Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6188

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
200.234.844/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot benoeming deskundige ex artikel 7:304 lid 2 BW alsnog niet-ontvankelijk omdat in de bodemprocedure (zie ECLI:NL:GHARL:2019:6237) is beslist dat de huurovereenkomst ziet op onbebouwde grond met recht en verplichting om daarop te vestigen en niet op 7:290-bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.234.844/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6074234)

beschikking van 30 juli 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: [verzoekster],

advocaat: mr. L.M. Ravestijn, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

EG Retail (Netherlands) B.V.,

gevestigd te Breda,

verweerster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: EG Retail,

advocaat: mr. M. van Schie, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het (tussenarrest; lees: de) tussenbeschikking van 26 maart 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop na de tussenbeschikking blijkt uit:

- het proces-verbaal van de op 5 juli 2019 gehouden mondelinge behandeling van partijen, waarbij [verzoekster] spreeknotities heeft overgelegd.

1.3

De mondelinge behandeling is gelijktijdig gehouden met de comparitie van partijen in de tussen partijen bij het hof aanhangige procedure in kort geding (200.227.572/01) en de tussen partijen bij het hof aanhangige bodemprocedure (200.250.546/01).

1.4

Vervolgens hebben partijen om een beschikking verzocht en heeft het hof beschikking bepaald op de voorafgaand aan de mondelinge behandeling overgelegde gedingstukken, aangevuld met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

2. De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsover-wegingen 2.1 tot en met 2.6 van de beschikking van 11 oktober 2017. Aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens vast staan, zijn de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt.

2.2

[verzoekster] is eigenaar van het perceel grond, groot 1.722 m², gelegen aan de [a-straat 1] te [A] , hierna ook aan te duiden als het perceel grond.

2.3

Op 17 maart 1972 is tussen [verzoekster] als verhuurder en (een rechtsvoorganger van) EG Retail als huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel grond voor de duur van 20 jaar. Op het perceel is vervolgens een ‘Texaco’ benzinepompstation gevestigd.

2.4

Op 9 december 1991 is tussen [verzoekster] en (een rechtsvoorganger van) EG Retail

een huurovereenkomst gesloten voor de duur van tien jaar met een optie voor een

verlenging met nog eens tien jaar.

2.5

Op 30 december 2011 is tussen [verzoekster] en (een rechtsvoorganger van) EG

Retail een huurovereenkomst gesloten voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 januari 2012

en eindigend op 31 december 2016.

2.6

Vanaf medio 2016 zijn partijen met elkaar in gesprek over een mogelijke beëindiging van de huurovereenkomst. Tot oplevering van het gehuurde per 31 december 2016 is het niet gekomen.

2.7

In een brief van 19 april 2017 heeft EG Retail bij [verzoekster] een verzoek ingediend tot verlaging van de huurprijs voor het gehuurde per 1 juni 2017. EG Retail heeft daarvoor als reden gegeven dat zij de geldende huurprijs niet meer in lijn vindt met de huidige markt.

2.8

In een faxbericht van 9 mei 2017 heeft de gemachtigde van [verzoekster] afwijzend op bovengenoemd verzoek om huurprijsverlaging gereageerd en, met verwijzing naar de eerder

gevoerde onderhandelingen over beëindiging van de huurovereenkomst, aangedrongen op

oplevering van het gehuurde per 1 september 2017.

2.9

EG Retail heeft vervolgens kenbaar gemaakt niet te zullen ontruimen en heeft

aangekondigd een huurprijsherzieningsprocedure te zullen starten. Hierop heeft [verzoekster] vergeefs een kort geding aanhangig gemaakt, waarbij zij onder andere ontruiming van het gehuurde heeft gevorderd. [verzoekster] heeft tevens een bodemprocedure aangespannen die er onder meer toe strekt dat voor recht wordt verklaard dat de huurovereenkomst ziet op de huur/verhuur van een onbebouwde onroerende zaak en dat het betreffende perceel grond door EG Retail wordt ontruimd.

3 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en het verzoek in hoger beroep

3.1

EG Retail heeft de kantonrechter verzocht op basis van artikel 7:304 lid 2 BW een deskundige te benoemen die adviseert omtrent de huurprijs van de bedrijfsruimte aan de [a-straat 1] te [A] .

3.2

De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen en heeft dit - samengevat - als volgt gemotiveerd. Gezien de omschrijving van het gehuurde in de overeenkomst van 30 december 2011 en de opname in die huurovereenkomst van meerdere bepalingen, die in eerdere contracten niet voorkwamen en die er in samenhang gelezen op duiden dat er feitelijk 290-bedrijfsruimte is verhuurd in plaats van alleen grond, moet er vanuit worden gegaan dat de huurovereenkomst meer omvat dan alleen verhuur van een perceel grond. Tevens is sprake geweest van voldoende overleg vooraf over een te benoemen deskundige, terwijl er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling dat het verzoek misbruik van recht oplevert.

3.3

[verzoekster] verzoekt in het hoger beroep - samengevat - de vernietiging van de door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 11 oktober 2017 en 9 januari 2018 gegeven beschikkingen en alsnog de niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van het verzoek van EG Retail tot benoeming van een deskundige als bedoeld in artikel 7:304 BW, met veroordeling van EG Retail in de proceskosten van beide instanties, vergoeding van nakosten en wettelijke rente daaronder begrepen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[verzoekster] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter drie beroepsgronden aangevoerd. Met haar eerste beroepsgrond komt [verzoekster] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een huurprijs voor bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. De tweede beroepsgrond neemt tot uitgangspunt dat wel sprake is van misbruik van procesrecht. De derde beroepsgrond richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er vooraf voldoende overleg over een deskundige is geweest.

4.2

In de tussen partijen aanhangige bodemprocedure, geregistreerd onder zaaknummer 200.250.546/01, heeft hof bij arrest van heden voor recht verklaard dat gedurende de gehele huurperiode sprake is geweest van de huur/verhuur van een onbebouwde onroerende zaak, zijnde het perceel grond aan de [a-straat 1] te [A] . Op de huurovereenkomst zijn op de gronden als in dat arrest verwoord en anders dan in de bestreden beschikkingen tot uitgangspunt is genomen, niet van toepassing de artikelen 7:290 e.v. BW, zodat ook het bepaalde in artikel 7:303 BW omtrent de nadere vaststelling van de huurprijs door de rechter en het in artikel 7:304 lid 2 BW bepaalde omtrent de benoeming van een deskundige voor het opstellen van een advies over de huurprijs, zulks ten behoeve van bedoelde nadere vaststelling, toepassing mist. De eerste beroepsgrond is daarom terecht opgeworpen. Het hof zal daarom de beschikkingen van 11 oktober 2017 en 9 januari 2018 vernietigen en EG Retail alsnog in haar inleidend verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

4.3

Het voorgaande leidt ertoe dat de tweede en de derde beroepsgrond onbesproken kunnen worden gelaten.

4.4

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof EG Retail in de kosten van beide instanties veroordelen. Voor de mondelinge behandeling in hoger beroep zal geen afzonderlijk punt worden toegekend, nu die behandeling heeft plaatsgevonden gelijktijdig met de comparitie van partijen in de bodemprocedure.

4.5

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [verzoekster] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht 117,-

- salaris advocaat 400,- (2 punten x tarief €200,-)

Totaal € 517,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verzoekster] zullen worden vastgesteld op € 318,- aan griffierecht en op € 1.074,- aan salaris advocaat (1 punt x tarief II à € 1.074,-).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 oktober 2017 en 9 januari 2018 en doet opnieuw recht;

verklaart EG Retail niet-ontvankelijk in haar verzoek tot benoeming van een deskundige als bedoeld in artikel 7:304 lid 2 BW;

veroordeelt EG Retail in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [verzoekster] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 117,- voor griffierecht en op € 400,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 318,- voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen acht dagen na de datum van deze beschikking en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt EG Retail in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval EG Retail niet binnen acht dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de daarin vervatte proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, W.P.M. ter Berg en W.A. Zondag en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.