Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6357

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
08-08-2019
Zaaknummer
200.248.852/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studielening is in overleg overgemaakt op de rekening van moeder van bij haar inwonende, studerende jong meerderjarige. Dat geld is slechts deels doorhaar aan hem doorbetaald. De vraag is, of de zoon zijn moeder kan aanspreken op doorbetaling van het restant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.248.852/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/117925 / HA ZA 17-40)

arrest van 6 augustus 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. D.P. Kant, kantoorhoudend te Goor,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M. Schuring, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding

1.1

Op 24 mei 2017, 21 juni 2017, 10 januari 2018 en 4 juli 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, in deze zaak vonnissen gewezen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding van 4 oktober 2018, de memorie van grieven en de memorie van antwoord. Partijen hebben de stukken aan het hof gestuurd, waarna is beslist dat arrest wordt gewezen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2

[appellant] , geboren [in] 1992, is de zoon van [geïntimeerde] . Vanaf 2011 tot juni 2014 woonde hij met haar en zijn vader en broer grotendeels in een woning van [geïntimeerde] in [A] . Aan [appellant] is over die periode € 50.892,12 aan studiefinanciering toegekend. Dat geld is overgemaakt op een bankrekening van [geïntimeerde] , zoals ook was afgesproken. [geïntimeerde] heeft hiervan in totaal € 25.409,94 aan [appellant] doorbetaald. Ook dat was overeenkomstig de gemaakte afspraak: [geïntimeerde] zou haar zoon geld beschikbaar stellen als hij daarom verzocht. Medio 2014 viel het gezin uiteen en vertrok [geïntimeerde] uit de woning.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste instantie gevorderd dat zijn moeder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan hem van de door haar ontvangen studielening, verminderd met wat zij al aan [appellant] heeft doorbetaald en vermeerderd met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft die vordering bestreden. Voor het geval dat deze toch komt vast te staan en niet door compensatie teniet is gegaan, heeft zij een tegenvordering van € 41.019,- ingesteld, ook vermeerderd met rente en kosten.

3.2

De rechtbank heeft in het vonnis van 4 juli 2018 de vordering van [appellant] afgewezen, omdat hij er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij zijn moeder geld heeft geleend, en dat om die reden ook de gestelde rekening-courantverhouding tussen beiden niet was komen vast te staan. In hoger beroep komt [appellant] daartegen op: hij blijft erbij dat hij in 2011 met zijn moeder heeft afgesproken dat het op haar bankrekening resterende saldo van de studiefinanciering als een lening moet worden beschouwd en dat zij dat bedrag diende terug te betalen op het moment dat hij de kosten van zijn opleiding na afronding van zijn studie aan [B] aan die Business School moest voldoen, of op enig ander moment.

4 De beoordeling

Thematische behandeling van de grieven

4.1

De vier door [appellant] tegen de vonnissen van 10 januari 2018 en 4 juli 2018 gerichte grieven lenen zich voor de volgende thematische behandeling. Daarbij geldt dat de aan [appellant] verstrekte opdracht te bewijzen dat hij en [geïntimeerde] een overeenkomst van verbruikleen hebben gesloten, in hoger beroep niet ter discussie staat.

Inleiding

4.2

Bij de beoordeling van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank voorop gesteld dat de studiefinanciering op de rekening van [geïntimeerde] werd gestort vanwege de slechte financiële positie van het gezin, en zij alle kosten van de huishouding betaalde. De studiefinanciering werd dus gebruikt om het hele gezin 'liquide te houden'. De rechtbank zag op voorhand niet in waarom [geïntimeerde] dan alle niet aan [appellant] doorbetaalde studiefinanciering aan hem zou moeten terugbetalen. Of dat gezichtspunt juist is, kan in het midden worden gelaten, omdat beslissend is of [appellant] de door hem gestelde lening uiteindelijk heeft bewezen.

De vraag of [appellant] de lening heeft bewezen

4.3

In eerste aanleg zijn drie getuigen gehoord, en alle drie onderschrijven zij de lezing van [appellant] . Diens eigen verklaring is duidelijk: "Mijn moeder vertelde dat zij bij vlagen geld tekort kwam en zei dat ze over de studiefinanciering wilde kunnen beschikken. Zij had een machtiging op mijn rekening en zou dat zo kunnen doen. Ik kon daarmee instemmen, maar heb wel gezegd dat dat geld een duidelijke bestemming had. Het geld moest uiteindelijk weer terugkomen in verband met mijn verplichtingen aan school. Daar stemde mijn moeder mee in." Over wat zich later heeft afgespeeld, verklaart hij: "… ik heb gezegd dat ik moest terugbetalen en heb gevraagd aan mijn moeder hoe we dat gingen oplossen. Dit ging in eerste instantie in alle redelijkheid. In dit verband is de Hansa-vordering ter sprake gekomen [een vordering van moeder op vader; hof]. Mijn moeder reageerde door te zeggen dat ze me wel wilde helpen (…). Bij de notaris is de Hansa-vordering ter sprake gekomen. Het idee was dat wat ik van mijn moeder te vorderen had, zou worden weggestreept tegen ontvangst van de Hansa-vordering. Er is een concept-akte opgesteld. Mijn moeder was thuis akkoord maar bij de notaris wilde ze niet tekenen. Daar zei ze dat ze het eng vond die vordering af te staan."

4.4

De ook als getuige gehoorde vader van [appellant] , [C] , onderschrijft dit. Hij zegt niet alleen in 2012 door zijn zoon over een lening te zijn geïnformeerd (en toen te hebben geadviseerd die op schrift te stellen); naar zijn zeggen is bovendien later, in zijn aanwezigheid, door zijn zoon tegen [geïntimeerde] gezegd dat hij het geld wel terug moest ontvangen: "Bij dit gesprek in 2012 heb ik ook tegen mijn vrouw gezegd dat het in een leenovereenkomst moest worden vastgelegd. Mijn vrouw reageerde er verbaasd op. Ze vond het niet nodig omdat de afspraak wat haar betreft duidelijk genoeg was. Ze zei dat ze moreel verplicht was om het geld terug te betalen." Ook de broer van [appellant] ( [D] ) heeft als getuige verklaard te hebben begrepen dat zijn moeder op de langere termijn, als de school aanklopte, verantwoordelijk was voor het aan zijn broer terugbetalen van de studiefinanciering. Hij zegt op enig moment aan zijn moeder te hebben gevraagd hoe dat zou worden opgelost (hij stond zelf op het punt te gaan studeren en wilde ook wel naar een goede school). Zijn moeder zou hebben geantwoord dat ze daar dan te zijner tijd een oplossing voor moest zien te vinden.

4.5

Deze verklaringen, gelezen in onderling verband, laten geen andere conclusie toe dan dat is afgesproken dat [geïntimeerde] de rest van de studiefinanciering op enig moment aan haar zoon alsnog zou terug- dan wel doorbetalen, en dat over het moment en de wijze waarop dat zou gebeuren nog geen afspraken waren gemaakt. Er zijn geen beëdigde verklaringen afgelegd die in een andere richting wijzen, en de ter comparitie door [geïntimeerde] gepresenteerde versie van de gang van zaken (zij is niet als getuige opgetreden) kan aan deze verklaringen onvoldoende afbreuk doen. Deels is die daar zelfs mee in overeenstemming, namelijk waar [geïntimeerde] opmerkt dat haar zoon vond dat hij iets te vorderen had en de "Hansa-vordering" wilde hebben: "Dit betreft een vordering van € 25.000,- die ik op mijn ex heb. Dat vond ik eng". Dat laatste lijkt te impliceren dat ze wel uitging van de verplichting tot terug- dan wel doorbetaling. De overgelegde stukken geven ook (juist) enige steun aan de lezing van [appellant] . Dat geldt met name voor de notariële conceptakte, waarin staat dat [appellant] een bedrag heeft geleend aan [geïntimeerde] en die ertoe strekt de vordering van [geïntimeerde] uit de Hansa-lening aan [appellant] over te dragen. Steun wordt ook gevonden in de e-mail van [geïntimeerde] aan [appellant] van 8 januari 2015. Daarin zegt [geïntimeerde] dat de transactie die later in de conceptakte is opgenomen, bedoeld is om [appellant] "los te maken van financiële verplichtingen". Ook houdt zij daarin de mogelijkheid open dat uit de in die akte opgenomen transactie uiteindelijk voor [appellant] een hogere opbrengst komt dan "jouw studiefinanciering". Ook dat wijst erop dat [geïntimeerde] haar schuld aan [appellant] wilde betalen.

Ruimte voor tegenbewijs?

4.6

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord een algemeen bewijsaanbod gedaan. Daarmee kon zij niet volstaan, omdat in eerste aanleg al getuigen zijn gehoord. Er is dus geen ruimte voor nadere bewijsvoering (tegenbewijs).

De vraag of de vordering opeisbaar is

4.7

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de vorderingen niet opeisbaar zijn. Dit verweer kan geen doel treffen. In artikel 6:38 BW is geregeld dat nakoming van een verbintenis terstond na haar ontstaan kan worden gevorderd. De verbintenis is dan opeisbaar, tenzij voor de nakoming een tijd is bepaald. Ook volgens [geïntimeerde] was van enige termijnstelling geen sprake (zie in die zin onder meer de conclusie van antwoord onder 9). Dat betekent dat de vordering opeisbaar is, behoudens de grenzen die de redelijkheid en billijkheid daaromtrent kunnen stellen. Een verweer in die zin is echter niet gevoerd.

Het beroep op compensatie en de tegenvordering van [geïntimeerde]

4.8

heeft aangevoerd dat zij alle kosten van de huishouding betaalde toen [appellant] nog thuis woonde, en dat zij ook een aantal bijzondere uitgaven voor hem heeft gedaan, zoals de aanschaf van credit cards en kosten voor paramedische zorg en onderwijs. Zij stelt daardoor een tegenvordering te hebben, die zij met die van haar zoon wil verrekenen. Voor zover de vordering van haar zoon niet door compensatie teniet zou gaan, heeft zij een eigen vordering tegen hem ingesteld.

4.9

Zowel het beroep op compensatie als de eigen vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen. Het enkele feit dat de kostverdiener in een gezin uitgaven voor een inwonend, jongmeerderjarig en studerend kind heeft betaald, betekent niet dat ter zake van die uitgaven een vordering op dat kind ontstaat. Een nadere onderbouwing ontbreekt, daaronder begrepen hoe zich dit verhoudt tot de in artikel 1:395a BW neergelegde onderhoudsplicht van een ouder jegens een jongmeerderjarige. Ook voor de vordering die betrekking heeft op betaalde hypotheekrente na het vertrek van [geïntimeerde] uit de woning geldt dat de grondslag voor verhaal daarvan op [appellant] niet afdoende is onderbouwd. Bovendien zijn de opgevoerde kosten alle deugdelijk bestreden, zonder dat er in dit hoger beroep bewijs van is aangeboden.

De hoogte van de vordering; de gevorderde rente

4.10

De openstaande lening is door [appellant] berekend op € 24.806,90, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 januari 2016 (€ 516,97). Volgens [geïntimeerde] is sprake van een rekenfout en moet worden uitgegaan van een hoofdsom van € 24.506,68 (€ 28.477,58 - € 3.970,90. Dat verweer - waar [appellant] niet gemotiveerd tegen is opgekomen - treft doel.

De conclusie

4.11

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis 4 juli 2018 moet worden vernietigd. De vordering wordt toegewezen tot € 24.506,68 aan hoofdsom. Uitgegaan moet worden van de onbetwiste datum vanaf welke de wettelijke rente is verschuldigd. Omdat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd. De eigen bijdrage (€ 196,-) kan niet als buitengerechtelijke kostenpost worden aangemerkt.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 4 juli 2018 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 24.506,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2016;

verklaart dit arrest ten aanzien van deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. W.P.M. ter Berg en mr. W.F. Boele en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.