Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6143

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
200.260.290/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep afwijzing verzoek dwangakkoord ex art. 287a Fw. Appellant niet-ontvankelijk. Verzoek tot toelaten wsnp aangehouden door de rechtbank. Appellant handhaaft verzoek. Geen hoger beroep mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.260.290/01

(zaaknummer rechtbank C/18/190923 / FT RK 19/346)

arrest van 25 juli 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. G.B. de Jong, kantoorhoudende te Hoogezand,

tegen

1 ADV Vastgoed,

gevestigd te Sappemeer,

hierna te noemen: ADV,

2. N.V. Waterbedrijf Groningen,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: Waterbedrijf Groningen,

3. Coöperatie Univé U.A.,

gevestigd te Assen,

hierna te noemen: Univé,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: ADV c.s.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 13 mei 2019 is het verzoek van [appellant] om ADV c.s. te bevelen in te stemmen met de door [appellant] aangeboden schuldenregeling afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 20 mei 2019, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en te bepalen dat ADV c.s. alsnog worden bevolen hun medewerking te verlenen aan de door [appellant] aangeboden schuldenregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 3 juli 2019 van mr. De Jong.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juli 2019, waarbij namens [appellant] mr. De Jong is verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen zijn [appellant] , ADV, Waterbedrijf Groningen en Univé niet verschenen.

3 De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. De totale schuldenlast van [appellant] bedraagt € 80.236,06 en bestaat onder meer uit een schuld aan ADV van € 7.700,- (9,6% van de totale schuldenlast), een schuld aan Waterbedrijf Groningen van € 752,61 (0,94% van de totale schuldenlast) en een schuld aan Univé van
€ 238,67 (0,3% van de totale schuldenlast).

3.2

De aangeboden schuldenregeling van [appellant] houdt in dat hij drie jaar lang zijn (conform de NVVK-norm vastgestelde) afloscapaciteit zal sparen. Jaarlijks zal het gespaarde bedrag door de beschermingsbewindvoerder van [appellant] worden uitbetaald aan de schuldeisers. Op basis van het huidige inkomen van [appellant] zullen de preferente schuldeisers 3,9% van hun vordering uitgekeerd krijgen en de concurrente schuldeisers 1,95%. Het betreft een prognose, zodat de regeling ook lager of hoger kan uitvallen.

3.3

ADV en Waterbedrijf Groningen zijn niet akkoord gegaan met voormeld aanbod. Univé heeft aanvankelijk niet op het aanbod gereageerd. De overige schuldeisers zijn wel akkoord gegaan met de aangeboden schuldenregeling of hebben afstand gedaan van hun vorderingen.

Oordeel van de rechtbank

3.4

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en heeft hiertoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende overwogen. [appellant] heeft geen inzicht gegeven in de hoogte van het inkomen van zijn inwonende meerderjarig zoon. Als gevolg daarvan kan de rechtbank niet vaststellen wat [appellant] in de schuldsaneringsregeling als afloscapaciteit zou hebben en of dit voor de schuldeisers een beter of slechter perspectief biedt dan het aangeboden akkoord. Evenmin kan de rechtbank vaststellen of het aanbod het maximaal haalbare is.

Voorts ziet de rechtbank geen redelijk belang van [appellant] bij het doorlopen van een buitengerechtelijk traject van drie jaar boven het wettelijke schuldsaneringstraject van drie jaar. De rechtbank ziet echter wel een redelijk belang van ADV c.s. bij de waarborgen van het wettelijke schuldsaneringstraject boven het buitengerechtelijke traject.

De rechtbank heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten of hij zijn verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wenst te handhaven.

Beroep van [appellant]

3.5

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voert hiertoe het volgende aan. [appellant] heeft een inwonende zoon van 21 jaar. [appellant] en zijn zoon ontvangen beiden een bijstandsuitkering ter hoogte van € 732,54. Door de uitkering van zijn zoon wordt [appellant] 20% gekort op zijn uitkering. Voorts blijkt uit het VTLB-rapport dat bij meerderjarige inwoners rekening wordt gehouden met een evenredige bijdrage in de netto-woonlast of het bedrag dat de schuldenaar wordt gekort op zijn uitkering. Er zal hieruit geen hoger bedrag beschikbaar komen voor de schuldeisers.

Op grond van een recente VTLB-berekening blijkt dat het VTLB hoger is dan het totale inkomen (inclusief vakantiegeld). Hiervan wordt bij een minnelijk aanbod een bedrag aangeboden van € 51,- per maand gedurende 36 maanden. Bij toelating tot de wettelijke schuldsanering zal de afdracht aan de boedel nihil zijn.

Ter zitting is door mr. De Jong aangevoerd dat Univé alsnog akkoord is gegaan met het door [appellant] gedane aanbod. Ook heeft mr. De Jong desgevraagd verklaard dat het wsnp-verzoek bij de rechtbank is aangehouden en dat het verzoek door [appellant] niet is ingetrokken, maar wordt gehandhaafd.

Oordeel van het hof

3.6

Het hof dient allereerst te beoordelen of [appellant] kan worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de uitspraak tot afwijzing van het verzoek om ADV c.s. te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw. Het betreft hier een schuldenaar wiens verzoek om een bevel tot instemming met een schuldenregeling is afgewezen onder aanhouding van de beslissing op het door de schuldenaar gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.7

Het hof gaat voor een antwoord op de vraag of in dat geval hoger beroep mogelijk is van de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw te rade bij artikel 292 Fw en de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966) waarin hij bij de toepassing van het stelsel van rechtsmiddelen van artikel 292 Fw vier gevallen heeft onderscheiden.

3.8

In de drie eerste gevallen die de Hoge Raad onderscheidt, is telkens sprake van de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw, maar respectievelijk gecombineerd met de toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsrege-ling (geval 1), afwijzing van dat verzoek (geval 2) en intrekking van dat verzoek (geval 3).

In het eerste geval is hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw niet mogelijk; in de gevallen 2 en 3 wel. Nu de beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in dit geval is aangehouden en mr. De Jong ter zitting heeft verklaard dat [appellant] dit verzoek handhaaft, is in de onderhavige zaak geen sprake van één van de drie beschreven gevallen.

Naar het oordeel van het hof vloeit uit de wetsgeschiedenis van artikel 287a Fw en de uitleg die de Hoge Raad geeft aan artikel 292 Fw voort dat al dan niet zelfstandig hoger beroep van het verzoek als bedoeld in artikel 287a Fw slechts mogelijk is bij afwijzing of intrekking van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en dat een dergelijk hoger beroep niet mogelijk is, indien - zoals in dit geval - sprake is van een aangehouden verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Indien in het onderhavige geval wel hoger beroep mogelijk zou zijn, opent dat de mogelijkheid tot en met de Hoge Raad door te procederen over een gedwongen schuldregeling, om na afwijzing daarvan pas te gaan kijken of de schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten, hetgeen de wetgever gelet op de parlementaire geschiedenis nu juist wil voorkomen. Het hof acht het bovendien onwenselijk de beslissing op het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw los te koppelen van de beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verdient aanbeveling gelijktijdig (al dan niet bij één en hetzelfde vonnis) op deze verzoeken te beslissen. Dat betekent dat in dit geval geen hoger beroep mogelijk is tegen de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw en dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden
14 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9500).

3.9

Voor het geval [appellant] wel ontvankelijk zou zijn geweest in zijn verzoek, overweegt het hof ten overvloede dat het dit verzoek niet zou hebben toegewezen, omdat het hof het oordeel van de rechtbank onderschrijft. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het voorliggende aanbod ook in hoger beroep nog veel onduidelijkheden en weinig waarborgen bevat. Het betreft een prognoseakkoord dat is gebaseerd op een spaarcapaciteit van € 45,- à
€ 50,- per maand, maar dat kan ook meer of minder zijn. Daarbij is niet gebleken dat [appellant] niet is staat is om te werken om zo meer inkomsten te genereren voor de schuldeisers. De enkele stelling dat [appellant] al lange tijd van een bijstandsuitkering leeft, is onvoldoende.

Slotsom

3.10

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. M. Willemse en mr. E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2019.