Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6342

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
08-08-2019
Zaaknummer
200.215.978/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsingskader gepubliceerde uitingen aan de hand van artikelen 8 en 10 EVRM. Bewijsaanbod wordt in de gegeven omstandigheden als niet ter zake dienend afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.215.978/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4689694 \ CV EXPL 15-13675)

arrest van 6 augustus 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. T.J. Stapel, kantoorhoudend te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.J. Reyneveld, kantoorhoudend te Huizen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 juli 2018 hier over.

1.2

De in het tussenarrest bepaalde comparitie van partijen is niet doorgegaan. [appellant] heeft vervolgens pleidooi gevraagd. Op 20 maart 2019 heeft het pleidooi plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

De kantonrechter heeft in haar vonnis van 22 september 2017 in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.25) de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, zijn die feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt.

2.2

Op 1 mei 1999 is Marianne Vaatstra vermoord aangetroffen in een weiland in Veenklooster.

2.3

[geïntimeerde] woonde ten tijde van de moord in een caravan op het terrein van het nabijgelegen AZC De Poelpleats in Kollum.

2.4

[appellant] houdt zich sinds 2009 bezig met onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra.

2.5

[appellant] beheert de website rechtiskrom.wordpress.com. Op de website schrijft [appellant] over geruchtmakende moordzaken, waaronder de moord op Marianne Vaatstra.

2.6

Na een DNA-onderzoek is in november 2012 Jasper S. aangehouden voor de moord op Marianne Vaatstra. Hij heeft een bekennende verklaring afgelegd en is door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 19 april 2013 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaar. Jasper S. is van dit vonnis niet in hoger beroep gegaan.

2.7

[appellant] is ervan overtuigd dat Jasper S. niet de moordenaar van Marianne Vaatstra is, maar dat deze moord is gepleegd door een asielzoeker. Volgens [appellant] was al kort na de moord bekend dat een asielzoeker de moord heeft gepleegd, maar hebben hooggeplaatste ambtenaren van justitie een doofpot gecreëerd en deze asielzoeker geholpen het land te ontvluchten.

2.8

In mei 2014 heeft Novio Media Uitgevers een boek uitgegeven, geschreven door [appellant] en [C] (hierna: [C] ), getiteld: "Het verboden dagboek van Maaike Vaatstra”, met de ondertitel: "De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op Marianne Vaatstra". Hoofdstuk 4 van het boek, dat fragmenten bevatte van het dagboek van de moeder van Marianne Vaatstra, is door de rechter in kort geding en in de bodemzaak verboden.

2.9

In het 512 pagina's tellende boek (hierna: het boek) wordt in hoofdstuk 6 onder het kopje “De duistere kanten van [geïntimeerde] ” op blz. 211 - 220 [geïntimeerde] neergezet als een leugenachtige handelaar van gestolen spul, waaronder wapens, en een producent van pornofilms. In het hoofdstuk wordt verder gesuggereerd (blz. 219) dat de moord op Marianne Vaatstra zou hebben plaatsgevonden in de caravan van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] wordt in het boek met voor- en achternaam genoemd.

2.10

In juli 2014 publiceert [appellant] op zijn website rechtiskrom.wordpress.com het volgende bericht:

Medeplichtige / medepleger van moord op Marianne Vaatstra woont gewoon in Dokkum

In het geruchtmakende boek “Het verboden dagboek van Maaike Vaatstra” wordt gesteld dat de Duitser [geïntimeerde] medeplichtig is aan de moord op Marianne Vaatstra. Destijds bewoonde de man een stacaravan op een camping welke onderdeel uitmaakte van het Asielzoekerscentrum Kollumerland. Hij dreef in de jaren negentig een videotheek in Dokkum, waar porno een groot deel van assortiment uitmaakte. De verkrachting en moord zou in deze caravan plaatsgevonden hebben en gefilmd zijn door [geïntimeerde] .
(…)
De auteurs baseren zich op een tweetal kluisverklaringen van ex-asielzoekers die dit voorjaar onder ede bij de notaris zijn afgelegd. Eén van de mannen, een toenmalige vriend van [D] (hof: bedoeld wordt [E] ) , verklaart getuige te zijn geweest van de moord in de caravan van de Duitser.

(…)

De andere verklaarder (hof: bedoeld wordt [F] ) is een man die stelt [D] met zijn auto te hebben opgepikt van de Keningswei (de plek waar Marianne werd gevonden) en een lift naar Leeuwarden heeft gegeven. Ook deze man stelt dat de moord in de caravan van [geïntimeerde] is gepleegd. Justitie is bekend met de identiteit van beide verklaarders, aldus de auteurs.

Bekend was al dat [geïntimeerde] op de ochtend na de moord naar Duitsland is vertrokken en twee weken later terugkwam met een andere auto. Volgens oud AZC bewakers zei [geïntimeerde] desgevraagd dat hij van zijn auto “een pakketje” had laten maken. Ook is bekend dat zijn caravan anderhalve maand na de moord in vlammen opging. Hoewel het inmiddels onbewoonde chalet midden in de nacht afbrandde, oordeelde de recherche dat kortsluiting de oorzaak was. In 2002 werd DNA van [geïntimeerde] afgenomen dat hem volgens Justitie uitsloot als dader. De auteurs stellen dat dit logisch is omdat hij de moord niet pleegde, maar wel faciliteerde. De gang van zaken impliceert volgens hen dat de auto van [geïntimeerde] is gebruikt om het lichaam van Marianne te dumpen in het weiland langs de Keningswei. Zowel de auto als de caravan zijn dan vernietigd om bewijsmateriaal te wissen.

De auteurs hebben voor uitgave van hun boek ook bezoeken aan [geïntimeerde] gebracht. Hierbij ontkende hij alles maar liet wel zien dat hij emailverkeer onderhoudt met de zaaksofficier van Justitie [I] .

Als de kluisverklaringen op waarheid berusten, dan betekent dit dat Justitie direct de ware toedracht kende, maar deze in de doofpot heeft gestopt en de dader en medeplichtigen een vrijgeleide heeft gegeven. En uiteindelijk de veeboer Jasper S. op valse gronden voor de moord heeft laten veroordelen.

(…)".

2.11

[geïntimeerde] heeft op 17 juli 2014 aangifte van smaad, laster en belediging gedaan tegen [appellant] en [C] .

2.12

Eind juli 2014 is er onenigheid ontstaan tussen [appellant] en [C] . Op

16 oktober 2014 heeft [appellant] daarover op zijn website rechtiskrom.wordpress.com het volgende geschreven:

" [C] ,

Bij deze sommeer ik jou, in de hoedanigheid van uitgeverij Novio Media, de verkoop van het boek met onmiddellijke ingang stop te zetten. De redenen zijn jou welbekend. Het staat voor mij inmiddels 100% vast dat er geen notarieel vastgelegde kluisverklaringen bestaan. Ik wil mijn naam niet langer aan een boek verbinden waarin jij (ook uit mijn naam. zonder dat ik het wist) een leugen hebt gedebiteerd ten aanzien van de "granietharde bewijzen", de crux van het boek.

(…)".

2.13

In juni 2015 heeft [appellant] een vervolg op het boek aangekondigd, getiteld: “Het Vaatstra Complot”. Op de website hetvaatstracomplot.nl is door [appellant] hierover het volgende bericht:

DE MOORDENAARS

(…)

De werkelijke moordenaar van Marianne Vaatstra is de Irakese Koerd [D] , destijds bewoner van het asielzoekerscentrum Kollumerland. De moord is niet gepleegd in het weiland waar Marianne’s lichaam werd gevonden, maar in het chalet van de Duitser [geïntimeerde] , op het campinggedeelte grenzend aan het AZC.

Aanwezig bij de verkrachting en moord waren verder [G] , een Duitse vriend van [geïntimeerde] , en de destijds 15 jarige [E] , een vriend van [D] . [E] is de volgende dag, 1 mei 1999, door de politie van het AZC opgehaald en verhoord op het bureau Buitenpost. De leiding van het onderzoek was in handen van [H] die zich nu met [I] en [J] op de borst trommelt hoe geweldig ze de zaak hebben "opgelost". Echter, op het bureau heeft [E] al op dag 1 het hele verhaal verteld, inclusief de verblijfplaats van [D] op zijn huurkamer in Leeuwarden. Die kennis is door justitie niet gebruik om de zaak op te lossen, maar om de ware toedracht voor altijd verborgen te houden, onder meer door [D] heimelijk het land uit te sluizen en [E] als getuige van de moord buit en beeld te brengen. Het hoe en waarom kunt u verder

gedetailleerd in het boek lezen".

2.14

[appellant] is op 5 juli 2016 door de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden (ECLI:NL:RBNNE:2016:3280) voor de hiervoor genoemde beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde] veroordeeld voor het medeplegen van smaadschrift. [appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2.15

Op 10 juli 2016 heeft [appellant] op zijn website een blog met de titel “Analyse van het vonnis” geplaatst. In dat artikel staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Nogmaals in een notedop: Marianne is in de caravan van [geïntimeerde] vermoord door [D] (en vrijwel zeker [K] ) met [E] en [G] erbij.(…) Ik heb willen aangeven dat Justitie vanaf dag één wist dat [geïntimeerde] bij de moord betrokken en medeplichtig was. En dat Justitie dus crimineel heeft gehandeld.

2.16

Op 16 mei 2017 heeft de wijkagent [L] op verzoek van [F] [appellant] schriftelijk bericht dat [F] niet wenst mee te werken aan het journalistieke onderzoek van [appellant] .

2.17

De door [appellant] genoemde getuige [E] heeft een kortgeding tegen [appellant] aangespannen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem heeft in haar vonnis 9 mei 2018 (ECLI: NL:RBNHO:2018:3898) op straffe van een dwangsom [geïntimeerde] een contactverbod opgelegd, de publicatie en de verspreiding van het boek "Het Vaatstra Complot" verboden alsook iedere andere uiting waarin gesteld wordt dat [E] direct of indirect als getuige, (mede)dader of medeplichtige betrokken zou zijn bij de moord van Marianne Vaatstra. [E] heeft ter zitting een verklaring onder ede afgelegd. In het proces-verbaal staat daarover het volgende:

“Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan [E] gevraagd of hij bereid is onder ede een verklaring als getuige af te leggen waarbij hem door de voorzieningenrechter een drietal vragen zal worden gesteld, te weten:

  1. Weet u uit eigen waarneming iets over de moord op Marianne Vaatstra?

  2. Bent u getuige geweest van de moord op Marianne Vaatstra?

  3. Heeft u ooit tegen iemand gezegd dat u getuige was van de moord op Marianne Vaatstra?

(…)

De getuige [E] (…) antwoordt als volgt:

Vraag 1) Nee

Vraag 2) Nee

Vraag 3) Nee”

2.18

De strafkamer van dit hof heeft in het arrest van 11 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1245) met de rechtbank bewezen geacht dat [appellant] zich tegenover [geïntimeerde] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van smaadschrift en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. [appellant] heeft tegen dit arrest cassatie ingesteld.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, samengevat weergegeven en voor zover betrekking hebbend op [appellant] , het volgende gevorderd:
a) [appellant] te veroordelen op straffe van een dwangsom alle publicaties waarin [geïntimeerde] direct of indirect wordt beschuldigd van strafbare feiten, waaronder maar niet beperkt tot medeplichtigheid aan moord, handel in en productie van kinderporno en snuff movies, dan wel andere verdachtmakingen rond strafbare feiten jegens [geïntimeerde] binnen
14 dagen na datum van het vonnis te staken en gestaakt te houden, door onder meer:

- het boek “Het verboden dagboek van Maaike Vaatstra Deel II” (het boek zonder hoofdstuk 4) uit de handel te nemen,

- de geplaatste beschuldigingen en verdachtmakingen van [geïntimeerde] op de websites rechtiskrom.wordpress.nl, Waldnet.nl, hetverbodendagboek.nl en Youtube te verwijderen en verwijderd te houden, en

- zich te onthouden van overige en toekomstige publicaties waarin [geïntimeerde] beschuldigd wordt van de in het boek beweerdelijk door hem verrichtte criminele activiteiten.

b) [appellant] te veroordelen op straffe van een dwangsom tot het plaatsen van een rectificatie met de volgende inhoud op de website rechtiskrom.wordpress.com, alsmede deze minimaal 3 maanden geplaatst te houden

"RECTIFICATIE. De afgelopen jaren hebben wij [appellant] en [C] in meerdere publicaties de heer [geïntimeerde] op onrechtmatige wijze beschuldigd of in verband gebracht met ernstige strafbare feiten, waaronder het medeplegen van moord. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. …… zijn wij op straffe van een dwangsom veroordeeld deze beschuldigingen te staken en tot plaatsing van deze rectificatie.

c) [appellant] en [C] op straffe van een dwangsom hoofdelijk te veroordelen tot het (doen) plaatsen van die rectificatie in de dagbladen "Leeuwarder Courant" en "Nieuwe Dockumer Courant".

d) [appellant] en [C] hoofdelijk te veroordelen, althans [C] te veroordelen, tot betaling van een bedrag van € 10.000,- als vergoeding van de door [geïntimeerde] door publicatie van het boek geleden immateriële schade.

e) [appellant] te veroordelen, tot betaling van een bedrag € 6.000,- als vergoeding van de door [geïntimeerde] door publicatie van de persberichten op de website rechtiskrom.wordpress.com geleden immateriële schade.

3.2

[geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij door de beschuldigingen en verdachtmakingen van [appellant] in genoemde publicaties in zijn goede naam en eer is aangetast hetgeen tegenover hem onrechtmatig is.

3.3

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4

De kantonrechter heeft in haar vonnis van 21 februari 2017 de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen. Het onder 3.1 a gevorderde verbod heeft zij beperkt tot

publicaties waarin [geïntimeerde] direct of indirect wordt beschuldigd van betrokkenheid bij moord, het maken, dupliceren en verspreiden van "snuff movies", het produceren en distribueren van pornofilms, het handelen in wapens en het in verband brengen van [geïntimeerde] met de moord op Jolanda Meijer. De totaal te verbeuren dwangsommen zijn door de kantonrechter vastgesteld op € 40.000,- en de aan [geïntimeerde] te betalen immateriële schadevergoeding op € 10.000,-.
Het vonnis is door de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft in zijn vonnis van 13 september 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:3552) de dwangsomveroordeling verhoogd tot een maximum van € 100.000,- omdat [appellant] zich niet hield aan het in het vonnis van 21 februari 2017 toegewezen verbod.

Daarbij overwoog de voorzieningenechter dat publicaties waarin de naam van [geïntimeerde] niet (volledig) wordt genoemd, maar waarbij door de gebruikte terminologie gelet op de context van het geheel wel kenbaar naar hem wordt verwezen (bijvoorbeeld "WH" of "caravan eigenaar") hebben te gelden als "indirecte" beschuldigingen.

4 Het geschil en de beoordeling in hoger beroep

Omvang van het hoger beroep

4.1

Tegen de toewijzing van de vorderingen is [appellant] onder aanvoering van zeven grieven in hoger beroep gekomen. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof ziet daarin aanleiding de grieven gezamenlijk behandelen.

4.2

[geïntimeerde] heeft zijn eis in zijn memorie van antwoord vermeerderd, in de zin dat hij in hoger beroep van [appellant] betaling vordert van een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 25.000,-. [appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep op deze vermeerdering van eis gereageerd. Hij heeft daarbij de vordering inhoudelijk bestreden, maar tegen de gedane eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt. Nu de eisvermeerdering ook ambtshalve door het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde wordt geoordeeld, zal het hof recht doen op de bij memorie van antwoord gewijzigde eis.

Kern van het geschil, toetsingskader

4.3

In deze zaak gaat het, in de kern genomen, om botsing van twee hoogwaardige rechten, namelijk aan de ene kant het recht van [geïntimeerde] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer tegen lichtvaardige verdachtmakingen in de pers, zoals verankerd in artikel 10 van de grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en aan de andere kant het recht van [appellant] om zich vrij te kunnen uiten over mogelijk maatschappelijke mistanden, gewaarborgd door artikel 7 van de grondwet en artikel 10 van het EVRM.

4.4

Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in deze zaak zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden. Uitgangspunt bij die afweging is dat beide rechten in beginsel gelijkwaardig zijn. Het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende tweede lid van artikel 8 en artikel 10 EVRM.

(zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 en HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230). Deze toetsing dient in één keer te geschieden.

4.5

Wat betreft bij de afweging in aanmerking te nemen omstandigheden, zoekt het hof aanknoping bij de volgende in de rechtspraak geformuleerde gezichtspunten;

  1. de aard van de gepubliceerde beschuldigingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben,

  2. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicaties aan de kaak beogen te stellen,

  3. de mate waarin ten tijde van de publicaties de beschuldigingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal,

  4. e inkleding van de beschuldigingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c genoemde factoren,

  5. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicaties, het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden,

  6. de mate van zorgvuldigheid van het aan de publicaties ten grondslag gelegde onderzoek,

  7. een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen, en

  8. de zwaarte van de opgelegde sanctie.

(zie o.a. HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD221, EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0604 en EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0603).

4.6

Het hof merkt verder op dat de omstandigheid dat [appellant] door de rechtbank en dit hof schuldig is bevonden aan het misdrijf "smaad" niet maakt dat een afweging als hiervoor bedoeld achterwege kan blijven (zie HR 11 mei 2012, ECI:NL:HR:2012: BV1031). Dit geldt ook indien zou komen vast te staan, zoals [appellant] onder grief 1 betoogt, dat de moord door [D] in de caravan van [geïntimeerde] zou zijn gepleegd. Ook in dat geval dient het recht van [geïntimeerde] op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer afgewogen te worden tegen het recht op vrije meningsuiting van [appellant] .

4.7

Het hof zal hierna met inachtneming van de hiervoor genoemde gezichtspunten en de door partijen genoemde omstandigheden de vereiste afweging maken.

Inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde]

4.8

Vaststaat dat [geïntimeerde] in het boek en in de artikelen op de website van [appellant] met naam en toenaam wordt genoemd. De vermelding van de volledige naam van [geïntimeerde] in genoemde publicaties vormt naar het oordeel van het hof een inbreuk op zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit wordt door [appellant] op zich niet bestreden. [appellant] bestrijdt dat hij de eer en goede naam van [geïntimeerde] opzettelijk zou hebben aangetast (grief 2). Het antwoord op de vraag of [appellant] opzettelijk de naam en de goede eer van [geïntimeerde] zou hebben aangetast, kan gelet op de hier toe te passen maatstaf in het midden worden gelaten.

Aard van de beschuldigingen en de gevolgen daarvan op [geïntimeerde]

4.9

In het boek en de artikelen op de website rechtiskrom.wordpress.com, wordt [geïntimeerde] ervan beschuldigd de moord op Marianna Vaatstra te hebben gefaciliteerd en te hebben gefilmd. [geïntimeerde] is volgens het door [appellant] gepubliceerde bericht op zijn website rechtiskrom.wordpress.com, weergegeven onder 2.10, medeplichtig aan de moord op Marianne Vaatstra. In het boek en de publicaties op de website van [appellant] wordt onder andere gesuggereerd dat [geïntimeerde] bewijsmateriaal heeft vernietigd door zijn caravan, waarin de moord zou hebben plaatsgevonden, te verkopen en in brand te laten steken en door van zijn auto, waarin Marianne Vaatstra zou zijn vervoerd, een "pakketje" te laten maken. [geïntimeerde] wordt in het boek en de betreffende publicaties daarnaast beschuldigd van de handel in gestolen wapens. Gesuggereerd wordt dat [geïntimeerde] zich bezig heeft gehouden met het maken, dupliceren en verspreiden van porno films en zogenaamde "snuff movies", films van echte verkrachtingen en moorden. [geïntimeerde] wordt tot slot in verband gebracht met de moord op Jolanda Meijer.

4.10

De hier genoemde gepubliceerde uitingen, waarvan [appellant] niet betwist dat die van hem afkomstig zijn, zijn ieder afzonderlijk zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde] , waarvan [appellant] op voorhand had moeten begrijpen dat de gevolgen daarvan voor [geïntimeerde] zeer verstrekkend zouden zijn. Vaststaat dat de gevolgen voor [geïntimeerde] ook zeer verstrekkend zijn geweest en nog steeds zijn omdat [appellant] zich niet houdt aan het verbod in het bestreden vonnis van 21 februari 2017. Door [geïntimeerde] is onbetwist gesteld dat hij door de publicaties van [appellant] fysiek is bedreigd en ernstig depressief is geraakt.

Onderzoeksplicht [appellant] , voldoende feitelijke basis?

4.11

De beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde] zijn door [appellant] gepresenteerd als feiten. Het ernstige beschuldigende karakter van die (beweerde) feiten en de voorzienbare gevolgen daarvan op [geïntimeerde] , brengen naar het oordeel van het hof met zich dat [appellant] voorafgaand aan de publicaties zich ervan diende te vergewissen dat de (beweerde) feiten op het moment van publicatie voldoende vaststonden. Dit heeft [appellant] , zoals hierna zal blijken, niet of in ieder geval onvoldoende gedaan.

4.12

De meest vergaande beschuldiging betreft het (beweerde) feit dat de moord op Marianne Vaatstra in de caravan van [geïntimeerde] zou hebben plaatsgevonden. Deze beschuldiging is volgens de publicaties waarin deze wordt geuit, gebaseerd op een tweetal verklaringen van ex-asielzoekers die voorjaar 2014 onder ede bij de notaris zouden zijn afgelegd. Uit de stellingen van [appellant] begrijpt het hof dat het hier zou gaan om verklaringen van [E] en [F] . [E] zou hebben verklaard getuige te zijn geweest van de moord op Marianne Vaatstra door [D] in de caravan van [geïntimeerde] . [F] zou [D] die nacht een lift hebben gegeven en hebben verklaard dat Hassan onder het bloed zat, overstuur was en zou hebben verteld dat hij iemand had vermoord. De verklaringen zouden door de notaris in de kluis zijn bewaard.

4.13

Uit de berichten van [appellant] op zijn website, waaronder het onder 2.12 genoemde bericht van 16 oktober 2014, leidt het hof af dat [appellant] destijds van mening was dat de kluisverklaringen niet bestonden. [appellant] heeft, zoals door [geïntimeerde] onbetwist is gesteld, op dat moment geen nader onderzoek ingesteld naar wat beide getuigen destijds zouden hebben verklaard. [appellant] heeft dit na publicatie van de bewuste beschuldiging alsnog willen doen, maar dat heeft wat betreft [E] geresulteerd in een contactverbod en [F] heeft aangifte tegen hem gedaan. [E] heeft bovendien nadrukkelijk ontkend dat hij getuige zou zijn geweest van de moord op Marianne Vaatstra en dat hij dit tegenover [C] met zoveel woorden zou hebben verklaard.

4.14

[appellant] heeft, volgens eigen zeggen, in hoger beroep kopieën overgelegd van de genoemde kluisverklaringen. De in productie 2 overgelegde stukken betreffen, zoals [geïntimeerde] terecht stelt, geen kopieën van door een notaris onder ede opgemaakte verklaringen van [E] en [F] , maar een akte van depot. Hieruit blijkt dat [C] bij een notaris in Dongen is geweest en drie niet-geanonimiseerde concept-kluisverklaringen heeft overhandigd om te bewaren. De notaris heeft alleen de identiteit van [C] vastgesteld. Van enige verklaring onder ede is geen sprake.

4.15

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat er op het moment van de publicatie van het boek in mei 2014 en de daaropvolgende berichten van [appellant] in juli 2014, de kluisverklaringen van [E] en [F] ontbraken. De betreffende opmerking in het boek en op de website zijn dus ongefundeerd (niet gebaseerd op gedegen feitenonderzoek) en daarmee is de daarop gebaseerde beschuldiging tegenover [geïntimeerde] onrechtmatig. Juist omdat het hier een vergaande beschuldiging betreft had [appellant] , vóór tot publicatie over te gaan, nauwgezet feitenonderzoek dienen te verrichten.

4.16

Het aanbod van [appellant] om door middel van het horen van [E] en [F] alsnog te bewijzen dat zij destijds zouden hebben verklaard dat de moord op Marianne Vaatstra in de caravan van [geïntimeerde] zou hebben plaatsgevonden, passeert het hof als niet ter zake dienend. Het gaat er immers niet om wat nu alsnog bewezen zou kunnen worden. Bepalend voor de onder 4.4. bedoelde afweging is of de geuite beschuldiging voldoende basis vond in het toen beschikbare feitenmateriaal. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dat niet het geval is. Het hof is daarnaast van oordeel, gelet op hetgeen hierna onder 4.19 wordt overwogen met betrekking tot de (wan)verhouding tussen het incriminerende karakter van de beschuldigingen richting [geïntimeerde] en het door [appellant] gestelde doel, [appellant] de beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde] , ook als de lezing van [appellant] juist blijkt te zijn, op een andere manier had kunnen en moeten inkleden.

Ook om deze reden is het bewijsaanbod niet ter zake dienend. Dit geldt ook voor het aanbod van [appellant] om [geïntimeerde] , [C] , [M] , [N] , [O] , [P] , [Q] , [R] en [S] als getuigen te horen.

4.17

De overige onder 4.9 genoemde zeer ernstige beschuldigingen worden door [appellant] in het geheel niet onderbouwd. Hij stelt slechts dat [M] zou kunnen verklaren dat er in de caravan van [geïntimeerde] dubieuze praktijken plaatsvonden door verkoop van soft drugs, maar daarvan wordt [geïntimeerde] in het boek en de overige publicaties niet beschuldigd. Voor die beschuldigingen ontbreekt iedere feitelijke basis en zij zijn daarom onrechtmatig tegenover [geïntimeerde] .

4.18

Het afbrekende effect van de onrechtmatige beschuldigingen wordt naar het oordeel van het hof verstrekt door de beledigende toon van de publicaties en gekozen incriminerende woorden, zoals "medeplichtig aan".

Relatie tussen de aan de kaak te stellen misstand en [geïntimeerde]

4.19

In het kader van de afweging is bovendien van belang dat de misstand die [appellant] met zijn publicaties aan de orde zegt te willen stellen niet zozeer betrekking heeft op [geïntimeerde] maar op de door [appellant] gestelde grootscheepse doofpotaffaire binnen politie, justitie en OM. Zonder nadere onderbouwing, die [appellant] niet heeft gegeven, ziet het hof niet in waarom het voor dat doel nodig was de volledige naam van [geïntimeerde] met woonplaats te vermelden. Naar het oordeel van het hof had in beginsel even goed kunnen worden volstaan met een (deels) geanonimiseerde of gefingeerde naam. De omstandigheid dat [geïntimeerde] in 2002 zelf de publiciteit zou hebben gezocht om "van praatjes af te komen", zoals [appellant] onder grief 3 aanvoert, rechtvaardigt niet dat hij meer dan twee jaar later door [appellant] onder zijn volledige naam in verband wordt gebracht met de hiervoor genoemde zeer ernstig beschuldigingen.

Overige omstandigheden

4.20

Grief 5, die erover klaagt dat de kantonrechter ten onrechte gewicht heeft toegekend aan de veroordeling van Jasper S, behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking. Het belang daarbij ontbreekt. De omstandigheid dat [appellant] tegen [geïntimeerde] aangifte heeft gedaan van een valse aangifte tegen [appellant] , speelt bij de beoordeling, anders dan [appellant] onder grief 7 betoogt, geen enkele rol.

Tussenconclusie

4.21

Al deze omstandigheden afwegend, is het hof van oordeel dat de onvoldoende gefundeerde zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde] , gelet op de emotionele schade die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden en nog steeds lijdt, een ernstige aantasting vormt van zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, waaronder het door hem ingeroepen recht op bescherming van de goede naam. Het hof is van oordeel dat het recht van [geïntimeerde] om van een dergelijke inbreuk gevrijwaard te blijven, in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden zwaarder weegt dan het recht van [appellant] op vrijheid van meningsuiting. Daarbij neemt het hof aan dat [appellant] in zijn publicaties ook zonder het noemen van de volledige naam van [geïntimeerde] de door hem gestelde misstand op genoegzame wijze aan de kaak had kunnen stellen.

Verbod en verhoging immateriële schadevergoeding

4.22

Een en ander rechtvaardigt het door de kantonrechter toegewezen verbod. Dat het verbod in de geschetste omstandigheden noodzakelijk en proportioneel is, is door [appellant] niet bestreden.

4.23

Resteert de door [geïntimeerde] gevorderde immateriële schadevergoeding van € 25.000,-, bovenop de door de kantonrechter toegewezen € 10.000,- in verband met de onrechtmatige uitlatingen van [appellant] na het vonnis van de kantonrechter. Ter onderbouwing van die vordering verwijst [geïntimeerde] naar de schendingen van het verbod die in de periode van februari 2017 tot en met september 2017 zouden hebben plaatsgevonden en op grond waarvan de voorzieningenrechter de dwangsommen ook heeft verhoogd. Gegeven het oordeel dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen, bestaat op zichzelf grond voor een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW, zoals de kantonrechter ook heeft gedaan. [geïntimeerde] is in zijn memorie kort en slechts in zeer algemene zin ingegaan op de gevolgen die de na het vonnis van 21 februari 2017 gepubliceerde artikelen voor hem hebben gehad. In eerste aanleg is door [geïntimeerde] al gesteld dat hij als gevolg van de publicaties in een langdurige depressieve toestand is komen te verkeren. Of en in hoeverre de klachten van [geïntimeerde] zijn verergerd door de publicaties na het vonnis van 21 februari 2017 kan door het hof niet worden vastgesteld. Gelet hierop acht het hof het door de kantonrechter toegewezen bedrag billijk nu door [geïntimeerde] ook geen grieven zijn gericht tegen het door de kantonrechter vastgestelde bedrag. Wel kunnen de door [geïntimeerde] genoemde schendingen mogelijk leiden tot het verbeuren van dwangsommen, maar dat is niet aan de orde in deze procedure.

5 Slotsom

De door [appellant] aangedragen grieven falen. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd. Het bestreden vonnis zal onder aanpassing van de gronden worden bekrachtigd. De door [geïntimeerde] gevorderde additionele immateriële schadevergoeding van € 25.000,- zal worden afgewezen. [appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van [geïntimeerde] worden veroordeeld (3 punten in II, ieder punt bedraagt € 1.074,-).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden van 21 februari 2017, gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde] onder aanpassing van de gronden,

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 716,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris advocaat,

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E Weening, mr. I.F. Clement en mr. A.G.J baron van Wassenaer van Catwijck en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 augustus 2019.