Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6388

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
200.249.665/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoerder pas in hoger beroep betrokken als formele procespartij in alimentatiezaak. Inleidend verzoek tot alimentatie niettemin ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.249.665/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/454307 / FL RK 18-246)

beschikking van 1 augustus 2019

inzake

[A] , handelende onder de naam [B],

in zijn hoedanigheid van (beschermings)bewindvoerder van:

[verzoeker] ,

wonende te [C] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Gül te Almere,

en

[A] , handelende onder de naam [B],

in zijn hoedanigheid van (beschermings)bewindvoerder van:

[verweerster] ,

wonende te [C] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P. de Haan te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 15 augustus 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 november 2018;

- het verweerschrift met productie(s);

- een tweetal journaalberichten van mr. Gül van 9 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Gül van 10 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Gül van 15 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Haan van 20 mei 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2019 in Zwolle plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Gül. De vrouw is niet verschenen. Namens haar is mr. De Haan verschenen.

Ter mondelinge behandeling heeft mr. De Haan een verklaring d.d. 20 mei 2019 van de bewindvoerder overgelegd.

Het hof heeft mr. Gül ter zitting laten weten dat haar brief van 9 mei 2019, gevoegd bij een van de journaalberichten van 9 mei 2019, buiten beschouwing wordt gelaten nu dit een uitvoerige toelichting op de geschilpunten betreft, die als tweede schriftelijke ronde valt aan te merken, hetgeen niet is toegestaan en waartegen namens de vrouw bezwaar is gemaakt. De bij voornoemd journaalbericht overgelegde overige stukken zijn wel door het hof meegenomen.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2010, en

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2012,

over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent. Partijen hebben samengewoond en hebben medio maart 2017 hun relatie verbroken. De man heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] erkend. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Partijen staan sinds 2011 onder beschermingsbewind. Bij afzonderlijke beschikkingen van 28 januari 2016 heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, de voormalige bewindvoerder ontslagen en met ingang van die datum [A] , handelend onder de naam [B] , tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

3.3.

Uit de overgelegde stukken (de journaalberichten van 15 mei 2019 en 20 mei 2019) en met name uit de ter zitting overgelegde verklaring/bevestiging van de bewindvoerder van 20 mei 2019 blijkt dat de bewindvoerder zowel de vrouw als de man toestemming heeft gegeven om een advocaat in te schakelen voor hun geschil rondom de kinderalimentatie en om door tussenkomst van de rechter tot een eerlijke en afgewogen oplossing te komen. In het schrijven van 10 mei 2019 (journaalbericht van 15 mei 2019) verklaart de bewindvoerder ook bekend te zijn met en toestemming te hebben verleend voor het instellen van het hoger beroep en het voortzetten van de procedure bij het hof.

Het hof komt hierop terug onder punt 5.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil in deze procedure betreft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: kinderalimentatie).

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2017 bepaald op € 121,-- per kind per maand.

4.2

De man is met drie (ongenummerde) grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 augustus 2018. Deze grieven zien op de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de man en de ingangsdatum. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking (zoals het hof begrijpt:) wat betreft de daarin vastgestelde kinderalimentatie te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de vrouw strekkende tot vaststelling van de kinderalimentatie alsnog af te wijzen, dan wel de bijdrage van de man

met terugwerkende kracht op nihil te stellen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4.3.

De vrouw voert verweer en zij verzoekt het door de man ingestelde beroep ongegrond te verklaren, althans het verzoek af te wijzen, althans een bijdrage te bepalen die het hof redelijk acht.

5 De motivering van de beslissing

De ontvankelijkheid van de vrouw in het verzoek tot kinderalimentatie en de man in zijn hoger beroep

5.1.

Ter zitting van het hof heeft de man zich primair op het standpunt gesteld dat de vrouw alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar op 2 februari 2018 bij de rechtbank ingediende verzoek strekkende tot vaststelling van kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

5.2.

De man voert aan dat de vrouw hem ten onrechte in rechte heeft betrokken, nu partijen onder bewind staan en niet procesbevoegd zijn inzake de alimentatiekwestie.

Bij de rechtbank zijn beide partijen in persoon opgetreden door tussenkomst van hun advocaten. De advocaten noch de rechtbank hebben destijds onderkend dat partijen niet bevoegd waren te procederen. De bestreden beschikking dient volgens de man derhalve reeds op die grond te worden vernietigd. Dat de bewindvoerder heeft ingestemd met het voeren van deze procedure maakt dit volgens de man niet anders.

5.3.

Het hof neemt het volgende in aanmerking. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (artikel 1:438, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (artikel 1:441, eerste lid, BW). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. In familierechtelijke zaken zal dat met name alimentatie- en boedelzaken betreffen. Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend (Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).

5.4.

De Hoge Raad overwoog in voormelde uitspraak het volgende. In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een procedure met betrekking tot een onder bewind gesteld goed tegen de rechthebbende zelf is ingesteld door een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, kan het bewind niet aan de wederpartij worden tegengeworpen. De procedure kan dus tegen de rechthebbende zelf aanhangig worden gemaakt en gevoerd. Gelet op het beschermingskarakter van het bewind brengt een redelijke wetstoepassing in een zodanig geval echter mee dat, indien de bewindvoerder tijdens het geding - zolang dit niet door een onherroepelijk geworden uitspraak is geëindigd - ervan op de hoogte raakt dat de rechthebbende zelf als partij is betrokken bij een geding over een onder bewind gesteld goed, hij in dat geding kan verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande van overeenkomstige toepassing. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.

5.5.

Hoewel de bewindvoerder in eerste aanleg niet bij naam is aangemerkt als formele procespartij, staat voor het hof vast dat de bewindvoerder ingestemd heeft met het voeren van de procedure over de kinderalimentatie. De bewindvoerder bevestigt uitdrukkelijk in zijn schriftelijke verklaring van 20 mei 2019 dat hij zowel de vrouw als de man toestemming heeft gegeven om een advocaat in te schakelen voor hun geschil rondom de kinderalimentatie en te procederen, om zo via de rechter tot een eerlijke en afgewogen oplossing te komen. De bewindvoerder voegt daaraan toe dat hij beide partijen toestemming heeft gegeven, omdat (1) de hoogte van de kinderalimentatie voor beiden van groot belang is en (2) de kosten voor deze rechtsprocedure, via rechtsbijstand, geen gevaar opleveren voor een disbalans in de inkomsten en uitgaven van betrokkenen. Verder geeft de bewindvoerder aan zich in dit geschil neutraal op te stellen en zich te beperken in zijn rol tot het verstrekken van de financiële informatie die beide advocaten nodig hebben om het proces te kunnen voeren.

5.6.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de positie van de bewindvoerder inmiddels in hoger beroep voldoende is gewaarborgd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de strekking van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen is dat het erom gaat dat de bewindvoerder in de procedure wordt betrokken en de kans krijgt zich inhoudelijk te bemoeien met de zaken die het bewind aangaan. Dit laatste is naar het oordeel van het hof in voldoende mate aan de orde, nu vaststaat dat de bewindvoerder toestemming heeft gegeven en de advocaten gemachtigd heeft tot het voeren van deze procedure. Nu bovendien het hoger beroep er mede toe strekt om onvolkomenheden uit de eerste aanleg te herstellen, hetgeen bij voornoemde journaalberichten van 15 en 20 mei 2019 en bij de brief van de bewindvoerder van 20 mei 2019 is gebeurd, ziet het hof dan ook geen reden om de vrouw alsnog in haar inleidend verzoek en/of de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

De kinderalimentatie

5.7.

Op grond van artikel 1:404 lid 1 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Hieruit volgt dat de in geding zijnde onderhoudsverplichting wordt begrensd door enerzijds de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en anderzijds de draagkracht van de ouders.

5.8.

Voor de beoordeling van de behoefte en de draagkracht wordt het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen tot uitgangspunt genomen. Het na de hierna uiteengezette berekening gevonden bedrag voor kinderalimentatie zal worden afgerond op een geheel bedrag.

* de ingangsdatum

5.9.

Tussen partijen is de ingangsdatum van de kinderbijdrage voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in geschil. Deze is door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald op 1 april 2017.

5.10.

De vrouw verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van 1 maart 2017, dan wel per 1 april 2017. Zij wijst erop dat partijen in maart 2017 uit elkaar zijn gegaan, dat de man sindsdien nimmer heeft bijgedragen in de kosten van de kinderen en dat zij de man destijds ook heeft aangesproken op zijn onderhoudsplicht. De man is van mening dat, voor zover het hof aanleiding vindt een alimentatiebijdrage vast te stellen, als eerste ingangsdatum zou moeten gelden de datum van de beschikking van het hof, althans de datum van de uitspraak van de rechtbank, althans de datum van het verzoekschrift van de vrouw van 2 februari 2018.

5.11.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken.

Doorgaans wordt in zaken als deze gekozen voor de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift, in dit geval onbetwist 2 februari 2018, omdat vanaf dat moment voor alle betrokkenen duidelijk is dat rekening dient te worden gehouden met een eventuele alimentatieverplichting. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om een andere ingangsdatum te kiezen.

* de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

5.12.

Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dient te worden vastgesteld.

5.13.

Het hof stelt vast - gelet op de stukken en de behandeling ter zitting - dat niet in geschil is dat partijen medio 2017 hun samenleving hebben verbroken en dat de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] berekend kan worden aan de hand van de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" van 2017, behorend bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen. Het geschil spitst zich toe op de vraag welk gezinsinkomen tot uitgangspunt moet worden genomen bij het vaststellen van de behoefte.

5.14.

De man betwist dat het eigen aandeel in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 173,-- per kind per maand bedraagt. De man stelt dat het gezinsinkomen tijdens de samenleving van partijen in 2017 op bijstandsniveau lag en berekent de totale behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op basis daarvan op € 251,-- per maand, zijnde afgerond € 126,-- per kind per maand (journaalbericht van 9 mei 2019, productie 6).

De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor het vaststellen van de behoefte van de kinderen niet alleen relevant is dat de man de eerste tweeënhalve maand (t/m 12 maart 2017) een WW-uitkering heeft genoten, maar eveneens het inkomen dat de man vanaf 13 maart 2017 heeft verdiend bij het [D] te [E] . De vrouw berekent het totale inkomen van de man over 2017 op (WW-uitkering ad € 4.286,-- + salaris uit dienstbetrekking € 19.274,-- =) in totaal € 23.560,--. Volgens de vrouw dient van dit inkomen te worden uitgegaan bij het vaststellen van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Zelf was de vrouw geheel 2017 aangewezen op een uitkering van de gemeente Almere. Zij heeft uiteindelijk in dat jaar een uitkering ontvangen van in totaal € 11.536,--.

5.15.

Het hof overweegt als volgt. Naast het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen, is in de tabel het netto gezinsinkomen in de laatste periode van de relatie dan wel het huwelijk een bepalende factor. De behoeftebepaling van een minderjarige die in gezinsverband met de ouders heeft geleefd strekt er in beginsel toe de welstand die het kind gewoon was zoveel mogelijk te laten continueren na het verbreken van de samenleving van de ouders. In zo'n geval wordt daarom aanbevolen het netto gezinsinkomen in de laatste periode van samenwoning in aanmerking te nemen in de tabel, tenzij het inkomen van een van de ouders nadien hoger is dan het toenmalige gezinsinkomen. In laatstgenoemde situatie wordt dat hogere inkomen in aanmerking genomen vanuit de gedachte dat een kind mee dient te profiteren van de gestegen welvaart van de ouder(s).

5.16.

Het hof zal bij berekening van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uitgaan van het inkomen van de man zoals dat blijkt uit de door hem in het geding gebrachte jaaropgave over 2017 van [D] [E] , waaruit blijkt dat de man met ingang van 13 maart 2017 tot en met december 2017 (over 42 weken) een fiscaal loon van in totaal € 19.274,-- heeft gegenereerd. Dit inkomen komt geëxtrapoleerd naar een jaar neer op een bruto jaarinkomen van afgerond € 23.830,--. Uitgaande van dit inkomen had de man - na inhouding van belastingen (naar de tarieven van 2017), waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen - een netto besteedbaar inkomen van € 1.688,-- per maand. Dit is een hoger inkomen dat het door de man gestelde gezamenlijke gezinsinkomen (op bijstandsniveau) van de ouders ten tijde van hun relatie. Het hof acht het dan ook in lijn met de hiervoor genoemde uitgangspunten redelijk om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te laten profiteren van deze stijging van het inkomen van de man. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

5.17.

Het hof berekent de behoefte van de minderjarigen op basis van het inkomen van de man in 2017 aan de hand van de behoeftetabel (2 kinderen, 6 punten) behorend bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen op afgerond € 164,-- per kind per maand.

Per 1 januari 2018 bedraagt deze behoefte, als gevolg van de wettelijke indexering, afgerond € 166,-- per kind per maand. Partijen dienen naar rato van draagkracht in die behoefte te voorzien.

* de draagkracht van de vrouw

5.18.

Niet in geschil is dat de vrouw op grond van de Participatiewet een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangt van de gemeente Almere.

Overeenkomstig de aanbevelingen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (versie januari 2019) zal het hof geen draagkracht aannemen bij de vrouw als verzorgende ouder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , nu zij een bijstandsuitkering ontvangt.

* de draagkracht van de man

5.19.

De man stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgelegde kinderalimentatie van € 121,-- per kind te voldoen. Volgens de man heeft de rechtbank bij het vaststellen van de door hem te betalen kinderalimentatie ten onrechte geen rekening gehouden met de schulden van de man.

5.20.

De man wijst erop dat hij, na zijn eerdere (tijdelijke) dienstbetrekking bij [D] te [E] (vanaf maart 2017), met ingang van 1 februari 2019 een nieuwe dienstbetrekking heeft bij [F] B.V / [G] , waaruit hij een inkomen genereert van € 26.179,-- bruto per jaar, en dat hij volgens zijn eigen berekening uitgaande van dit inkomen een beschikbare draagkracht heeft van € 212,-- per maand (journaalbericht van 10 mei 2019, productie 12). De man voert echter aan dat bij de bepaling van zijn voor de kinderalimentatie beschikbare draagkracht niet alleen rekening dient te worden gehouden met zijn netto besteedbaar inkomen (door de man berekend op € 1.746,-- per maand) maar ook met zijn hoge schulden. De man heeft in zijn hoger beroepschrift gesteld dat zijn schuldenlast in totaal € 19.344,87 bedraagt. Deze schulden hebben voornamelijk betrekking op belastingtoeslagen en een studieschuld. De man is van mening dat de schulden niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, gezien de financiële situatie van de man gedurende de relatie van partijen en in de periode erna. Op dit moment is de man bezig met schuldhulpverlening en hij verzoekt het hof gezien zijn financiële situatie het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de kinderalimentatie alsnog af te wijzen dan wel de bijdrage van de man (voor de periode van de schuldhulpverlening) op nihil te stellen.

5.21.

De vrouw betwist dat er bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening dient te worden gehouden met de door de man opgevoerde schuldenlast. Volgens de vrouw heeft de man, ook in de onderhavige procedure in hoger beroep, onvoldoende inzicht gegeven in de schulden en de aflossing daarvan en niet, althans onvoldoende aangetoond dat deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn (geweest). Zij wijst erop dat het geen schulden uit de relatie van partijen betreft maar met name een 17 jaar oude studieschuld, uit 2002, waarop de man jarenlang niet heeft afgelost. De vrouw betwist dat de man thans aflost op zijn schulden. De vrouw kan zich vinden in de beschikbare draagkracht van de man zoals door de man op basis van zijn nieuwe dienstbetrekking berekend op € 212,-- per maand.

5.22.

Gelet op de stukken en de behandeling ter zitting blijkt voldoende dat de man niet volledig over zijn inkomsten kan beschikken. Zo heeft de man in hoger beroep een overeenkomst met de schuldhulpverlenende instelling [H] te [I] overgelegd (productie 3), waaruit blijkt dat de man - met goedkeuring van zijn bewindvoerder - op 18 juli 2018 een overeenkomst tot schuldbemiddeling voor 36 maanden heeft afgesloten. De man verplicht zich daarmee onder meer om in het kader van de schuldbemiddeling al het aangewezen inkomen boven het vrij te laten bedrag van € 1.667,72 netto per maand aan te wenden voor aflossing van de schulden.

5.23.

Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de man van hetgeen hij aan inkomsten genereert slechts kan beschikken over genoemd vrij te laten bedrag van afgerond € 1.668,-- per maand (voor de betaling van zijn vaste lasten en om van te leven) en dat het meerdere door zijn bewindvoerder wordt aangewend voor de betaling van zijn schulden.

Daarom zal bij de bepaling van de draagkracht van de man genoemd bedrag worden aangemerkt als zijn netto besteedbaar inkomen. Om proceseconomische redenen zal het hof geen onderscheid maken tussen de periode voordat voormelde overeenkomst inzake schuldhulpverlening werd gesloten en de periode daarna, mede vanwege het geringe belang daarvan. Daartoe wordt overwogen dat het netto inkomen van de man uit arbeid slechts in beperkte mate afwijkt van het vrij te laten bedrag en dat de periode 2 februari 2018 - 18 juli 2018 relatief kort is.

5.24.

De voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 920,--)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,-- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van

€ 920,-- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.25.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule dan 70% x [€ 1.668,-- - (0,3 x € 1.668,-- + € 920,-- )] = afgerond € 173,-- per maand, zijnde afgerond € 87,-- per kind per kind per maand.

* de zorgkorting

5.26.

Op het aandeel van de man wordt in beginsel een korting toegepast wegens de kosten van de omgang, tijdens welke omgang een gedeelte van de kosten van het kind in natura wordt voldaan. Deze kosten van de omgang worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de omgang/zorg.

5.27.

Tussen partijen is niet in geschil dat rekening gehouden kan worden met de minimale zorgkorting van 15%. De zorgkorting bedraagt 15% x € 166,-- = (afgerond) € 25,-- per kind per maand.

5.28.

Als de beschikbare draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte te voorzien, wordt de (aan de onderhoudsplichtige toe te rekenen) helft van dat tekort op de zorgkorting in mindering gebracht. Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht van beide ouders om in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te voorzien (in elk geval) twee keer zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, kan de man zijn zorgkorting niet verzilveren en dient hij met zijn volledige beschikbare draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof zal de hiervoor berekende bijdrage van € 87,-- per kind per maand dan ook aan de man opleggen.

* de eventuele terugbetaling

5.29.

Aangezien de kinderalimentatie van consumptieve aard is overweegt het hof - mede gelet op de beperkte inkomenspositie van de vrouw - dat, voor zover de vrouw ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] meer aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen dan op grond van deze beschikking is bepaald, het teveel betaalde door haar niet aan de man terugbetaald hoeft te worden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 15 augustus 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2010, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2012, met ingang van 2 februari 2018 op € 87,-- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken, met dien verstande dat, voor zover de vrouw in de periode tot heden meer heeft ontvangen dan hiervoor is bepaald, op haar in zoverre geen terugbetalingsverplichting rust;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J. Voerman, I.M. Dölle en M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 1 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.