Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6242

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
200.256.752/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslagperikelen tussen gewezen echtelieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.256.752/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/165389 / KG ZA 19-44)

arrest in kort geding van 30 juli 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.E. Smal, kantoorhoudend te Limmen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. E. Douma, kantoorhoudend te Joure.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 19 februari 2019 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 maart 2019 (met grieven);

- de conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding;

- de memorie van antwoord/tevens van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties) d.d. 23 april 2019;

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties) van 21 mei 2019;

- een akte uitlating producties van de vrouw van 18 juni 2019;

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten ontleend aan de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis van 19 februari 2019, aangevuld met enige in hoger beroep als vaststaand aan te merken feiten.

3.1

Partijen zijn [in] 2012 in gemeenschap van goederen gehuwd. De man heeft op 17 oktober 2018 een verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. Bij beschikking van 3 april 2019 is de echtscheiding van partijen uitgesproken. Inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand heeft op 24 april 2019 plaatsgevonden.

3.2

Op 5 september 2018 heeft de vrouw maritaal beslag doen leggen op de kajuitzeilboot ‘ [C] ’ die partijen tot woning diende en waarvan beide partijen voor de helft eigenaar waren. Dit schip was op het moment van beslaglegging uit het water gehaald en bevond zich op het terrein van Jachthaven Hindeloopen. Het schip is in bewaring gegeven aan [D] (geen familie van de vrouw) van genoemde jachthaven.

3.3

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 5 december 2018 dit beslag alsmede de inbewaringstelling op verzoek van de man opgeheven. De man had in die procedure (voor zover van belang) gevorderd:

-de vrouw te veroordelen om het beslag en/of de inbewaringstelling op te heffen, althans te

bepalen dat de vrouw veroordeeld wordt de bewaringstelling op te heffen;

- te bepalen dat de kosten voor opheffing van het beslag, en het daadwerkelijk weder te water

laten van het schip voor rekening van de vrouw komen;

- te bepalen dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag, althans

een bedrag in goede justitie te bepalen, indien de vrouw vanaf twee dagen na betekening van het vonnis haar medewerking niet verleent.

3.4

De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak overwogen dat de man onbetwist heeft aangevoerd dat hij het schip nodig heeft als showcase van zijn werk. Dit kan niet zolang het schip op een bok op een jachtwerf staat. Daarnaast staat vast dat voor de man het schip zijn woon- en werkplek is. De voorzieningenrechter vond dat het belang van de man zwaarder woog dan dat van de vrouw, waarbij is meegewogen dat de vrouw erg snel is overgegaan tot beslaglegging van het schip. Volgens de voorzieningenrechter had de vrouw het beslag lichtvaardig gelegd.

In het dictum heeft de voorzieningenrechter het beslag en de inbewaringstelling van het schip opgeheven en bepaald dat de kosten van opheffing van het beslag en het daadwerkelijk opnieuw te water laten van het schip voor rekening van de vrouw komen.

Vervolgens heeft de voorzieningenrechter, onder 5.4 van het dictum, bepaald “dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag dat de vrouw vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis, haar medewerking niet verleent om het vonnis na te komen, met een maximum van € 20.000,-“.

3.5

De man heeft dit vonnis op 6 december 2018 aan de vrouw betekend.

3.6

De bewaarder heeft op 11 december 2018 aan de man bericht:

“Hallo [appellant] ,

Ik heb van je begrepen dat je het schip zo snel mogelijk te water wil hebben. Ik ga kijken hoe ik dat in de planning erbij krijg.

De boot staat op dit moment 'n beetje klem. Ik schat in dat het voor deze week nog beetje lastig is maar begin volgende week moet lukken.”

Op 13 december 2018 schreef hij:

“Maandag 17 december kunnen we schepen transporteren zodat de [C] vrijkomt. Dinsdag 18 december kan dan dus de boot te water.

Eerder past niet in de planning.

Voorwaarde voor deze aktie is dat de kosten ,die nog openstaan voor dit schip, betaald zijn.

In combinatie met het voorstel wat ik gedaan heb , is de totaal openstaande post € 1.143,57 incl BTW”

Op 14 december 2018 heeft hij vervolgens bericht:

“De openstaande factuur is betaald .

Volgens planning wordt het schip maandag vrij gereden en dinsdag te water gelaten.”

3.7

De vrouw heeft op 14 december 2018 de factuur van de bewaarder voldaan.

3.8

Op 18 december 2018 is het schip in het water getakeld en aan de man ter beschikking gesteld.

3.9

De man heeft aanspraak gemaakt op € 8.000,- aan verbeurde dwangsommen en daartoe de deurwaarder op 14 januari 2019 een aanzegging laten uitbrengen. Hij heeft begin februari 2019 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de bank (Knab) en onder de stichting Openbaar Primair Onderwijs de Basis.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De vrouw heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd de opheffing van de door de man gelegde executoriale (derden)beslagen uit hoofde van het vonnis van 5 december 2018, een verbod om het vonnis van 5 december 2018 verder te executeren, terugbetaling van hetgeen onder de beslagen was geïnd en een veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

4.2

De man heeft in eerste aanleg (in reconventie) kort samengevat gevorderd de betaling van € 16.875,50 als schadevergoeding voor gederfde inkomsten als gevolg van het door de vrouw gelegde beslag, en van € 5.152,85 aan advocaatkosten.

4.3

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 19 februari 2019 de vorderingen van de vrouw nagenoeg integraal toegewezen en de vorderingen van de man afgewezen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het door de man gelegde beslag onrechtmatig is. De opvatting van de man dat de vrouw een dwangsom verbeurde als zij geen feitelijke medewerking verleende aan de afgifte en tewaterlating van het schip, is volgens de voorzieningenrechter onjuist.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep

5.1

De man vordert in zijn conclusie van de appeldagvaarding (waarin de grieven zijn opgenomen) - samengevat - de vernietiging van het vonnis van 19 februari 2019 en opnieuw rechtdoende:

1. een zodanige beslissing te nemen als het Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

2. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder de nakosten en de wettelijke rente begrepen;

3. een veroordeling van de vrouw in de advocaatkosten van de man, begroot op € 6.000,-.

5.2

De vrouw vordert in voorwaardelijk incidenteel appel aanpassing van de motivering van het vonnis van de voorzieningenrechter, en veroordeling van de man in de daadwerkelijke advocaatkosten van de vrouw in hoger beroep, ten bedrage van € 2.988,63.

Nieuwe grieven in de memorie van antwoord in incidenteel appel

5.3

Het hof stelt vast dat de man in zijn memorie van grieven uitsluitend grieven heeft gericht tegen de beoordeling in conventie en niet tegen de afwijzing van zijn vordering in reconventie. In zijn memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de man alsnog grieven gericht tegen de afwijzing van zijn vordering in reconventie en zijn vordering in appel in die zin vermeerderd dat hij alsnog toewijzing van € 14.668,- ex btw vordert. Verder heeft hij zijn vordering betreffende de advocaatkosten verhoogd tot € 9.012,20.

5.4

De vrouw heeft hiertegen terecht bezwaar gemaakt. Het hof overweegt daartoe dat nog daargelaten dat de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel niet bedoeld is om in te gaan op het verweer dat in principaal appel is gevoerd en in de kop van de memorie ook in het geheel niet is aangegeven dat deze een wijziging van eis in principaal appel bevat - deze wijziging van eis op een processueel te laat tijdstip is gedaan. Immers de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan de oorspronkelijk eisende partij toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van haar eis in hoger beroep (volgend uit artikel 130 lid 1 in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv) in die zin dat zij in beginsel haar eis niet later dan in haar memorie van grieven of (indien zij geïntimeerde is) van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, maar deze doen zich in dit geval niet voor.

5.5

Het hof zal, nu van tijdig voorgedragen grieven daartegen niet is gebleken, de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep gericht tegen het in reconventie gewezen vonnis.

Het door de man gelegde executoriale beslag

5.6

De man legt aan zijn stellingen dat de vrouw een dwangsom van € 8.000,- heeft verbeurd ten grondslag dat de vrouw op grond van het onder 3.3 weergegeven vonnis van 5 december 2018 gehouden was om ervoor zorg te dragen dat het schip uiterlijk op 9 december 2018 te water was gelaten en aan de man ter beschikking was gesteld. Het hof oordeelt dat het vonnis van 5 december 2018 een dergelijke veroordeling niet bevat. Dat de tijd die de bewaarder nodig had om een kraan te regelen en tijd vrij te maken om het schip weer te water te laten (zie de onder 3.6 geciteerde e-mails van de bewaarder) voor rekening van de vrouw komt, valt in dat vonnis niet te lezen. Voor zover de stellingen van de man erop neerkomen dat de vrouw te lang heeft gewacht met het betalen van de rekening van de bewaarder en op die grond een dwangsom heeft verbeurd, volgt het hof hem daarin niet. De vrouw was in het vonnis van 5 december 2018 alleen veroordeeld om deze kosten te voldoen. Dat heeft zij, ruim binnen de betaaltermijn, gedaan.

5.7

Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de man onrechtmatig beslag heeft gelegd. Hij is terecht in de kosten van de procedure in eerste aanleg veroordeeld.

5.8

De grieven van de man, gericht tegen het in conventie gewezen vonnis, falen.

5.9

Aangezien het principaal hoger beroep geen doel treft is de voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld niet ingetreden, zodat dat beroep geen verdere behandeling behoeft.

De slotsom

5.10

De grieven van de man falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Het hof ziet, evenals de rechtbank, geen redenen om de kosten van de procedure te compenseren vanwege de relatie die tussen partijen heeft bestaan. De man heeft onrechtmatig beslag gelegd en lichtvaardig hoger beroep ingesteld. Het hof ziet echter evenmin reden om hem in de volledige advocaatkosten van de vrouw te veroordelen, waarbij het hof betrekt dat de vrouw zelf ook lichtvaardig beslag had gelegd. Het hof zal de advocaatkosten in hoger beroep berekenen overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punten naar tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen in reconventie gewezen vonnis van 19 februari 2019;

bekrachtigt dat vonnis voor zover in conventie gewezen;

veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 324,- voor verschotten en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. O.E. Mulder en mr. I.F. Clement en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

30 juli 2019.