Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6331

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
200.255.627
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling, bijzondere curator. Afwijzing verzoeken horen kind van negen jaar en (opnieuw) benoemen bijzondere curator. 1:250 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.255.627

(zaaknummer rechtbank Overijssel 206108)

beschikking van 6 augustus 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

voormalig advocaat: mr. A.J.A. Assink te Enschede (onttrokken),

thans: mr. M.M. Haverkort te Hoorn,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.C. Braun te Rotterdam.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Almelo,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 1 juni 2018, 16 juli 2018 en 3 december 2018 (de laatste beschikking verder te noemen: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met 63 producties, ingekomen op 27 februari 2019;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met elf producties;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;

- een journaalbericht van mr. Assink van 13 mei 2019 met producties 64 tot en met 72;

- een journaalbericht van mr. Assink van 14 mei 2019, waarbij mr. Assink zich heeft

onttrokken;

- een journaalbericht van mr. Haverkort van 14 mei 2019, waarbij mr. Haverkort zich heeft

gesteld;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, met wijziging van het verzoek in het

principaal hoger beroep en met aanvulling van gronden in het principaal hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Braun van 27 mei 2019 met brief en met twee bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Braun van 28 mei 2019 met productie 12;

- een journaalbericht van mr. Braun van 3 juni 2019 met brief en met producties 13 tot

en met 17;

- een journaalbericht van mr. Haverkort van 3 juni 2019 met producties 73 tot en met 77.

2.2

Op 3 juni 2019 is hierna te noemen [de minderjarige1] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen en belanghebbenden door het hof is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 13 juni 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [B] verschenen. Voorts is verschenen

[C] (door de rechtbank benoemd tot bijzondere curator. Het hof heeft de bijzondere curator aangemerkt als informant.

2.4

Voor zover in de brief van 3 juni 2019 van mr. Braun inhoudelijk wordt ingegaan op de geschilpunten tussen partijen, zal het hof deze brief buiten beschouwing laten omdat deze voor dat gedeelte in strijd is met de twee-conclusie-leer. Op de bij de brief gevoegde producties en de daarop gegeven toelichting in de brief zal het hof wel acht slaan.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van de partijen is [in] 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 juni 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] (verder: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2006 te [A] , en

- [de minderjarige2] (verder: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2009 te [A] ,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij beschikking van 15 november 2017 heeft de rechtbank voor de duur van het geding en voor zover thans van belang het volgende bepaald:

(…)

II. vertrouwt de minderjarigen (…) toe aan de vrouw;

(…)

IV. treft inzake het recht van de minderjarigen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende voorlopige regeling: de kinderen verblijven in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw, waarbij de wisseling voor [de minderjarige1] op maandag 14.00 uur (na school) en voor [de minderjarige2] op dinsdag 14.00 uur (na school) plaatsvindt en bepaalt dat de ouder bij wie de kinderen niet verblijven maximaal twee keer per week telefonisch contact met de kinderen zal opnemen wanneer ze bij de andere ouder verblijven;

(…)

3.4

Bij beschikking van 6 december 2017 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 6 maart 2018.

3.5

Bij beschikking van de kinderrechter van 17 april 2018 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 april 2018 tot 17 juli 2018.

3.6

Eveneens bij beschikking van 17 april 2018 heeft de rechtbank de bij de hiervoor genoemde beschikking van 15 november 2017 vastgestelde voorlopige zorg- en contactregeling gewijzigd en de navolgende voorlopige regeling getroffen:

(…)

[de minderjarige2] verblijft in de even weken bij de vader en in de oneven weken bij de moeder, waarbij de wisseling voor [de minderjarige2] op woensdagmiddag na schooltijd plaatsvindt.

[de minderjarige1] verblijft om de week bij vader van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondag na het avondeten. Onder regie van de GI zal bekeken worden of, en zo ja, op welke wijze deze regeling uitgebreid kan worden;

(…)

3.7

Bij beschikking van 1 juni 2018 heeft de rechtbank echtscheiding uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.8

Bij beschikking van 16 juli 2018 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 17 januari 2019.

3.9

Bij beschikking van eveneens16 juli 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorg- en contactregeling aangehouden.

3.10

Bij beschikking van 3 december 2018 is de ondertoezichtstelling verlengd tot

17 april 2019.

3.11

Bij beschikking van eveneens 3 december 2018 heeft de kinderrechter als volgt beslist:

(…)

4.3

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij de vrouw zal zijn;

4.4

stelt inzake het recht van de minderjarige kinderen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende regeling vast:

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven de oneven weken bij moeder en de even weken bij vader. De verdeling van de vakanties en feestdagen vindt plaats zoals opgenomen in de aangehechte bijlage met dien verstande dat in de zomervakantie de kinderen in de even jaren de eerste drie weken bij vader verblijven en de tweede drie weken bij moeder en in de oneven jaren vice versa;

(…)

3.12

Bij beschikking van 17 april 2019 heeft de kinderrechter als volgt beslist:

(…)

7.2

wijst af het meer of anders verzochte.

(…)

7.3

wijzigt de bij beschikking van (…) 3 december 2018 vastgestelde zorg- en contactregeling en de aangehechte bijlage voor zover deze betrekking heeft op de voorjaarsvakantie , zodat vanaf 2019 geldt dat de kinderen in de oneven jaren bij de vader zijn en in de even jaren bij de moeder;

7.4

wijzigt de bij beschikking van (…) 3 december 2018 vastgestelde zorg- en contactregeling en de aangehechte bijlage voor zover deze betrekking heeft op de meivakantie 2019 , inhoudende dat de kinderen de eerste week van de meivakantie bij hun vader zijn tot vrijdag 26 april 2019 om 18.00 uur waarna zij naar moeder gaan tot vrijdag

3 mei 2019 om 18.00 uur, waarna de reguliere zorgregeling weer gaat lopen, inhoudende dat de kinderen dan naar hun vader gaan en dat zij op 8 mei 2019, in de oneven week, weer naar hun moeder gaan. De overige vakantieweken zullen ingaan op vrijdagmiddag 14.00 uur en eindigen op vrijdag 18.00 uur in de daarop volgende week/weken (in geval van de zomervakantie);

7.5

bepaalt dat de kinderen ingeval van (een aankomend) overlijden altijd in de gelegenheid worden gesteld afscheid te nemen van een familielid of dierbare uit de familie of kennissenkring van de andere ouder, ook als zij volgens de zorgregeling bij de ene ouder verblijven;

7.6

wijst af de overige verzoeken ten aanzien van de regeling voor de vakantie- en de feestdagen, de dwangsommen (…)

7.7

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorg- en contactregeling aan in afwachting van het hoger beroep;

(…)

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen.

4.2

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn en als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het volgende vastgesteld:

(…)

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven de oneven weken bij moeder en de even weken bij vader. De verdeling van de vakanties en feestdagen vindt plaats zoals opgenomen in de aangehechte bijlage met dien verstande dat in de zomervakantie de kinderen in de even jaren de eerste drie weken bij vader verblijven en de tweede drie weken bij moeder en in de oneven jaren vice versa;

(…)

4.3

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende als verdeling van de verzorgings- en opvoedingstaken vast te stellen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :

primair:

hun hoofdverblijfplaats hebben bij haar en omgang met de vader gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond 19.00 uur, alsmede gedurende de vakanties en feestdagen conform het overzicht dat is gehecht aan de beschikking van

3 december 2018, met dien verstande dat de kinderen in de zomervakantie geen drie weken bij de vader zijn maar twee weken en gedurende beide weken van de kerstvakantie bij de moeder;

subsidiair:

hun hoofdverblijfplaats hebben bij haar en eenmaal per veertien dagen van woensdag na schooltijd tot maandagochtend bij de vader zijn, alsmede gedurende de vakanties en feestdagen conform het overzicht dat is gehecht aan de beschikking van 3 december 2018, met dien verstande dat de kinderen in de zomervakantie geen drie weken bij de vader zijn maar twee weken en gedurende beide weken van de kerstvakantie bij de moeder;

meer subsidiair:

hun hoofdverblijfplaats hebben bij haar en dat [de minderjarige2] eenmaal per veertien dagen van woensdag na schooltijd tot maandagochtend schooltijd bij de vader is en [de minderjarige1] eenmaal per veertien dagen van woensdag na schooltijd tot een week later woensdagochtend schooltijd bij de vader is, alsmede dat zowel [de minderjarige2] als [de minderjarige1] gedurende de vakanties en feestdagen conform het overzicht dat is gehecht aan de beschikking van 3 december 2018 bij de vader zijn, met dien verstande dat de kinderen in de zomervakantie geen drie weken bij de vader zijn maar twee weken en gedurende beide weken van de kerstvakantie bij de moeder;

4.4

De vader heeft verweer gevoerd en is op zijn beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en op de concretisering van de vakantie- en feestdagenregeling. De vader verzoekt het hof bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen met uitzondering van de daarin vastgestelde regeling voor de vakanties en feestdagen en opnieuw rechtdoende:

principaal hoger beroep

I de verzoeken van de moeder af te wijzen;

incidenteel hoger beroep

primair:

II het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en daarbij

III een omgangsregeling met de moeder te bepalen, waarbij de kinderen elke twee weken een weekend bij de moeder zullen verblijven, van vrijdag uit school tot maandag naar school;

subsidiair:

IV een co-ouderschapsregeling te bepalen, waarbij de kinderen in de even week bij hem verblijven en in de oneven weken bij de moeder en de wissel plaatsvindt op maandag naar school op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de moeder deze regeling niet nakomt;

primair en subsidiair:

V de vakantieregeling zoals vastgesteld bij de bestreden beschikking te concretiseren wat betreft de wisseldagen, in die zin dat de betreffende vakantie aanvangt op vrijdagmiddag uit school en eindigt op maandagochtend naar school, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de moeder deze regeling niet nakomt;

VI de regeling voor de voorjaarsvakantie, zoals vastgesteld bij de bestreden beschikking te wijzigen in die zin dat de kinderen dan in de oneven jaren bij hem verblijven en in de even jaren bij de moeder, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de moeder deze regeling niet nakomt;

VII te bepalen dat de kinderen ingeval van (een aankomend) overlijden altijd in de gelegenheid worden gesteld afscheid te nemen van een familielid of dierbare uit de familie of kennissenkring van de andere ouder, ook als zij volgens de zorgregeling bij de ene verblijven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de moeder deze regeling niet nakomt;

4.5

De moeder voert daartegen verweer en verzoekt het hof:

IV. de vader in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen, daaronder begrepen de verzochte dwangsommen;

en aanvullend

V. voor zover het hof van oordeel is dat het co-ouderschap in stand dient te blijven, de wisseldag op de woensdag te bepalen;

VI. voor zover het hof de vader ontvankelijk acht in zijn verzoek onder V, te bepalen dat de kinderen in de voorjaarsvakantie in de oneven jaren bij de vader verblijven en in de even jaren bij de moeder (zoals ook de vader heeft verzocht)

VII. voor zover het hof de man ontvankelijk acht in zijn verzoek onder VI, te bepalen dat tijdens de vakantieregeling van de zomervakantie de wisseldag aanvangt op vrijdagmiddag 14.00 uur en eindigt op vrijdagavond 18.00 uur in de daaropvolgende week/weken;

VIII. voor zover het hof de man ontvankelijk acht in zijn verzoek onder VII, te bepalen dat de kinderen ingeval van (een aankomend) overlijden altijd in de gelegenheid worden gesteld afscheid te nemen van een familielid of dierbare uit de familie of kennissenkring van de ander ouder, ook als zij volgens de zorgregeling bij de ene ouder verblijven;

IX. - zover nodig - mevrouw [C] te benoemen als bijzondere curator teneinde in gesprek te gaan met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] , en wat zij vinden van de voorliggende verzoeken, althans te bepalen wat in hun belang wenselijk is, en dienaangaande te rapporteren en te adviseren inzake de verzoeken van partijen.

4.6

Voorts heeft de moeder haar verzoek in het principaal hoger beroep aangepast in die zijn dat zij verzoekt:

I. de bestreden beschikking te vernietigen;

II. en opnieuw beschikkende een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij:

primair:

a. de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij haar en zij bij de vader verblijven gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond 19.00 uur;

subsidiair

b. de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij haar en zij bij de vader verblijven eenmaal per veertien dagen van woensdag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd;

gewijzigd

III. een vakantieregeling vast te stellen conform het overzicht dat is gehecht aan de beschikking van 3 december 2018, met uitzondering van de kerstvakantie en te bepalen dat de kinderen gedurende de kerstvakantie beide twee weken afwisselend het ene jaar verblijven bij de moeder en het andere jaar bij de vader, waarbij de even jaren (2020 en volgende) bij de moeder en de oneven haren (2019 en volgende) bij de vader.

4.7

Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.2

De rechter beproeft alvorens te beslissen op voormeld verzoek, een vergelijk tussen de ouders en kan, ook ambtshalve, indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812 tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.

5.3

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.4

Het hof stelt voorop dat partijen ter mondelinge behandeling overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de door de moeder voorgestelde verdeling van de kerstvakantie, te weten: dat de kinderen gedurende de kerstvakantie beide twee weken afwisselend het ene jaar bij de moeder verblijven en het andere jaar bij de vader, de even jaren bij de moeder en

de oneven jaren bij de vader. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en in zoverre opnieuw beslissen conform hetgeen partijen zijn overeengekomen.

5.5

Ter mondelinge behandeling heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd. Hij verzoekt het hof primair het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en een omgangsregeling vast te tellen van om de twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder.

Subsidiair verzoekt de vader - als het co-ouderschap in stand wordt gelaten - de wisseldag te verplaatsen naar de maandag en daarbij een dwingend kader te geven in de vorm van een dwangsom.

Zijn overige verzoeken heeft de vader ingetrokken.

5.6

De moeder voert aan dat co-ouderschap niet in het belang van [de minderjarige2] is. Een week is voor hem te lang. Toen [de minderjarige2] geen hele week bij de vader was ging het goed. Nu hij een week bij de vader is heeft hij moeite met de omgang. Op woensdag, de wisseldag, wil [de minderjarige2] niet naar school. Verplaatsing van de wisseldag naar maandag is voor de moeder - gelet op haar werkzaamheden - niet mogelijk. [de minderjarige2] wil minder bij de vader zijn. Wijziging van de wisseldag brengt daarin geen verandering.

De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord en de afgelopen jaren is daarin geen verbetering opgetreden. De bijzondere curator heeft, naast co-ouderschap, parallel ouderschap geadviseerd met de communicatie via de gezinsvoogd, alsmede hulpverlening voor de kinderen.

Nu overleg tussen de ouders niet mogelijk is en de vader iedere vorm van hulpverlening weigert meent de moeder dat er gelet op het advies van de bijzondere curator geen co-ouderschap moet zijn. Het overleg tussen de ouders wordt dan tot een minimum beperkt. Er zullen minder problemen zijn en er ontstaat rust voor de kinderen.

Volgens de moeder komt het feit dat [de minderjarige2] bepaalde signalen niet afgeeft bij de vader niet door een loyaliteitsconflict, maar doordat [de minderjarige2] niet de vrijheid voelt om bij de vader te zeggen hoe hij zich voelt.

5.7

De vader voert daartegen aan dat de moeder de kinderen betrekt in haar strijd.

[D] , deskundig op het gebied van ouderverstoting, heeft het dossier van partijen geanalyseerd en concludeert dat een omgangsregeling waarbij de kinderen de meeste tijd bij de moeder doorbrengen de dynamiek waarbij de vader uit hun leven wordt verdreven alleen maar zal versterken. Dat is volgens de vader het omgekeerde van wat de kinderen nodig hebben.

Volgens de vader heeft de moeder een wig gedreven tussen hem en [de minderjarige1] door hem consequent in een kwaad daglicht te stellen. De vader en [de minderjarige1] hebben altijd een uitgesproken positieve relatie met elkaar gehad. Het feit dat [de minderjarige1] het contact met de vader, zonder valide reden, maandenlang heeft afgewezen duidt op een ernstige vorm van ouderverstoting, zij het dat deze nog niet diepgeworteld was.

Het feit dat de moeder heeft meegewerkt aan het co-ouderschap is te danken aan rechterlijk ingrijpen waarbij de bijzondere curator is opgedragen onderzoek te doen, niet aan een intrinsieke gedragsverandering bij de moeder. Zodra de druk van derden wegvalt is te verwachten dat de moeder haar streven weer activeert.

De vader acht een co-ouderschap het meest in het belang van de kinderen, maar op dit moment biedt dit de kinderen onvoldoende bescherming en bestaat een aanmerkelijk risico dat hun ontwikkeling daardoor verder in het gedrang komt. Daarom stelt de vader voor het hoofdverblijf bij hem te bepalen en een omgangsregeling met de moeder vast te stellen.

Sinds 6 maart 2019 gaat [de minderjarige2] op de wisseldag weer gewoon naar school.

[de minderjarige2] heeft een zeer innige band met de vader net als [de minderjarige1] . [de minderjarige2] vertoont geen afwijkend gedrag als hij bij de vader is.

De vader verzoekt het hof alle passende maatregelen te treffen om het contact/de omgang tussen hem en de kinderen en een gezonde ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.

De vader verzoekt de wisseldag te wijzigen naar de maandag. Het geeft de kinderen meer rust om na het weekend te wisselen dan als dit midden in de week gebeurt. Het ligt op de weg van de moeder aan te tonen dat dit in verband met het werk voor haar niet mogelijk is.

5.8

De bijzondere curator heeft in haar rapportage van 1 oktober 2018 het volgende geadviseerd:

(…)

Mijns inziens is de volgende omgangsregeling in het belang van de kinderen:

Beide kinderen tijdens de even weken bij de vader en de oneven weken bij de moeder, met als wisseldag de woensdag.

(…)

Wat beide kinderen nodig hebben is daadwerkelijke rust. (…)

Het aanbieden van deze rust ligt voornamelijk in handen van beide ouders. Ouders en kinderen hebben hierbij wel hulp nodig (…).

(…)

Ter mondelinge behandeling heeft de bijzondere curator het volgende verklaard:

Sinds het onderzoek heeft zij geen contact meer gehad met de kinderen. De problemen die nu aan de orde zijn speelden toen al. Het probleem van [de minderjarige2] om op woensdag naar school te gaan speelde destijds niet. Niet duidelijk is of dat aan de woensdag als wisseldag ligt. Beide ouders verzoeken het hoofdverblijf bij de desbetreffende ouder te bepalen en een weekendregeling met de andere ouder vast te stellen. Volgens de bijzondere curator vormt co-ouderschap juist een beschermende factor tegen ouderonthechting.

Er was een periode waarin de kinderen het heel moeilijk vonden om naar de vader te gaan. Het is begrijpelijk dat de vader daardoor angst heeft gekregen. De kinderen houden van beide ouders en missen beide ouders. Ten tijde van het onderzoek was er geen sprake van ouderonthechting, maar het lag wel op de loer.

Het destijds gegeven advies omvat ook hulp voor de kinderen, maar essentieel is volgens de bijzondere curator dat de ouders hulp krijgen. De communicatie tussen partijen bezorgt beiden erg veel stress en zou beter via een tussenpersoon kunnen verlopen, bijvoorbeeld binnen een ondertoezichtstelling.

5.9

De raad heeft ter mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de kinderen weliswaar klem zitten tussen de ouders, maar dat hun ontwikkeling desondanks positief verloopt en dat hun relatie met beide ouders best goed is. De kinderen laten zien dat zij van beide ouders houden.

De GI zag ten tijde van de ondertoezichtstelling geen mogelijkheden om de ouders tot samenwerking te brengen. Los van elkaar zorgen de ouders beiden prima voor de kinderen.

Volgens de raad hebben de kinderen geen behoefte aan gesprekken, maar willen zij duidelijkheid en willen zij weten waar zij aan toe zijn. De kinderen zetten stappen als er duidelijkheid is. Er moeten knopen doorgehakt worden en als de ouders dat niet kunnen dan moet het hof dat doen. De kinderen hebben er geen belang bij om de boel op zijn kop te zetten op dit moment. Het co-ouderschap en het hoofdverblijf dienen volgens de raad niet te worden gewijzigd.

5.10

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen.

horen van [de minderjarige2] /benoeming bijzondere curator

5.11

Ten aanzien van het verzoek van de moeder [de minderjarige2] te horen, dan wel [C] opnieuw tot bijzondere curator te benoemen overweegt het hof als volgt.

[de minderjarige2] is negen jaar. De bijzondere curator heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat het heel moeilijk is om in een situatie als deze het kind te horen, omdat het kind heel graag beide ouders gelukkig wil maken. Het kan in een situatie als deze voor het kind heel moeilijk zijn om zijn echte authentieke mening te geven, zeker voor een rechter. Het kind kan klem raken als hij aan de rechter "een waarheid" vertelt die misschien in zijn hart toch niet "de waarheid is".

Gelet op het voorgaande acht het hof het in dit geval niet in het belang van [de minderjarige2] hem door het hof te laten horen.

5.12

Het hof zal niet overgaan tot benoeming van een bijzondere curator.

Ingevolge artikel 1:250 BW kan de rechter, wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.

Bij de beantwoording van de vraag of de benoeming van een bijzondere curator is aangewezen, zal het belang van de minderjarige de eerste overweging voor de rechter moeten vormen. De benoeming van een bijzondere curator dient echter niet plaats te vinden met als doel in het algemeen de belangen van de minderjarige te beschermen. De rechter heeft bij beantwoording van die vraag een grote mate van beoordelingsvrijheid (Hoge Raad 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3968).

5.13

Het hof acht het, daargelaten of sprake is van een belangenstrijd tussen de ouders en [de minderjarige2] , niet in het belang van de kinderen om opnieuw een bijzondere curator te benoemen.

De bijzondere curator heeft in eerste aanleg uitgebreid onderzoek gedaan naar de situatie van de kinderen en heeft daarvan op 1 oktober 2018 verslag gedaan.

Voorts is tot voor kort de GI bij de kinderen betrokken geweest. Deze betrokkenheid is onlangs geëindigd omdat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet langer in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Het hof is gelet op het voorgaande evenals de raad van oordeel dat de kinderen nu behoefte hebben aan duidelijkheid en dat zij op dit moment niet zijn gebaat bij de benoeming van een bijzondere curator.

hoofdverblijfplaats

5.14

De vader heeft verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen.

Het hof ziet in hetgeen de vader ter onderbouwing van zijn verzoek heeft aangevoerd echter geen redenen om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen en zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

5.15

Het hof acht een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Uit het onderzoek van de bijzondere curator blijkt dat er geen zwaarwegende redenen zijn die een belemmering kunnen vormen voor de omgang met (één van) beide ouders.

Beide kinderen geven aan veel te houden van zowel de vader als van de moeder en beide kinderen geven aan dat zij de moeder missen wanneer zij bij de vader zijn en andersom.

Beide ouders zijn in staat om voor de kinderen te zorgen.

Zowel de raad als de bijzondere curator achten het in het belang van de kinderen dat er rust en duidelijkheid komt. Beide adviseren een omgangsregeling waarbij de kinderen evenveel tijd bij beide ouders doorbrengen.

Het hof zal, gelet op het voorgaande, de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen, waarbij het hof benadrukt dat, indien nodig, beide ouders toestemming dienen te verlenen voor hulpverlening aan de kinderen.

wisseldag

5.16

Ten aanzien van het verzoek van de vader de wisseldag te verplaatsen van woensdag naar maandag en daaraan een dwangsom te verbinden verwijst het hof naar rechtsoverweging 6.10 in de beschikking van 17 april 2018 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo en maakt deze tot de zijne.

Het verzoek van de vader in het incidenteel hoger beroep wordt in zoverre afgewezen.

6 De slotsom

in het principaal en incidenteel hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen behoudens ten aanzien van de verdeling van de kerstvakantie.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van

3 december 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, behoudens ten aanzien van de verdeling van de kerstvakantie,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt als verdeling van de kerstvakantie vast dat de kinderen afwisselend in de even jaren de gehele kerstvakantie bij de moeder verblijven en in de oneven jaren de gehele kerstvakantie bij de vader;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, H. Phaff en G. van de Beek en is op 6 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.