Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6343

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
08-08-2019
Zaaknummer
200.217.887/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Tussenarrest. Wijziging van testament onder invloed van geestesstoornis? Hof heeft behoefte aan een deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/254
ERF-Updates.nl 2019-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.217.887/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/404001)

arrest van 6 augustus 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.C.M. Bonnier, kantoorhoudend te Wijchen,

tegen

1 De stichting Leger des Heils,

gevestigd te Almere,

2. Nationale Vereniging De Zonnebloem,

gevestigd te Breda,

geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: Leger des Heils c.s.,
en afzonderlijk: Leger des Heils respectievelijk De Zonnebloem,

advocaat: mr. I.J.F Wijnberg, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 De procedure in eerste aanleg

1.1

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland locatie Lelystad op 23 maart 2016 en 8 maart 2017 heeft gewezen.

2 Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 1 juni 2017;

- het herstelexploot van 15 juni 2017;
- de akte van depot van 29 september 2017 door [appellante] van een geluidsopname;

- de memorie van grieven van 3 oktober 2017 met producties;

- de memorie van antwoord van 14 november 2017 met producties;

- de akte uitlating producties van 29 mei 2018;
- het tussenarrest van 17 juli 2018, houdende de bepaling van een comparitie van partijen;
- de akte van Leger des Heils c.s. van 26 april 2019, houdende de inbreng van nadere

producties;
- de akte van [appellante] van 29 april 2019, houdende de inbreng van nadere producties;
- het proces-verbaal van de op 14 mei 2019 gehouden comparitie van partijen, waarbij beide

partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;

- het faxbericht van mr. de Gaay Fortman (kantoorgenoot van mr. Wijnberg en ook op de mondelinge behandeling aanwezig) van 19 juni 2019, houdende opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal;
- de brief van mr. Bonnier van 20 juni 2019, houdende opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] in hoger beroep strekt tot vernietiging van het tussenvonnis van 23 maart 2016 en het eindvonnis van 8 maart 2017 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad met toewijzing van de vorderingen van [appellante] zoals ingesteld in de eerste aanleg, en veroordeling van Leger des Heils c.s. in de kosten in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.21.van het (eind)vonnis van 8 maart 2017.

Tegen de vaststelling van die feiten zijn geen grieven gericht en het hof is ook overigens niet gebleken van bezwaren daartegen. Aangevuld met enkele andere feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, komen die feiten, voor zover in hoger beroep van belang, neer op het volgende.

3.2

[appellante] heeft ongeveer 55 jaar samengeleefd met [B] (hierna: [B] ). Gedurende ongeveer de laatste 20 jaar van die samenleving waren zij met elkaar gehuwd. Met betrekking tot de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zijn op 6 mei 1993 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, inhoudende dat tussen [appellante] en [B] enkel een gemeenschap van inboedel zou bestaan en voor het overige geen gemeenschap. In de huwelijkse voorwaarden is geen verrekenbeding opgenomen, ook niet voor het geval het huwelijk zou eindigen door overlijden van één van de echtgenoten.
Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren. [appellante] heeft drie dochters uit een eerder huwelijk (hierna te noemen: de stiefdochters).

3.3

[B] is [in] 2013 op 82 jarige leeftijd overleden. Als handelaar in textiel had [B] gedurende zijn leven een groot vermogen opgebouwd. Ten tijde van zijn overlijden bedroeg dat vermogen ongeveer 26 miljoen euro.

3.4

In zijn voorlaatste testament van 11 oktober 2006 had [B] [appellante] benoemd tot zijn enige erfgenaam, onder bezwaar van legaten die zijn gehele vermogen betroffen.

In dat testament was aan [appellante] een prelegaat toegekend van € 700.000,-.
Aan ieder van de stiefdochters was 10% van het vermogen gelegateerd. Het na deze legaten nog resterende vermogen was geheel gelegateerd aan “goede doelen”; 25% aan zowel Leger des Heils als De Zonnebloem, en de resterende 50% voor gelijke delen aan 15 andere “goede doelen”.

3.5

Op 23 februari 2012 heeft [B] zijn testament gewijzigd, aldus dat Leger des Heils en De Zonnebloem gezamenlijk en voor gelijke delen tot enige erfgenamen zijn benoemd, onder last van de volgende legaten:

- aan [appellante] (a) het vruchtgebruik over een bedrag van 1 miljoen euro met recht van vertering en (b) het vruchtgebruik van de voormalige echtelijke woning en de inboedel,
met instelling van een bewind over het legaat van de geldsom en benoeming van [C] (hierna: de accountant) tot bewindvoerder;
- aan de stiefdochters en hun (in totaal) zes kinderen (hierna: de stiefkleinkinderen) ieder een bedrag van € 20.000,-.

3.6

[B] heeft op 4 november 2011 een eerste gesprek gehad met notaris mr. Simons (hierna: de notaris) over de wijziging van zijn testament uit 2006. In dat gesprek is een afspraak gemaakt voor een intakegesprek op 10 november 2011. Tijdens het intakegesprek heeft [B] zijn wensen voor zijn testament uiteengezet. Vervolgens hebben op 17 november 2011 en 5 december 2011 gesprekken tussen de notaris en [B] plaatsgevonden bij de notaris over (de inhoud van) het nieuwe testament.

3.7

Op advies van de notaris heeft [B] zich medisch-psychiatrisch laten onderzoeken om zijn wilsbekwaamheid ten aanzien van het opstellen van een testament vast te stellen. [B] is voor dit onderzoek door zijn huisarts verwezen naar dr. [D] , psychiater. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 22 december 2011.

3.8

[D] heeft, nadat hij [B] heeft gezien en onderzocht, op

22 december 2011 als verklaring (productie VI bij inleidende dagvaarding) afgegeven dat [B] :

“-wilsbekwaam is om zijn testament te wijzigen en te bepalen wie de erfgenamen van zijn nalatenschap zullen zijn

- in staat is de emotionele gevolgen van de wijziging van zijn testament te overzien."

[D] heeft zijn onderzoeksbevindingen die aan zijn verklaring ten grondslag liggen vastgelegd in een rapport van “volledig onderzoek van de heer [D] ”, met bijlagen (productie 18 bij conclusie van antwoord).
Als bijlage is onder meer bijgevoegd de “checklist wilsbekwaamheid verandering testament”. Deze heeft [D] onder meer als volgt ingevuld:

"A. begrip van de draagwijdte

- Begrijpt cliënt dat het gaat om een beslissing over zijn/haar bezittingen?

JA

- Begrijpt cliënt dat zijn/haar wilsbeschikking pas na zijn/haar dood wordt uitgevoerd?

JA

B. Kennis van goederen en personen

- Weet cliënt bij benadering wat zijn/haar bezittingen zijn?

JA

Betr heeft op zijn 30e eerste miljoen verdiend; heeft dat aanzienlijk vermeerderd.

- Kan cliënt, zonder zich ernstig te vergissen, zijn/haar rechthebbenden opnoemen?

JA. noemt vrouw en 3 aangenomen dochters

C. Begrip van de gevolgen

- Weet de cliënt hoe zijn/haar bezittingen zouden worden verdeeld zonder testament?

Betr heeft in 2005 laatste wijziging aangebracht

- Begrijpt client wat de aanpassing van het testament inhoudt? Wat verandert er?

JA, betr. maakt zijn keuze om zijn wil te veranderen duidelijk en bij herhaling kenbaar. Hij gaat uitgebreid in op zijn betrokkenheid bij goede doelen, waaronder de Zonnebloem en het Leger des Heils aan wie hij het grootste deel van zijn bezit wil nalaten. Zijn vrouw en aangenomen kinderen erven aanzienlijk minder, hij verzekert echter dat hij zijn vrouw goed verzorgt achterlaat en zij het vruchtgebruik van de woning krijgt. Op de vraag welke factoren voor hem van belang waren bij het komen tot zijn besluit, vertelt hij uitvoerig en begrijpelijk over zijn betrokkenheid bij goede doelen. Betrokkene redeneert logisch, reageert adequaat op kritische vragen, maakt duidelijk hoe hij tot zijn keuze is gekomen en hij begrijpt zeer goed de verandering die hij wil doorvoeren en de consequenties die dat heeft, er is geen twijfel, hij is duidelijk en helder in zijn overwegingen. Hij realiseert zich de impact dat hij zijn wil drastisch wil wijzigen. We staan hier uitgebreid bij stil, bij herhaling legt hij zijn bedoelingen logisch en beredeneert uit."

3.9

De notaris respectievelijk diens kandidaat-notaris mr. Verstellen en [B] hebben elkaar na de verklaring van [D] nog drie keer gesproken. Op 11 januari 2012 en 9 februari 2012 hebben zij het concept-testament doorgesproken en op 23 februari 2012 is het testament verleden.

3.10

Na het overlijden van [B] [in] 2013 heeft [appellante] bij [D] verzocht om informatie over het door hem uitgevoerde onderzoek en inzage in het medisch dossier van [B] dat daaraan ten grondslag heeft gelegen. Na weigering daartoe van [D] met een beroep op zijn beroepsgeheim, heeft dit hof bij arrest in kort geding van

21 oktober 2014 [D] veroordeeld tot verstrekking van een afschrift van het door hem gehouden medisch dossier in de zin van artikel 7:454 BW, op basis waarvan hij zijn medische verklaring van 22 december 2011 heeft afgegeven, en om schriftelijk aan [appellante] mee te delen hoe hij het onderzoek naar de wilsbekwaamheid heeft uitgevoerd.

3.11

In dat medisch dossier (productie 22 bij conclusie van antwoord) bevinden zich verschillende schriftelijk vastgelegde bevindingen van medisch deskundigen op verschillende terreinen die [B] in zijn laatste levensjaren om verschillende redenen medisch hebben onderzocht.

Het dossier bevat onder meer een brief van de klinisch geriater dr. [E] van

21 mei 2010, waarin deze als zijn conclusie van een (aanvullend) onderzoek beschrijft:

“Conclusies:

1. Dysexecutief syndroom DD karakterogeen mogelijk beginnende front-temporale problematiek.

2. Relatieproblematiek.”

Voorts een brief van dr. [F] , psychiater, en [G] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige, van 7 juli 2010, opgesteld naar aanleiding van een intakegesprek, waarin als samenvatting en conclusie wordt vermeld:

“Samenvatting problematiek;

79-jarige man met mogelijk karakterverandering door beginnende cognitieve stoornissen die in het intakegesprek in de thuissituatie aanvankelijk nog niet naar voren komen. Meneer heeft een actief leven met schapen en driemaal bridge per week. Echtgenote geeft aan dat meneer verandert en passief is geworden en onredelijk boos kan zijn. Alchoholgebruik/misbruik is mogelijk een probleem.

(…)

Conclusie bespreking O&AJ behandelingsplan

Regelmatige ongeveer vier-wekelijkse huisbezoeken aanvankelijk om vertrouwen op te bouwen en beter zicht te krijgen op de problemen. Medicatie inventariseren en MMSE test afnemen. Arts betrekken ter beoordeling van starten antidepressiva zoals voorgesteld door de geheugenpoli.”

3.12

In het huisartsenjournaal over [appellante] (productie X bij inleiden dagvaarding) staat dat zij vanaf medio 2010 regelmatig heeft geklaagd over door haar waargenomen karakterveranderingen bij [B] .

3.13

[appellante] heeft het door [D] aangehouden medisch dossier van [B] ter beoordeling voorgelegd aan prof. dr. [H] , specialist klinische geriatrie. In zijn rapport van 7 april 2015 (productie XV bij inleidende dagvaarding) schrijft [H] dat het onderzoek van dr. [D] te wensen overlaat, maar dat in het medisch dossier geen bevindingen worden gerapporteerd op grond waarvan achteraf met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [B] wilsonbekwaam was om zijn testament te wijzigen. Volgens [H] kan geen uitspraak worden gedaan over de wilsbekwaamheid van [B] ten tijde van het wijzigen van het testament.

3.14

Op verzoek van [appellante] heeft vervolgens ook prof. dr. [I] , neuroloog te Amsterdam, op basis van het volledige bij [appellante] bekende medische dossier van [B] beoordeeld of [B] ten tijde van het wijzigen van zijn testament wilsbekwaam was. In zijn rapport van 21 oktober 2015 (productie XVI bij inleidende dagvaarding) komt [I] tot de conclusie dat [B] wilsonbekwaam was. Hij schrijft in zijn conclusie daarover het volgende:

“Conclusie

Uit de heteroanamnese en medische informatie van derden, komt een beeld naar voren van een voorheen redelijk gezonde man, behoudens diabetes en polyneuropathie, met een harmonieus huwelijk en zeer goede verstandhouding met kinderen en kleinkinderen, die mogelijk al vanaf 2003, en meer zeker vanaf 2008, een geleidelijk progressieve verandering van karakter, (interpersoonlijk) gedrag en empathie ging vertonen. In een analyse hierover door de geriater [E] in 2009 en 2010, met neuropsychologisch onderzoek en CT-scan onderzoek, wordt de diagnose FTD [hof: fronto temporale dementie] wel overwogen, doch helaas door onvoldoende follow up en onjuiste interpretatie van de betekenis van normale CT-scan, niet hard gesteld. De sensitiviteit van CT in deze is vele malen lager dan van MRI en hiervan is bekend dat deze laag is bij FTD; ergo een normale CT (en MRl) sluiten FTD niet uit en patienten met en zonder atrofie verschillen klinisch niet van elkaar.
Verdere analyse door de collega's van GGZ laat wel steeds de gedragsstoornissen zien, maar helaas wordt door de focus op normale cognitie ('geheugen is goed'), niet doorgedacht en de diagnose FTD gesteld, alhoewel er kennelijk wel vanuit wordt gegaan (zie email [G] ). Het oordeel van collega [D] over de dementie en wilsbekwaamheid voldoet op geen enkele wijze aan de regels der kunst inzake een evaluatie van dementie.

De diagnose FTD (gedragsvariant) kan, en kon in 2010, gesteld worden op grond van de criteria van Neary en Snowden, als voldaan wordt aan de volgende kerncriteria:

1. sluipend begin met langzame progressie

2. vroege achteruitgang van sociaal interpersoonlijk gedrag

3. vroege stoornis in de regulatie van persoonlijk gedrag

4. vroege emotionele vervlakking

5. vroeg verlies van ziekte-inzicht.

Op grond van alle gegevens voldoet B aan de kerncriteria. Geen van de exclusiecriteria (waar een normale CT scan niet toe behoort) is bij B van toepassing.

Hoe moet nu de testamentswijziging van B, waar de familie, inclusief echtgenote totaal niet van afwist (stiekem gedrag), gezien worden in dit kader? Kenmerkend in de casus van B over de tijd zijn de obsessie (met de belastingdienst), overdreven zuinigheid, en totaal verlies aan consideratie met en verlies van empathie jegens zijn naasten, inclusief zijn geliefde echtgenote. Redenerend vanuit de ziekte FTD is het heel goed voorstelbaar dat bij B het idee heeft postgevat dat hij na zijn dood geen cent aan de belasting wilde betalen, en dus ligt het weggeven aan een goed doel met ANBI-status voor de hand. De obsessie hiermee, in combinatie met de emotionele vervlakking richting zijn gezin, en het totaal ontbreken van ziekte-inzicht maakt dat de beslissing om zijn gezin te onterven, voor hem geen probleem opleverde, ergo hij zich totaal niet besefte welk leed hij hiermee aan zijn gezin berokkende. Dergelijk gedrag is in de context van FTD in de literatuur bekend.

Beantwoording van de vraagstelling

Op grond van uitgebreide heteroanamnese en met steun uit het medisch dossier en de overige stukken kan de diagnose FTD, met gedragsvariant, gesteld worden. Ten tweede moet worden aangenomen dat betrokkene op het moment van testamentswijziging, aan deze ziekte leed en derhalve niet besefte wat hij deed en welke schade hij hiermee zijn gezin toebracht, m.a.w. niet wilsbekwaam was om ten volle de gevolgen van zijn handeling te overzien."

3.15

Het Leger des Heils en de Zonnebloem hebben dr. [J] ,

neuroloog en neuropsychiater te Antwerpen (België), gevraagd hun mening te geven over de vraag welk oordeel achteraf - op basis van de medische stukken die voorhanden zijn - ten aanzien van de wils(on)bekwaamheid van [B] kan worden geveld. Op 25 januari 2016 heeft [J] zijn rapport uitgebracht (productie 21 bij conclusie van antwoord). Hij komt tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat [B] ten tijde van het wijzigen van het testament wilsonbekwaam was.

In hoofdstuk 5 van zijn rapport gaat [J] in op de door de familie van [B] waargenomen gedrags- en karakterveranderingen. [J] concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat deze veranderingen kunnen worden toegeschreven aan frontotemporale dementie omdat deze ziekte zich gemiddeld op jongere leeftijd openbaart en als het op oudere leeftijd gebeurt, zoals dan bij [B] het geval zou zijn, de ziekte progressiever verloopt dan op jongere leeftijd. Patiënten tonen een snelle achteruitgang van geheugen, taal, aandacht en uitvoerende functies. Bij [B] was juist sprake van een zeer geleidelijke progressieve verandering van gedrag.

[J] meent dat in het geval van FTD de patiënt de gedragsveranderingen die in het

verloop van de ziekte optreden steeds minder of niet kan sturen. Als dat wel het geval zou

zijn, is er geen sprake van ziekte, maar van opzettelijk gedrag. Dementie is geen keuze en de

dementerende is niet in staat om een keuze te maken op welk moment hij welk gedrag

vertoont. Daarmee is in tegenspraak dat het door de familieleden waargenomen veranderd

en onaangepast gedrag niet is waargenomen door onafhankelijke getuigen. Volgens [J] is daarom niet uit te sluiten dat de waargenomen gedragsverandering zich eerder in de interpersoonlijke sfeer situeerde en niet zijn te relateren aan FTD (of een andere vorm van dementie).

Daarbij merkt [J] op dat ook licht tot matig gebruik van alcohol kan leiden tot

een zekere mate van tijdelijk gedesinhibeerd (ontremd) gedrag.

[J] deelt in hoofdstuk 8 van zijn rapport de conclusie van [H] dat op grond van de aangetroffen medische informatie achteraf geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de wils(on)bekwaamheid van [B] ten tijde van het wijzigen van het testament. Over het rapport van [I] merkt [J] op dat de heteroranamnese afgenomen bij personen voor wie de testamentswijziging geen financiële implicaties inhoudt een zeer consistent beeld schetst, tegenstrijdig met de heteroanamnese afgenomen door [I] bij personen (familieleden) met een direct belang bij de nietigverklaring van het laatste testament. Volgens [J] is het rapport van [I] gebaseerd op een reeks aannames die een medisch geobjectiveerde basis ontberen.

De uiteindelijke conclusie van [J] luidt:

"9.1. Aan de hand van de beschikbare informatie uit het medisch dossier - waaronder met name de intacte, functionele en cognitieve toestand c.q. het onaangetaste mentaal functioneren, alsmede het gebrek aan een geobjectiveerde dementie - en het geheel door verklaringen van zowel belanghebbenden als onafhankelijke getuigen, kan ik in eer en geweten niet besluiten tot de aanwezigheid van enige vorm van een dementerende aandoening bij dhr. [B] .

9.2.

Aan de hand van de beschikbare gegevens uit het medisch dossier kan geen conclusie worden getrokken over de wils(on)bekwaamheid van wijlen dhr. [B] . Mijns inziens kan men niet besluiten dat dhr. [B] wilsonbekwaam was ten tijde van het wijzigen van zijn testament. Integendeel, de fiscale constructie met betrekking tot de successierechten in het voordeel van de stiefdochters van dhr. [B] getuigt van een intelligente benadering van de beweerdelijke negatieve houding van dhr. [B] tegenover de belastingdienst.

Het is eveneens heel goed mogelijk dat men op oudere leeftijd weloverwogen en wilsbekwaam een beslissing neemt vanuit een gewijzigd moreel-ethisch referentiekader, al dan niet tengevolge van nieuwe inzichten en leringen zonder dat sprake is van een onderliggende dementiele aandoening.”

3.16

[I] en [J] hebben ieder nog nader gerapporteerd en daarbij (ook) gereageerd op elkaars rapporten (productie 14 bij brief van mr. Bonnier van 29 april 2019 respectievelijk productie 32 bij akte van Leger des Heils c.s. van 14 mei 2019). Kort gezegd zijn zij gebleven bij hun verschil in opvatting over de wils(on)bekwaamheid van [B] ten tijde van de testamentwijziging.

3.17

[appellante] heeft tegen [D] een tuchtrechtelijke procedure aangespannen. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) heeft in een beslissing op beroep van 16 januari 2018 de door het Regionaal Tuchtcollege eerder opgelegde maatregel van een waarschuwing gehandhaafd. Het CTG heeft daartoe overwogen, samengevat, dat het rapport in onvoldoende mate de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeldt waarop de conclusie berust dat [B] in staat was de emotionele gevolgen van de wijziging van zijn testament te overzien. Voor het overige oordeelt het college dat het rapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

3.18

In een e-mail van 12 september 2018 heeft mr. Bödicker namens Stichting HilverZorg te Hilversum, aan mr. Bonnier bericht “dat de heer [B] op psycho-geriatrische grondslag in dagbehandeling is geweest bij haar locatie Zonnehoeve vanaf het najaar 2010 tot aan zijn overlijden in april 2013” (productie 11 bij brief van mr. Bonnier van 29 april 2019).

3.19

Het testament van 23 februari 2012 is uitgevoerd.

En voorts:

3.20

[appellante] heeft verschillende schriftelijke verklaringen overgelegd van personen die verklaren dat [B] in de laatste jaren van zijn leven een gedragsverandering heeft ondergaan (prod XII bij inleidende dagvaarding, producties 1 tot en met 6 bij memorie van grieven). Leger des Heils c.s. hebben daartegenover schriftelijke verklaringen van andere personen overgelegd die geen karakterverandering hebben waargenomen (producties 26 tot en met 29 memorie van antwoord).

In die situatie dient naar het oordeel van het hof te worden aangenomen dat er personen zijn die een gedragsverandering bij [B] hebben ervaren, waaronder [appellante] en haar dochters, en dat er personen zijn die dat niet hebben ervaren

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd te verklaren voor recht (a) dat het testament van [B] van 23 februari 2012 nietig is, omdat [B] toen wilsonbekwaam was en (b) dat Leger des Heils c.s. de door hen verkregen gelden en goederen weer ter beschikking moeten stellen van de in het testament van 2006 benoemde executeur, opdat de nalatenschap overeenkomstig dat testament verdeeld zal worden,

met hoofdelijke veroordeling van Leger des Heils c.s. in de buitengerechtelijke – en de proceskosten.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 maart 2017 de vorderingen afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wilsonbekwaamheid van [B] ten tijde van het opmaken van zijn testament in februari 2012 niet is komen vast te staan.
Volgens de rechtbank heeft [appellante] haar stelling dat [B] ten tijde van het opmaken van zijn testament van februari 2012 wilsonbekwaam was onvoldoende onderbouwd. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan het bieden van de gelegenheid aan [appellante] om haar stellingen te bewijzen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellante] is in hoger beroep gekomen van het (eind)vonnis van 8 maart 2017 en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 23 maart 2016 onder aanvoering van vijftien grieven, genummerd I tot en met XV.

5.2

[appellante] heeft geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 23 maart 2016 - een vonnis waarin een comparitie van partijen is bevolen -, zodat zij in haar hoger beroep van dat vonnis niet ontvankelijk zal worden verklaard.

5.3

In de grieven I tot en met XIV komt [appellante] vanuit verschillende invalshoeken op tegen het oordeel van de rechtbank dat de wilsonbekwaamheid van [B] niet is komen vast te staan. Grief XV is gericht tegen het passeren van het bewijsaanbod.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.4

De stellingen van [appellante] komen in de kern neer op het volgende.
Het karakter van [B] heeft in de laatste jaren van zijn leven een grote verandering ondergaan. Van een man met een opgewekt humeur, die belangstelling had voor [appellante] , haar kinderen en hun kinderen, kortom een “family man”, veranderde hij in een humeurige man die onderhevig was aan stemmingswisselingen, zijn empathie had verloren en geobsedeerd was geraakt door zijn wens geen belasting te betalen. [appellante] wijt die karakterverandering aan een geestesstoornis van geriatrische aard die vanaf 2009 bij [B] zijn vastgesteld. Die stoornis was van dien aard dat [B] ten tijde van de wijziging van zijn testament in 2012 wilsonbekwaam was. Op de voet van het bepaalde in artikel 3:34 lid 2 BW is dat testament daarom nietig.

5.5

Voor haar stelling dat sprake was van een karakterverandering beroept [appellante] zich op haar eigen ervaringen, zoals zij daarover al vanaf begin 2010 heeft gesproken met haar huisarts, op de ervaringen van haar dochters en op de ervaring van verschillende niet-familieleden die [B] kenden van voor en van na zijn karakterverandering.

Voor haar stelling dat sprake was van een geestesstoornis die maakte dat [B] ten tijde van de wijziging van zijn testament in 2012 wilsonbekwaam was, beroept [appellante] zich in het bijzonder op het rapport van prof. dr. [I] (zie rov. 3.14).

5.6

Leger des Heils c.s. hebben de stellingen van [appellante] weersproken.

Volgens Leger des Heils c.s. wordt de karakterverandering die door [appellante] en haar gezinsleden zijn ervaren niet bevestigd door derden, personen die geen belang hebben bij (de inhoud van) het testament van [B] .
In het verlengde daarvan betwisten het Leger des Heils c.s. dat [B] ten tijde van de wijziging van het testament in 2012 wilsonbekwaam was.

Leger des Heils c.s. beroepen zich in dat verband in het bijzonder op de verklaring van de notaris (Simons) en de kandidaat notaris (Verstellen) dat zij nimmer hebben getwijfeld aan de wilsbekwaamheid van [B] (productie 9 bij de conclusie van antwoord), het rapport van dr. [D] (zie rov. 3.8), het rapport van dr. [J] (zie rov. 3.15) en de bevinding van dr. [H] , dat in het medisch dossier van [B] geen bevindingen zijn gerapporteerd op grond waarvan met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [B] wilsonbekwaam was om zijn testament te wijzigen (rov. 3.13).

5.7

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:34 BW zijn uiterste wilsbeschikkingen die zijn gemaakt door iemand van wie op dat moment de geestvermogens tijdelijk of blijvend waren gestoord, nietig, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de beschikkingen betrokken belangen belette, of indien de beschikkingen onder invloed van die stoornis zijn gedaan. In dat geval wordt een met de beschikkingen overeenstemmende wil geacht te hebben ontbroken.

5.8

Vastgesteld kan worden dat in vergelijking met het voorlaatste testament uit 2005, in het testament uit 2012 onder meer de erfrechtelijke posities van [appellante] en haar stiefdochters in belangrijke mate zijn gewijzigd respectievelijk beperkt, terwijl de erfrechtelijke posities van het Leger des Heils c.s. aanmerkelijk zijn uitgebreid. In het gewijzigde testament heeft [B] de belangen van [appellante] en haar dochters enerzijds en die van Leger des Heils c.s. anderzijds bij aanspraken op zijn nalatenschap aldus wezenlijk anders beoordeeld.

5.9

[appellante] heeft in het bijzonder met haar beroep op de rapporten van prof. dr. [I] , voldoende gemotiveerd gesteld dat de wijziging van het testament voortvloeit uit een toentertijd bij [B] aanwezige geestesstoornis. Daarmee heeft [appellante] voldaan aan de op haar rustende stelplicht.

5.10

Daartegenover staat dat Leger des Heils c.s. in het bijzonder met hun beroep op de verklaring van de notaris en de rapporten van de andere deskundigen (hiervoor genoemd onder 5.6), voldoende gemotiveerd hebben betwist dat ten tijde van de wijziging van het testament in 2012 [B] leed aan een geestesstoornis.

5.11

Partijen hebben aldus naar het oordeel van het hof elk hun stellingen voldoende gemotiveerd en gestaafd met overgelegde rapporten van partijdeskundigen. Hierbij kan worden opgemerkt dat de partijdeskundigen tot tegenovergestelde bevindingen zijn gekomen. Het hof heeft daarom behoefte aan voorlichting door één of meer onafhankelijke, door het hof benoemde deskundigen.

5.12

Het hof zal derhalve een deskundigenbericht gelasten.
Het hof stelt zich daarbij voor dat onderzoek te laten uitvoeren door een neuroloog.
Het hof stelt verder voor om aan die deskundige de volgende vragen voor te leggen:
a.) kunt u op basis van het beschikbare medische dossier van [B] en de verschillende in deze procedure overgelegde schriftelijke verklaringen van personen over hun ervaringen met [B] , waar nodig en mogelijk aangevuld met eigen nader onderzoek, aangeven of [B] ten tijde van het wijzigen van zijn testament in 2012 leed aan een geestesstoornis;
b.) indien voormelde vraag bevestigend wordt beantwoord:
- welke stoornis betreft het;

- wat zijn de gevolgen van die geestesstoornis geweest voor de wilsbekwaamheid van [B] , in het bijzonder met het oog op het maken van zijn laatste testament.

c.) welke opmerkingen kunt u verder nog maken die voor een beoordeling van deze zaak van belang zouden kunnen zijn?

5.13

Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld om bij gelijktijdig te nemen akte zich uit te laten over de door het hof voorgestelde vragen en eventueel aanvullende vragen voor te stellen, het aantal en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n), hun hoedanigheden en relevante kwaliteiten, zijn/haar/hun bereikbaarheid (adressen, telefoonnummers en e-mailadressen), de marges waarbinnen het honorarium mag of moet liggen (waaronder de maximale hoogte daarvan) en de verdere (algemene) voorwaarden waaronder de opdracht aan de deskundigen zou moeten worden verstrekt.

Het hof verzoekt aan partijen tijdig met elkaar in overleg te treden over in ieder geval de perso(o)n(en) en het aantal van de te benoemen deskundige(n) en zo mogelijk gezamenlijk de deskundige(n) voor te dragen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof aan partijen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen perso(o)n(en) en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen en/of hun aantal, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van het hof.

De zaak zal daartoe worden verwezen naar na te noemen rol voor akten van partijen.
Indien de beoogde deskundige(n) een (voorschot op een) honorarium mocht(en) verlangen dat buiten de door partijen aangegeven kaders treedt, zullen partijen nog in de gelegenheid worden gesteld zich daarover nader uit te laten.

5.14

Volgens de hoofdregel van artikel 195 Rv moet [appellante] als eisende partij het voorschot dragen.

5.15

Partijen dienen op aangeven van de deskundige welke bescheiden het betreft, er (voor zover mogelijk) voor zorg te dragen dat de deskundige de beschikking verkrijgt over aanvullende documenten uit het medisch dossier van [B] . De betreffende documenten dienen door de deskundige(n) als bijlage te worden gevoegd bij het deskundigenbericht, opdat partijen zich daarover zonodig nog zullen kunnen uitlaten in hun memories na deskundigenbericht.

6
6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


verwijst de zaak naar de roldatum 1 oktober 2019 om partijen in de gelegenheid te stellen zich bij gelijktijdig te nemen akte uit te laten als bedoeld in r.o. 5.13;

houdt verder iedere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. O.E. Mulder en mr. M. Weissink en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

6 augustus 2019.