Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6525

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
18/00610
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2805, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Persoonsgebonden aftrek. Uitgaven voor specifieke zorgkosten. Extra vervoerskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2019
V-N Vandaag 2019/2046
FutD 2019-2393
V-N 2019/55.27.2
NTFR 2019/2335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00610

uitspraakdatum: 13 augustus 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 juni 2018, nummer AWB 17/4800, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.704. Bij beschikking is € 152 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019. Belanghebbende is bij aangetekend verzonden brief van 29 april 2019 uitgenodigd voor het bijwonen van de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 18 juli 2019. De uitnodiging is verzonden naar het adres van belanghebbende op [a-straat 1] , [Z] . Uit het dossier blijkt dat de uitnodiging op 30 april 2019 in ontvangst is genomen. Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [A] .

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren in 1956, is arbeidsongeschikt. Hij woont samen met zijn echtgenote. Alleen belanghebbende heeft een rijbewijs. Belanghebbende beschikt in het jaar 2015 over een Nissan Qashqai.

2.2.

In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 heeft belanghebbende aftrek van specifieke zorgkosten opgenomen voor (onder andere) extra uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit. De Inspecteur heeft hiervan slechts een gedeelte in aftrek toegelaten. De samenstelling van het belastbare inkomen volgens de aangifte en het belastbare inkomen waarnaar de aanslag is vastgesteld, zijn in de onderstaande tabel opgenomen (in €).

Aangifte

Aanslag

Inkomen uit werk en woning vóór persoonsgebonden aftrek

25.622

25.622

Uitgaven voor medicijnen

1.840

1.840

Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit

13.960

5.295

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

310

310

Uitgaven voor kosten geneeskundige hulp

96

0

Verhoging specifieke zorgkosten

6.444

2.978

Drempel

-505

-505

= Aftrekbaar

22.145

9.918

Belastbaar inkomen uit werk en woning

3.477

15.704

2.3.

Naar aanleiding van door de Inspecteur bij de aanslagregeling gestelde vragen heeft belanghebbende gesteld dat hij in 2015 in totaal 15.293 kilometers met zijn auto heeft gereden. Belanghebbende heeft dit aantal berekend door de totale brandstofkosten (€ 1.091,20) te delen door de gemiddelde prijs per liter (€ 1,37) en de uitkomst, het aantal liters brandstof, te vermenigvuldigen met een gemiddeld aantal per liter te rijden kilometers (19,2). De kosten per kilometer heeft belanghebbende berekend op € 0,52. Hij is hierbij uitgegaan van de Nissan Qashqai met een aanschafprijs van € 13.895, een kilometerstand bij aanschaf van 59.000 en gemiddeld 14.367 gereden kilometers per jaar. De privékilometers heeft belanghebbende op 5.110 gesteld, zodat het aantal extra kilometers 10.183 bedraagt. Rekening houdend met een bedrag van € 0,52 per km volgens de ANWB-calculator, bedraagt het in aanmerking te nemen bedrag € 5.295.

2.4.

Bij brief van 18 mei 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende bericht dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 zal worden vastgesteld in afwijking van de aangifte en dat daarbij de in aanmerking te nemen extra vervoerskosten zijn verminderd van € 13.960 tot € 5.295. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 is op 17 juni 2017 overeenkomstig de aankondiging door de Inspecteur opgelegd.

2.5.

In zijn bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2015 heeft belanghebbende aangevoerd dat de aanslag is vastgesteld zonder rekening te houden met extra (brandstof)kosten. Per kilometer dienen de kosten volgens belanghebbende op € 0,66 te worden vastgesteld. Uitgaande van € 1.274,21 aan brandstofkosten en een brandstofprijs van € 1,37 per liter, is het aantal liters 931. Met deze liters kan een afstand worden afgelegd van 17.876 kilometers (19,2 km per liter). Na aftrek van het aantal privé gereden kilometers van 5.110 is het aantal extra gereden kilometers 12.766. Vermenigvuldigd met € 0,66 per kilometer is het aftrekbare bedrag € 8.426, aldus belanghebbende.

2.6.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer (extra) kosten voor vervoer ten gevolge ziekte of invaliditeit heeft gemaakt dan al door de Inspecteur in aanmerking zijn genomen. Het standpunt van belanghebbende, dat hij aan de behandeling van de aangifte het vertrouwen mocht ontlenen dat slechts 5.110 kilometers als privékilometers (kilometers die vergelijkbare personen die niet invalide zijn gemiddeld rijden) in aanmerking zouden worden genomen, heeft de Rechtbank verworpen.

2.7.

Tot de gedingstukken behoort een uitdraai van de website meerkosten.nl. In de tweede tabel is het gemiddeld aantal privékilometers per jaar in verschillende gezinssituaties weergegeven. Voor de situatie van een paar zonder kinderen met één auto en één rijbewijs en een besteedbaar inkomen tot € 20.000 per jaar geeft de tabel een gemiddeld aantal privékilometers (in deze publicatie dus kilometers die vergelijkbare personen die niet invalide zijn gemiddeld rijden, maar zonder woon-werkverkeer en andere zakelijke kilometers) van 5.110 per jaar.

2.8.

Tot de gedingstukken behoort voorts een uitdraai van informatie die op internet is te vinden over het nieuwe rijden.

3 Geschil

In geschil is of belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag voor aftrek van specifieke zorgkosten dan de Inspecteur heeft geaccepteerd.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 behoren tot de persoonsgebonden aftrekposten uitgaven voor specifieke zorgkosten. Onder specifieke zorgkosten vallen op grond van artikel 6.17 van deze wet uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor (onder andere) vervoer. Naast uitgaven voor vervoer naar arts of ziekenhuis, gaat het bij deze kosten om door ziekte of invaliditeit opgeroepen extra vervoerskosten. Dergelijke kosten kunnen worden aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten indien en voor zover zij niet behoren tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als de belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 18 april 2001, nr. 34693, ECLI:NL:HR:2001:AB1017, BNB 2001/247).

4.2.

In hoger beroep is niet in geschil dat belanghebbende extra kosten maakt voor vervoer als rechtstreeks gevolg van zijn invaliditeit. Slechts in geschil is in welke mate belanghebbende meer vervoerskosten maakt in vergelijking met personen die niet ziek of invalide zijn doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als belanghebbende. Het Hof zal hierna de vervoerskosten van die vergelijkbare personen aanduiden als normkosten en voor zover het gaat om het aantal door die vergelijkbare personen gereden kilometers per jaar als normkilometers.

4.3.

In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat het aantal gereden kilometers veel hoger moet zijn geweest, gelet op zijn zuinige stijl van rijden. Belanghebbende heeft in dit verband verwezen naar de uitgangspunten bij het nieuwe rijden. Bij zijn berekening is belanghebbende uitgegaan van de kosten per kilometer waarvan hij in de aangifte is uitgegaan, namelijk € 0,52. Belanghebbende heeft de extra vervoerskosten als volgt berekend:

Benzinekosten: € 1.091,20

Gemiddelde prijs: € 1,37

Verbruik: 1/24,4

€ 1.091,20 : 1,37 = 796,5 liter x 24,4 = 19.434,60 km

Vergoeding bedraagt: € 0,52 x 19.434,60 = € 10.105,99

Privé 5.110 km x € 0,52 € 2.567,20

Aftrekbare extra vervoerskosten: € 7.538,78

4.4.

De Inspecteur betwist de hoogte van de door belanghebbende in totaal gemaakte autokosten en de door hem in totaal gereden kilometers. Daarnaast betwist de Inspecteur de hoogte van de in aanmerking te nemen normkosten of in aanmerking te nemen normkilometers. Volgens de Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag in voldoende mate rekening gehouden met de extra vervoerskosten van belanghebbende.

4.5.

De bewijslast van de hoogte van de extra vervoerskosten rust op belanghebbende. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende, buiten de hoogte van de brandstofkosten, geen enkel inzicht heeft gegeven in de andere feitelijk door hem gemaakte autokosten. Zo ontbreekt ieder inzicht in de door belanghebbende gedane uitgaven voor verzekering, belasting en onderhoud en ontbreekt inzicht in de hoogte van de feitelijke of geschatte afschrijving van de auto. Ook heeft belanghebbende geen gegevens verstrekt over de normkosten van vergelijkbare personen. Voor wat de omvang van de brandstofkosten betreft, heeft belanghebbende wel een overzicht met diverse cijfers ingebracht, maar geen bewijs van betaling en/of bonnetjes/facturen.

4.6.

Ook met zijn berekening van de extra vervoerskosten op basis van het verschil tussen de door belanghebbende gereden kilometers en de normkilometers heeft belanghebbende het vereiste bewijs niet geleverd. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende daadwerkelijk het door hem gestelde aantal kilometers van 19.434,60 heeft gereden. In de eerste plaats wijst het Hof erop dat dit kilometeraantal aanzienlijk hoger is dan hetgeen belanghebbende bij de aanslagregeling heeft bepleit, te weten 15.293 km, hetgeen slechts wordt verklaard door gebruik van een sterk afwijkend verbruikscijfer (bij de aanslagregeling 1:19,2; in hoger beroep 1:24,4). Daarnaast ontbreekt elke controleerbare vastlegging van het daadwerkelijk aantal in het jaar 2015 gereden kilometers. Dat belanghebbende in staat is een verbruik van gemiddeld 1 liter brandstof op 24,4 km te halen acht het Hof niet aannemelijk. Anders dan dat door belanghebbende wordt gesteld dat een dergelijk gunstig verbruik in theorie haalbaar is, is er geen enkele concrete aanwijzing dat dit verbruik ook door belanghebbende daadwerkelijk is behaald. De omstandigheid dat belanghebbende veelal op buitenwegen rijdt en dat hij een zuinige rijstijl heeft, acht het Hof in dit verband van onvoldoende gewicht.

4.7.

Het Hof is, met de Rechtbank, van oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat een hoger bedrag aan (extra) kosten voor vervoer wegens invaliditeit in aanmerking moet worden genomen dan door de Inspecteur is toegestaan.

4.8.

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op bij hem gewekt vertrouwen. Het Hof leidt uit het dossier af dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag akkoord is gegaan met een aftrek van € 5.295 aan extra vervoerskosten, conform de berekening van belanghebbende. Dat bij belanghebbende op enige wijze de gerechtvaardigde indruk is ontstaan dat de Inspecteur met een hoger bedrag akkoord zou gaan of zou zijn gegaan dan wel aan belanghebbende een concrete toezegging met deze strekking zou hebben gedaan, is niet gebleken. Belanghebbende betoogt in bezwaar, beroep en hoger beroep met telkens een nieuwe berekening dat een hogere aftrek moet worden verleend. De Inspecteur heeft deze berekeningen gemotiveerd betwist en geweigerd een hogere aftrek te verlenen. Deze houding verdraagt zich niet met het wekken van vertrouwen dat een hoger bedrag akkoord is of kan worden geaccepteerd. De Inspecteur is bij de aanslagregeling akkoord gegaan met het aantal normkilometers van 5.110. Dit kan voor belanghebbende niet tot een hogere aftrek leiden. Deze acceptatie betekent immers niet dat iedere berekening waarin dit aantal als normkilometers wordt gehanteerd, door de Inspecteur moet worden (of: is) geaccepteerd.

4.9.

Belanghebbende heeft in beroep aangevoerd dat hij ten onrechte niet was gewezen op de mogelijkheid om telefonisch te worden gehoord. Indien hij dit wel had geweten, had hij hiervan gebruik kunnen maken. Hoewel het niet helemaal duidelijk is of belanghebbende met dit standpunt bedoelt dat hij alsnog mondeling (al dan niet telefonisch) door de Inspecteur wil worden gehoord, verbindt het Hof aan deze opmerking geen gevolgen. Het Hof leest in de brief van belanghebbende van 6 augustus 2017 dat belanghebbende op schriftelijke wijze gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid het bezwaar mondeling toe te lichten. Daarmee heeft belanghebbende gebruik gemaakt van zijn recht te reageren op de aankondiging van de Inspecteur. Dat de Inspecteur de schriftelijke reactie van belanghebbende vervolgens, volgens belanghebbende, in eigen woorden heeft samengevat terwijl belanghebbende zelf zijn woorden kiest, doet hieraan niet af. Het Hof leidt uit de samenvatting van de Inspecteur af dat laatstgenoemde de strekking van het bezwaar heeft begrepen.

4.10.

De Inspecteur heeft een beroep gedaan op interne compensatie voor de kosten van geneeskundige hulp (€ 96), die bij het vaststellen van de aanslag over het hoofd zijn gezien. Het Hof leidt uit de brief van de Inspecteur van 18 mei 2017 af dat de aanslagregelend ambtenaar de berekening van belanghebbende van de extra kosten van vervoer wegens ziekte en invaliditeit heeft gevolgd. Voor interne compensatie ziet het Hof dan ook geen ruimte. Het Hof zal het vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning verminderen met € 96. In zoverre is het hoger beroep gegrond.

4.11.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep met betrekking tot het verzamelinkomen en de belastingrente is slechts gegrond voor zover het de vermindering van de aanslag betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Omdat het hoger beroep gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten omdat niet is gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.608,

– vermindert de belastingrente en het verzamelinkomen overeenkomstig de vermindering van de aanslag, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 126 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 13 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak te De voorzitter,

ondertekenen.

(C.E. te Brake) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 augustus 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.