Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:626

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
WAHV 200.241.799
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplichtschending. Artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb. Nieuw model sanctiebeschikking (vanaf 1 juli 2017). Niet blijkt dat aan degene die administratief beroep heeft ingesteld een termijn is gegeven waarbinnen hij kon verzoeken om te worden gehoord. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 Awb doen zich niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.241.799

24 januari 2019

CJIB 209760053

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 23 mei 2018

betreffende

[betrokkene] N.V. (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudend te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 januari 2019. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de hoorplicht is geschonden. Op de inleidende beschikking stond geen informatie over het horen. De officier van justitie heeft de indiener dus geen termijn gesteld waarbinnen hij kon verzoeken om te worden gehoord.

2. De advocaat-generaal deelt het standpunt van de betrokkene.

3. Artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de officier van justitie de mogelijkheid om van het horen af te zien wanneer de indiener van het beroepschrift niet binnen een door de officier van justitie gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

4. Uit het dossier blijkt niet dat [E] , die administratief beroep heeft ingesteld, een termijn is gegeven waarbinnen hij kon verzoeken om te worden gehoord. Ook de andere uitzonderingsronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Gelet daarop had de officier van justitie er niet van mogen afzien [E] uit te nodigen voor een hoorzitting. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, net als – met gegrondverklaring van het beroep – de beslissing van de officier van justitie.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “rechts inhalen waar dat is verboden”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 augustus 2017 om 13:25 uur op de A2 te Nieuwegein met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

6. De gemachtigde voert aan dat de sanctie niet in stand kan blijven, nu er geen ambtsedige verklaring ten grondslag ligt aan het opleggen daarvan en ook (andere) rechtsgeldige bewijsstukken ontbreken. Verder was er sprake van een conflict van plichten: de bestuurder kon niet anders dan het voertuig naast hem rechts voorbij gaan, omdat de bestuurder daarvan gedurende dertig seconden het verkeer hinderde en dreigend gebaarde.

7. Ten aanzien van het eerste verweer volstaat het hof met een verwijzing naar arrest van dit hof van 23 augustus 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats: ECLI:GHARL:2017:7299) waarin is opgenomen dat de vaststelling dat een gedraging is verricht ook op een niet-ambtsedige verklaring van een verbalisant kan worden gebaseerd.

8. De gedraging wordt niet betwist en ook overigens ziet het hof geen reden om te betwijfelen dat deze is verricht. De vraag is nu of de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht het matigen of achterwege laten van de sanctie rechtvaardigen.

9. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Ook wanneer andere weggebruikers onnodig links houden, is rechts inhalen niet toegestaan. Dat sprake was van een bedreigende situatie is niet aannemelijk geworden. De betrokkene heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van zodanige omstandigheden dat niet redelijkerwijs van hem kon worden verlangd dat hij niet rechts inhaalde. Er is dan ook terecht een sanctie opgelegd. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.

10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en het verschijnen op de zitting van het hof dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 768,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 768,-.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.