. Op 10 april 2013 heeft Rabobank [appellanten] aangeschreven in verband met een achterstand in de betaling van de hypotheekrente. Omdat de achterstand niet werd betaald, heeft Rabobank de geldleningsovereenkomst opgezegd en op 23 juni 2014 woning 2 door middel van een executieveiling verkocht. Na aftrek van de opbrengst van woning 2 op de veiling, hebben [appellanten] voor wat betreft de geldleningsovereenkomst nog een schuld van € 569.666,45 aan Rabobank. Daarnaast hebben [appellanten] een schuld aan Rabobank vanwege roodstand op hun betaalrekeningen.

3.3

Rabobank heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld om het restant van de hypothecaire geldlening en de roodstand op de betaalrekeningen aan haar te betalen. [appellanten] hebben deze vordering bestreden. Ook hebben zij een tegenvordering ingesteld. Deze tegenvordering kwam er kort gezegd op neer dat de rechtbank Rabobank zou veroordelen tot schadevergoeding (waarvan de hoogte in een andere procedure wordt vastgesteld) en tot opheffing van het beslag op het vakantiehuis van [appellanten] in Frankrijk. Daarvoor voerden [appellanten] onder andere aan dat Rabobank hen bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst niet goed heeft geadviseerd en een te hoge geldlening heeft aangeboden, waardoor zij schade hebben geleden. De rechtbank heeft de vorderingen van Rabobank toegewezen, de tegenvorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

3.4

[appellanten] hebben tegen dit vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Zij hebben drie bezwaren (grieven) tegen het vonnis aangevoerd en hun tegenvordering in hoger beroep veranderd. In plaats van dat zij vorderen dat Rabobank wordt veroordeeld tot schadevergoeding, vorderen zij nu dat het hof vaststelt dat de vordering van Rabobank is verrekend met de vordering van [appellanten] Tegen deze wijziging van de tegenvordering van [appellanten] heeft Rabobank geen bezwaar gemaakt. Het hof zal bij de beoordeling van de gewijzigde vordering uitgaan.

3.5

Het hof zal de bezwaren en de gewijzigde tegenvordering gezamenlijk bespreken. Dan zal blijken dat de bezwaren niet opgaan, dat de (gewijzigde) tegenvordering niet kan worden toegewezen en dat het vonnis van de rechtbank dus in stand blijft.

3.6

Uit de toelichting op de bezwaren die [appellanten] tegen het vonnis van de rechtbank hebben gemaakt en uit de antwoorden van [appellanten] op vragen van het hof op de zitting, blijkt dat het [appellanten] in hoger beroep er vooral om gaat dat Rabobank hen niet goed heeft geadviseerd en daarmee de zorgplicht die zij tegenover [appellanten] heeft, heeft geschonden. Wat [appellanten] Rabobank vooral verwijten is dat Rabobank hen niet heeft gewaarschuwd dat de beleggingen die zij uit de overwaarde van woning 1 hebben gedaan, ook tot verlies konden leiden. [appellanten] verwijten Rabobank verder dat zij aan [appellanten] alleen [private bank] als vermogensbeheerder heeft voorgesteld.

3.7

De maatschappelijke functie van banken brengt een bijzondere zorgplicht mee. De zorgplicht heeft ook tot doel om de klant te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid, onder meer door hem goed te informeren, en kan een waarschuwingsplicht inhouden. De reikwijdte en inhoud van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn ook de relevante ervaring en deskundigheid van de klant, de complexiteit van het financiële product en de risico’s die daaraan zijn verbonden en of de klant een particulier of een ondernemer is van belang.

3.8

Voor zover Rabobank, in de persoon van [voormalig bestuurder] , [appellanten] het idee aan de hand heeft gedaan om de overwaarde van woning 1 (deels) te beleggen, is Rabobank niet in deze (bijzondere) zorgplicht tekort geschoten. De financiële constructie waarover tussen [appellanten] en Rabobank is gesproken, betreft geen ingewikkeld financieel product. De opzet was eenvoudig. De opbrengst van woning 1 zou (deels) worden belegd, terwijl voor de gehele financiering van woning 2 een hypothecaire geldlening zou worden afgesloten. Daarbij geldt dat [appellanten] ervaren ondernemers en vermogende particulieren waren. [appellanten] hebben bij de verkoop van woning 1 een overwaarde gerealiseerd ten bedrage van (omgerekend) € 1.234.282,-, waarvan zij uiteindelijk een deel ter grootte van circa € 900.000,- hebben laten beleggen. Daarnaast staat vast dat [appellanten] ervoor hebben gekozen om met [private bank] een vermogensbeheerrelatie aan te gaan en hun inleg in beginsel voor een periode van vijf jaar aan [private bank] ter beschikking hadden gesteld. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, heeft Rabobank in het kader van de financiering van woning 2 niet te veel geld aan [appellanten] geleend. De geldleningsovereenkomst is aangegaan op basis van de destijds geldende waarde van de woning en de inkomsten van [appellanten] Tegen deze beoordeling door de rechtbank hebben [appellanten] geen bezwaar gemaakt. Aan die beoordeling is het hof dan ook gebonden. Zoals Rabobank heeft aangevoerd, en [appellanten] hebben dat niet bestreden, was de keuze om de overwaarde van woning 1 (deels) te beleggen ook geen voorwaarde voor het kunnen afsluiten van de geldleningsovereenkomst. [appellanten] hebben de rentelasten ook gedurende tenminste tien jaar ná het beëindigen van de relatie met [private bank] kunnen voldoen. De eventuele inkomsten uit de beleggingen waren niet noodzakelijk om aan de verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst te voldoen. Het aangaan van de geldleningsovereenkomst was dan ook niet op zodanige wijze verbonden met de voorgestelde beleggingen dat in feite sprake zou zijn van een belegging met geleend geld. Van een ingewikkelde constructie of complex financieel product, zoals [appellanten] betogen, is dan ook geen sprake. Onder deze omstandigheden had Rabobank, als geldverstrekker, geen bijzondere plicht om [appellanten] ervoor te waarschuwen dat met de beleggingen ook verlies geleden kon worden.

3.9

Ook voor zover Rabobank [private bank] aan [appellanten] heeft voorgesteld als vermogensbeheerder en Rabobank [appellanten] bij [private bank] heeft geïntroduceerd, kan niet worden gezegd dat Rabobank is tekort geschoten in haar zorgplicht ten opzichte van [appellanten] hebben het idee van [voormalig bestuurder] van Rabobank om de overwaarde van woning 1 (deels) te beleggen overgenomen. Het stond hen vrij die beleggingen te doen op de wijze die zij zelf goed dachten. Uit wat [appellanten] hebben gesteld, volgt niet dat Rabobank de opdracht heeft aanvaard of zichzelf de positie heeft aangemeten om [appellanten] te adviseren over de wijze van beleggen. Dat [voormalig bestuurder] een goede referentie voor [private bank] heeft afgegeven en [appellanten] heeft aangeraden om hun vermogen door [private bank] te laten beheren is daarvoor onvoldoende. Het stond [appellanten] uiteraard vrij om de aanbeveling van [voormalig bestuurder] al dan niet op te volgen. [appellanten] heeft, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Rabobank, onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat Rabobank als tussenpersoon tussen [appellanten] en [private bank] heeft bemiddeld. Rabobank was, gelet op de verhouding tussen [appellanten] en Rabobank zoals die hiervoor is geschetst, niet gehouden om [appellanten] ook op andere vermogensbeheerders te wijzen.

3.10

Inmiddels is [private bank] opgegaan in Rabobank. Voor Rabobank geldt ook een bijzondere zorgplicht ten opzichte van de klanten voor wie zij het vermogen beheert (vergelijk het huidige artikel 4:23 Wft). Die zorgplicht houdt onder meer in dat de vermogensbeheerder vooraf naar behoren onderzoek moet doen naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van de cliënt en dat zij hem dient te waarschuwen voor eventuele risico's die aan een voorgenomen of toegepaste beleggingsvorm zijn verbonden, alsook voor het feit dat een door hem voorgenomen of toegepaste beleggingsstrategie niet past bij zijn financiële mogelijkheden of doelstellingen, zijn risicobereidheid of zijn deskundigheid. De vraag of deze waarschuwingsplicht in een concreet geval bestaat, hangt af van alle terzake doende omstandigheden van het geval, waaronder de doelstellingen, de risicobereidheid en de inkomens- en vermogenspositie van de cliënt alsmede de mate van deskundigheid en de relevante ervaring van de cliënt. Ook deze plicht strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. Bij een vermogensbeheerrelatie worden in beginsel minder eisen gesteld aan de eigen oplettendheid van de klant dan bij een beleggingsadviesrelatie, nu hij ervan mag uitgaan dat zijn belangen door de bank op goede wijze worden behartigd.

3.11

Het verwijt dat Rabobank in deze zorgplicht is tekort geschoten gaat niet op. Rabobank heeft bij memorie van antwoord stukken (producties 1 en 2) in het geding gebracht. Uit deze stukken blijkt dat [private bank] een analyse heeft gemaakt van de inkomsten, vermogens- en successiesituatie van [appellanten] Op basis daarvan is een vermogensplanningsrapport opgesteld. Uit het vermogensplanningsrapport volgt dat [appellanten] onder meer als doel hadden dat het totale rendement op het vermogen zou worden verhoogd en dat zij bereid waren om in aandelen te beleggen. In het rapport stelt [private bank] een beleggingsportefeuille voor met een gemiddeld risicoprofiel (de [private bank] -adviesportefeuille). [appellanten] zijn ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om op deze stukken te reageren en hebben toen volstaan met een verwijzing naar de spreekaantekeningen van de advocaat. Daarmee zijn deze door Rabobank overgelegde stukken niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Zoals het hof hiervoor al heeft geoordeeld, was geen sprake van beleggen met geleend geld. Niet is gesteld dat sprake was van zogenoemd ‘gebonden kapitaal’ (gebonden kapitaal is kort gezegd vermogen dat nodig en bestemd is voor toekomstige uitgaven zoals studiekosten of de aankoop van een woning of voor levensonderhoud) en dat volgt ook niet uit het vermogensplanningsrapport. [appellanten] hebben in het licht van deze analyse en het vermogensplanningsrapport met het daarin geadviseerde risicoprofiel, waarbij rekening is gehouden met hun geringe ervaring met beleggen en hun persoonlijke risicobeleving, onvoldoende duidelijk gemaakt in hoeverre [private bank] jegens hen is tekortgeschoten. De omstandigheid dat de beleggingen een tegenvallend rendement hadden en tot verlies hebben geleid, wijst niet zonder meer op een tekortschieten van [private bank] . Daarbij is van belang dat uit de door de Rabobank overgelegde brieven van 10 juli 2001 en 14 oktober 2002 volgt dat [private bank] , anders dan [appellanten] aanvoeren, de waardeontwikkeling van de beleggingen volgde en met [appellanten] besprak, en dat [appellanten] er zelf voor hebben gekozen om de vermogensbeheerrelatie voortijdig te beëindigen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Rabobank, hebben [appellanten] hun stellingen dan ook onvoldoende gemotiveerd.

3.12

Voor zover [appellanten] op de zitting in hoger beroep Rabobank ook nog hebben verweten dat zij onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij niet over een vergunning beschikte om te bemiddelen en te adviseren (en [private bank] hen daarom niet had mogen accepteren), betreft dit bovendien een nieuw verwijt. In hoger beroep geldt de regel dat alle bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank en veranderingen in de grondslag van de eis (zoals nieuwe verwijten aan het adres van Rabobank) in beginsel in het eerste inhoudelijke processtuk (in het geval van [appellanten] : de memorie van grieven) moeten zijn opgenomen. Niet is gebleken dat zich een van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op deze regel voordoet. Met dat nieuwe verwijt zijn [appellanten] dus te laat.

4 De slotsom

4.1

De conclusie is dat de bezwaren van [appellanten] tegen het vonnis van de rechtbank niet slagen. [appellanten] hebben niet, in ieder geval niet voldoende concreet en specifiek, feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere conclusie leiden. Het bestreden vonnis zal daarom in stand worden gelaten. De in hoger beroep gewijzigde tegenvordering van [appellanten] kan niet worden toegewezen.

4.2

Omdat [appellanten] in het ongelijk worden gesteld, zullen zij (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Rabobank zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.160

- salaris advocaat € 9.356 (2 punten x tarief VII)

Het hof zal ook de gevorderde nakosten toewijzen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2015;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank vastgesteld op € 5.160 aan verschotten en op € 9.356 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellanten] in de nakosten, begroot op € 157 met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd tot € 246 in geval [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, Ch.E. Bethlem en M.G. van ’t Westeinde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.