Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6328

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
200.232.998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontruiming op basis van onherroepelijk verstekvonnis onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.232.998/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht,

zittingsplaats Nijmegen: 5609765\CV EXPL 16-719)

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[bewindvoerder] ,

in hoedanigheid van bewindvoerder van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. H. Romeijn te Rotterdam,

tegen:

Stichting Talis,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Talis,

advocaat: mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de volgende tussen partijen gewezen vonnissen:

 het vonnis in het incident van 30 november 2016 waarbij de kamer voor handelszaken van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, de zaak heeft verwezen naar de kantonrechter te Nijmegen;

 het tussenvonnis van de kantonrechter van 12 mei 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

 het eindvonnis van de kantonrechter van 3 november 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding in hoger beroep van 5 februari 2018;

 de memorie van grieven;

 de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Talis heeft met ingang van 12 oktober 2012 aan [appellante] en haar toenmalige partner, [partner] (hierna: [partner] ) verhuurd de woning aan de [adres 1] . [appellante] heeft zes kinderen. Indertijd woonden die bij haar.

3.2.

Bij verstekvonnis van 21 november 2014 heeft de kantonrechter te Nijmegen op vordering van Talis de huurovereenkomst ontbonden en [appellante] en [partner] veroordeeld om de woning te ontruimen en te verlaten vanwege een huurachterstand.

[appellante] en [partner] hebben tegen dit vonnis geen rechtsmiddel ingesteld.

3.3.

Op 9 december 2014 zijn op briefpapier van de GGD Gelderland-Zuid voor [appellante] en [partner] 'woonvoorwaarden' op schrift gesteld. Deze zijn door [appellante] en [partner] voor akkoord ondertekend. [appellante] en [partner] hebben zich er onder meer akkoord mee verklaard dat zij zich houden aan de aanwijzingen van de betrokken hulpverleners (onder meer de gezinsvoogd, politie en Talis), dat de lopende huur wordt betaald, dat een maximum van twee huisdieren geldt, dat honden worden uitgelaten op de uitlaatplaats (niet in de tuin) en dat de uitwerpselen worden opgeruimd, bij gebreke waarvan de honden weg moeten, dat de voor- en achtertuin schoon moeten worden gehouden (geen plastic, hondenpoep, vuilnis of etenswaren) en dat de gezinsleden fatsoenlijk met de omwonenden moeten omgaan en geen overlast veroorzaken. "Wanneer er ten aanzien van bovenstaande voorwaarden onvoldoende vorderingen worden gemaakt zal er alsnog tot ontruiming en ontbinding van het huurcontract worden overgegaan", aldus de laatste bepaling van de woonvoorwaarden.

[appellante] en [partner] zijn daarna in de woning blijven wonen.

3.4.

Bij exploot van 30 maart 2015 heeft Talis [appellante] en [partner] aangezegd dat het verstekvonnis ten uitvoer wordt gelegd en dat ontruiming van de woning zal plaatsvinden op 22 april 2015.

3.5.

[appellante] en [partner] hebben bij dagvaarding van 15 april 2015 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, een vordering ingesteld tegen Talis strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding is tussen Talis en [appellante] en [partner] een schikking bereikt. Deze schikking is vastgelegd in een proces-verbaal van 17 april 2015. De tekst daarvan luidt, voor zover thans van belang:

"Talis is bereid de voor 22 april 2015 aangezegde ontruiming op te schorten.

Partijen komen in dat verband het volgende overeen:

  1. [appellante] en [partner] betalen uiterlijk 20 april 2015 € 250,- en voor eind mei € 600,- uit het vakantiegeld. (…) Verder betalen [appellante] en [partner] de huurachterstand inclusief de kosten af met € 100,- per maand (…).

  2. [appellante] en [partner] zullen de verschuldigde maandelijkse huur stipt uiterlijk voor de eerste van iedere maand betalen.

  3. Talis zal aan [appellante] en [partner] een lifecoach toevoegen. De lifecoach zal er onder meer op toezien dat [appellante] en [partner] zich houden aan de eerder overeengekomen woonvoorwaarden en zal [appellante] en [partner] verder onder meer begeleiden in het snel regelen van de overeengekomen bewindvoering.

  4. (…)

  5. De lifecoach zal aan Talis rapporteren over zijn/haar bemoeienis met [appellante] en [partner] . Zolang uit deze rapportage blijkt dat [appellante] en [partner] op correcte wijze hun medewerking verlenen aan de gemaakte afspraken zal Talis het vonnis van 21 november 2014 niet executeren (…)."

Het kort geding is daarna doorgehaald.

3.6.

Bij brief van 24 september 2015 schrijft Talis aan [appellante] en [partner] :

"(…) Talis stelt vast dat u de afspraken ter voorkoming van uw huisuitzetting niet (voldoende) naleeft. Dat geeft Talis recht om opnieuw de ontruiming aan te zeggen. Aangezien echter met u is overeengekomen dat wanneer de afspraak geen uitwerpselen in de tuin tot problemen blijft leiden, de honden wegmoeten, is nu eerst dat moment aangebroken.

Ik verzoek en zonodig sommeer u dan ook binnen uiterlijk twee weken na dagtekening van dit schrijven, dat wil zeggen uiterlijk 8 oktober 2015, uw honden uit het gehuurde te verwijderen en verwijderd te houden. Het is u derhalve niet langer toegestaan om honden te houden, maar ook in het kader van deze sommatie en ter vermijding van ontruiming, geen andere huisdieren meer. De afspraak dat u maximaal twee huisdieren mag houden komt derhalve te vervallen; van Talis mag u gezien het feit dat u zich niet aan de gemaakte woonvoorwaarden houdt, helemaal geen huisdieren meer houden."

3.7.

[appellante] is in juni 2016 met haar kinderen bij haar vader in [woonplaats] gaan wonen.

3.8.

Bij exploot van 27 juni 2016 heeft Talis ontruiming van de woning aangezegd tegen 12 juli 2016.

3.9.

Bij brief van 15 juli 2016 schrijft Talis aan [appellante] : "Op 13 juli 2016 heeft [partner] de huur opgezegd van de woning [adres 1] . Met ingang van 14 augustus 2016 komt de huurovereenkomst alleen op uw naam te staan. (…)"

3.10.

Bij vonnis in kort geding van 1 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, de vordering van [appellante] , ertoe strekkende om Talis te verbieden over te gaan tot ontbinding/ontruiming van de woning, afgewezen.

In rechtsoverweging 5.3 van dat vonnis overweegt de voorzieningenrechter:

"De voorzieningenrechter is van oordeel dat [appellante] zich niet aan de woonvoorwaarden heeft gehouden. In strijd daarmee heeft zij huisdieren, een hondje en twee katten, in de woning gehouden, de woning en tuin niet schoongehouden en te kennen gegeven niet meer mee te willen werken aan het toezicht van de lifecoach / hulpverlening. Nu [appellante] de woonvoorwaarden niet is nagekomen, heeft Talis, gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen, opnieuw op basis van het vonnis van 21 november 2014 de ontruiming kunnen aanzeggen."

3.11.

Bij arrest in kort geding van 18 oktober 2016 (zaaknummer 200.197.640), waarvan het hof ambtshalve kennis heeft genomen, is het door [appellante] tegen het vonnis van 1 augustus 2016 ingestelde hoger beroep verworpen.

3.12.

De woning wordt inmiddels bewoond door iemand anders.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellante] vordert voor recht te verklaren (a) dat de ontruiming van de woning aan de [adres 1] onrechtmatig is, (b) dat het Talis verboden is over te gaan tot ontbinding van de huurovereenkomst/ontruiming van de woning en (c) dat Talis de huurovereenkomst met haar dient voort te zetten, eventueel met de daaraan verbonden woonvoorwaarden.

[appellante] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat na ontbinding van de in 2012 gesloten huurovereenkomst bij het verstekvonnis van 21 november 2014, tussen partijen een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen die niet ontbonden is. Aan de door Talis tegen 12 juli 2016 aangezegde ontruiming ligt daarom volgens [appellante] geen rechterlijke uitspraak ten grondslag; het verstekvonnis kan daartoe in ieder geval niet dienen.

Subsidiair heeft [appellante] betwist dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Volgens [appellante] is van een huurachterstand geen sprake (meer) en heeft zij zich steeds aan de in het proces-verbaal van 17 april 2015 vastgelegde regeling en aan de woonvoorwaarden van 9 december 2014 gehouden. De door Talis in haar brief van 24 september 2015 gestelde voorwaarden (hiervoor gedeeltelijk geciteerd in rechtsoverweging 3.5) zijn niet tussen partijen overeengekomen en heeft Talis niet eenzijdig kunnen opleggen.

Meer subsidiair heeft [appellante] aangevoerd dat ontruiming tot een noodtoestand leidt voor haar en haar zes kinderen, dat Talis geen rechtens te respecteren belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en dat een belangenafweging tussen partijen in haar voordeel dient uit te vallen.

Talis heeft verweer gevoerd tegen de vordering.

4.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[appellante] , die drie grieven heeft aangevoerd, concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering. Talis heeft de grieven bestreden.

5.2.

[appellante] heeft aangevoerd dat, hoewel zij thans niet meer in de woning woont, tussen partijen nog steeds een huurovereenkomst bestaat en dat zij daarom door Talis in de gelegenheid moet worden gesteld weer in de woning te gaan wonen. Daarin is het belang van [appellante] gelegen bij haar vordering en bij dit hoger beroep.

5.3.1.

Met haar eerste grief heeft [appellante] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat na het wijzen van het verstekvonnis van 21 november 2014 waarbij de in 2012 gesloten huurovereenkomst is ontbonden, tussen partijen geen nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen. [appellante] voert ter onderbouwing van haar grief het volgende aan.

 In de na het verstekvonnis overeengekomen woonvoorwaarden van 9 december 2014 is vermeld: "Wanneer er ten aanzien van bovenstaande voorwaarden onvoldoende vorderingen worden gemaakt zal er alsnog tot ontruiming en ontbinding van het huurcontract worden overgegaan". Ook wordt in de woonvoorwaarden melding gemaakt van 'de lopende huur'. Een en ander veronderstelt volgens [appellante] dat ook in de visie van Talis met het sluiten van de woonvoorwaarden een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen.

 Nadat Talis op 27 juni 2016 ontruiming had aangezegd, heeft op 30 juni 2016 een bespreking tussen partijen (met ook andere aanwezigen) plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgemaakte verslag (productie 10 bij conclusie van antwoord), punt 4, heeft Talis drie opties voorgelegd: (1) ofwel vrijwillig vertrek en ontbinding van de huurovereenkomst, ofwel (2) vertrek van [appellante] of [partner] en aangescherpte voorwaarden voor de ander, ofwel (3) ontruiming. Gekozen is voor optie 2, waarna [partner] de huurovereenkomst zijnerzijds heeft opgezegd. In de onder 3.6 bedoelde bevestigingsbrief van Talis is expliciet vermeld dat er (nog steeds) een huurovereenkomst is en dat [appellante] als enige huurder heeft te gelden.

 Ook op grond van het tijdsverloop heeft [appellante] , zo voert [appellante] aan, er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zij weer de status van huurder heeft verkregen: tussen het verstekvonnis en de aanzegging tot ontruiming is ruim anderhalf jaar gelegen. [appellante] wijst in dit verband op artikel 7:230 BW.

Omdat het verstekvonnis niet ziet op de eerst later tot stand gekomen nieuwe huurovereenkomst en de nieuwe huurovereenkomst niet door een rechterlijke uitspraak is ontbonden, biedt het verstekvonnis geen titel om tot ontruiming over te gaan, aldus [appellante] .

5.3.2.

Het hof stelt voorop dat er na het verstekvonnis van 21 november 2014 aan [appellante] en [partner] blijkbaar in overleg met diverse hulpverleningsinstanties en met de politie woonvoorwaarden zijn opgelegd. Door ondertekening ervan zijn [appellante] en [partner] met die woonvoorwaarden akkoord gegaan. Overeengekomen is dat Talis zou afzien van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en dat [appellante] en [partner] in de woning mochten blijven wonen indien en zolang zij de woonvoorwaarden zouden naleven. Dit onder voorwaarden afzien van ontruiming kan niet worden aangemerkt als het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst.

Stellende dat [appellante] en [partner] de woonvoorwaarden niet naleefden, heeft Talis op 30 maart 2015 alsnog de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis aangekondigd. Het daartegen door [appellante] en [partner] aangespannen kort geding heeft geresulteerd in het in het proces-verbaal van 17 april 2015 vastgelegde schikking. In die schikking is uitdrukkelijk overeengekomen dat Talis bereid is ontruiming van de woning op te schorten onder de in de schikking bepaalde, strikte voorwaarden.

In het licht van het voorgaande moet het voor [appellante] duidelijk zijn geweest dat aan haar (en aan [partner] ) een allerlaatste kans werd geboden om, ondanks het feit dat de huurovereenkomst reeds was ontbonden en Talis bevoegd was tot ontruiming over te gaan toch in de woning te blijven wonen. Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst.

5.3.3.

Aan de enkele omstandigheid dat er in de woonvoorwaarden gewag van wordt gemaakt dat alsnog tot ontbinding (en ontruiming) wordt overgegaan indien de voorwaarden niet worden nageleefd en/of dat in enkele andere stukken van Talis soms nog  kennelijk uit macht der gewoonte  wordt gesproken van een huurovereenkomst of (lopende) huur (zoals in de brief van Talis waarin de huuropzegging door [partner] wordt bevestigd), heeft [appellante] naar het oordeel van het hof niet gerechtvaardigd de verwachting mogen ontlenen dat er een nieuwe huurovereenkomst is ontstaan. Het enkele gebruik van die terminologie is daartoe onvoldoende. Zoals uit het hiervoor overwogene volgt moest het daarentegen voor [appellante] duidelijk zijn dat Talis met [appellante] geen nieuwe huurovereenkomst wilde aangaan, maar dat Talis slechts onder strikte voorwaarden voorlopig heeft willen afzien van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Dat bij [appellante] en [partner] het idee zou zijn ontstaan dat er sprake was van een nieuwe huurovereenkomst is niet gebleken, maar wanneer [appellante] inderdaad door de terminologie meende dat ondanks de voorgeschiedenis Talis opnieuw met haar en [partner] een huurovereenkomst was aangegaan, zou het op haar weg hebben gelegen hierover zekerheid te krijgen door daarnaar bij Talis te informeren. Niet is gesteld of gebleken dat [appellante] dat heeft gedaan.

Hetzelfde geldt voor het verslag van de op 30 juni 2016 gehouden bespreking (productie 10 bij conclusie van antwoord). Bij de door [appellante] bedoelde optie 2 (punt 4 van het verslag) is vermeld: "Een van beiden kan vertrekken, voor degene die blijft wonen komt er een nieuwe vaststellingsovereenkomst en aangescherpte voorwaarden waarvoor getekend moet worden". Hierin wordt niet gesproken van een nieuwe huurovereenkomst. Ook heeft Talis, gelet op punt 6 van het verslag, tijdens de bespreking laten weten dat "de ontruiming onveranderd vast staat".

5.3.4.

Uit de omstandigheid dat tussen het wijzen van het verstekvonnis en de (laatste) ontruimingsaanzegging ongeveer anderhalf jaar zijn gelegen, kan evenmin de conclusie volgen dat (de verwachting van [appellante] gerechtvaardigd was dat) er tussen partijen een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen, of dat de eerdere huurovereenkomst daardoor is verlengd. Artikel 7:230 BW, waarin is bepaald dat, indien na afloop van een huurovereenkomst de huurder met goedvinden van de verhuurder het gebruik van het gehuurde (stilzwijgend) behoudt, de overeenkomst daardoor, tenzij van een andere bedoeling blijkt, voor onbepaalde wordt verlengd, is voor het onderhavige geval niet toepasselijk. Gelet op de inhoud van de woonvoorwaarden van 9 december 2014 en het feit dat Talis tweemaal ontruiming heeft aangezegd en er evenzoveel kortgedingprocedures (en een appelprocedure) zijn gevoerd, is immers geenszins sprake geweest van een stilzwijgend voortgezet gebruik van de woning.

5.3.5.

Het hof verwerpt dan ook de stelling van [appellante] dat er na het wijzen van het verstekvonnis tussen partijen een nieuwe huurovereenkomst is ontstaan. Naar het oordeel van het hof heeft Talis haar recht op tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet prijsgegeven. Evenmin heeft zij het recht daartoe verwerkt. Grief 1 faalt.

5.4.1.

In de woonvoorwaarden van 9 december 2014 is bepaald: "Er is een maximum van 2 huisdieren." Bij brief aan [appellante] van 24 september 2015 (zie hiervoor 3.5) heeft Talis aangezegd dat [appellante] in het geheel geen huisdieren meer mocht houden omdat zij de woonvoorwaarden niet naleefde.

Met grief 2 voert [appellante] aan dat de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen dat Talis de voorwaarde ten aanzien van het maximaal toegestane aantal huisdieren eenzijdig mocht aanscherpen en dat vaststaat dat [appellante] die aangepaste woonvoorwaarde heeft geschonden door toch huisdieren te houden. [appellante] stelt zich op het standpunt dat Talis de voorwaarden waaronder niet tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zou worden overgegaan, niet eenzijdig heeft kunnen wijzigen. Er is dus geen sprake geweest van een toerekenbare tekortkoming op grond waarvan Talis tot ontruiming kon overgaan, aldus [appellante] .

5.4.2.

In de woonvoorwaarden van 9 december 2014 is niet alleen bepaald dat er een maximum van twee huisdieren geldt, maar ook dat hondenuitwerpselen moeten worden opgeruimd en, indien dat niet gebeurt, dat de honden weg moeten.

Talis heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] en [partner] zich niet hebben gehouden aan de voorwaarde dat hondenuitwerpselen moeten worden opgeruimd en heeft daartoe aangevoerd, zoals vermeld in de brief van Talis van 24 september 2015, dat de wijkbeheerder bij een destijds recente controle had geconstateerd dat er, vastgelegd op foto's, hondenpoep in de tuin lag. In punt 33 van haar memorie van grieven heeft [appellante] ter betwisting van de stelling van Talis dat de tuin vervuild was weliswaar aangekondigd dat zij foto's in het geding brengt, genomen in de zomer van 2016, waaruit blijkt dat de tuin toen niet vervuild was, maar in de eerste plaats heeft het hof die foto's niet in het dossier aangetroffen en in de tweede plaats zeggen in de zomer van 2016 genomen foto's niets over de situatie voorafgaand aan het versturen door Talis van de brief van 24 september 2015. Het moet er dan ook voor worden gehouden, zoals Talis heeft gesteld en [appellante] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat bedoelde voorwaarde niet is nageleefd. Talis mocht daarom overeenkomstig de woonvoorwaarden van 9 december 2014 verlangen dat de honden werden weggedaan. Van een latere aanscherping van de woonvoorwaarden is geen sprake.

5.4.3.

Bovendien heeft de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2.10 van het kortgedingvonnis van 1 augustus 2016 overwogen: "Eén van de hulpverleners is op 29 juni 2016 in de woning geweest. Er worden twee katten in de woning aangetroffen. (…) Tevens stonden in de keukenkast twee hondenbakken met frites en resten frikandel". In rechtsoverweging 5.3 van dat vonnis overweegt de voorzieningenrechter vervolgens dat [appellante] zich niet aan de woonvoorwaarden heeft gehouden (onder meer) door een hondje en twee katten in de woning te houden. Dat [appellante] na het overeenkomen van de woonvoorwaarden van 9 december 2014 in de woning drie huisdieren hield blijkt eveneens uit het als productie 10 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte gespreksverslag van 30 juni 2016. Daarin is op bladzijde 2 te lezen dat [partner] tijdens het gesprek heeft gezegd dat [appellante] en haar vader twee maanden eerder twee katten hadden opgehaald die bij hen ( [partner] en [appellante] ) wonen en voorts, onder punt 4 van het verslag, dat zij een klein hondje hebben aangeschaft.

Gelet op het voorgaande staat genoegzaam vast dat [appellante] zich evenmin heeft gehouden aan het voorschrift van de woonvoorwaarden van 9 december 2014 dat er niet meer dan twee huisdieren mogen worden gehouden. Er is dus in elk geval sprake van een toerekenbare tekortkoming. Ook grief 2 faalt.

5.5.1.

Met grief 3 voert [appellante] aan dat als gevolg van de ontruiming een noodtoestand is ontstaan. Bij gebrek aan zelfstandige woonruimte en, in verband daarmee, aan een stabiele opvoedsituatie voor de zes minderjarige kinderen, zijn vijf van die kinderen uithuisgeplaatst. Eén kind verblijft met [appellante] in de crisisopvang. De rechtbank heeft miskend dat er sprake is van een noodtoestand die meebrengt dat tenuitvoerlegging van het verstekvonnis jegens haar onrechtmatig is, aldus [appellante] .

5.5.2.

Talis is bevoegd het verstekvonnis, dat bovendien onherroepelijk was geworden, ten uitvoer te leggen. Tenuitvoerlegging kan daarom slechts dan jegens [appellante] onrechtmatig zijn (geweest) indien en voor zover Talis haar bevoegdheid heeft misbruikt. Gelet op artikel 3:13 BW kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval de executant, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

5.5.3.

Ook indien wordt uitgegaan van de door [appellante] gestelde noodsituatie, dan nog kan dat naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat Talis haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis heeft misbruikt. Uit de stukken blijkt dat Talis na het onherroepelijk geworden verstekvonnis veel geduld heeft getoond en, in overleg en samenwerking met de gemeente, de wijkagent, de wijkregisseur, de bewindvoerder, de gezinsvoogd, de GGD en andere hulpverleners [appellante] diverse malen de kans heeft geboden om in de woning te blijven. Uit de stukken en uit het hiervoor overwogene blijkt evenwel dat [appellante] de met haar (en [partner] ) overeengekomen woonvoorwaarden in onvoldoende mate is nagekomen en de haar door Talis uitgestoken hand niet (langer) heeft willen pakken. Talis, die ook de belangen van andere, omwonende huurders in ogenschouw heeft te nemen, heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten om tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis over te gaan. Van een onevenredigheid tussen het belang van Talis bij tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en het daardoor geschade belang van [appellante] die daardoor de woning heeft moeten verlaten en daarin niet kan terugkeren, is geen sprake. Ook grief 3 kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

6 De slotsom

6.1.

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van Talis zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,00

- salaris advocaat € 1.074,00 (1 punt x tarief II)

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Nijmegen (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Nijmegen) van 3 november 2017;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Talis vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, E.J. van Sandick en R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

griffier rolraadsheer