Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6137

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
WAHV 200.252.518
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht administratief beroep. Gelet op artikel 7:19, derde lid, van de Awb kan slechts van horen in het openbaar worden afgezien op verzoek van een belanghebbende dan wel om gewichtige redenen. Dat de gemachtigde niet heeft gereageerd naar aanleiding van de antwoordkaart, vormt geen gewichtige reden om van het horen in het openbaar af te zien, nu verzocht was om te worden gehoord. Het niet reageren op de antwoordkaart kan niet worden gezien als het (alsnog) afzien van het recht te worden gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.252.518

25 juli 2019

CJIB 214764240

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 22 november 2018

betreffende

[A] ,

kantoorhoudende te [B] ,

beweerdelijk optredende voor [betrokkene] ,

wonende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en er is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 11 juli 2019. De betrokkene en diens gemachtigde zijn - zoals van tevoren aangekondigd - niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat door de gemachtigde van de betrokkene geen machtiging is overgelegd.

2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om het geconstateerde verzuim te herstellen.

3. Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, zal de kantonrechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:1, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van degene die het heeft ingesteld een schriftelijke machtiging kunnen verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt, dan kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4. Uit het dossier blijkt niet dat de kantonrechter de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld om het verzuim te herstellen. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter daarom het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Derhalve zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had moeten doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

5. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.

6. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

7. De gemachtigde voert aan dat hij ondanks een daartoe strekkend verzoek niet is uitgenodigd voor een fysieke hoorzitting. De officier van justitie heeft dan ook de hoorplicht geschonden.

8. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat geen van de andere uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17 van de Awb zich hier voordoet. De officier van justitie heeft de gemachtigde vervolgens bij (aangetekende) brief van 8 mei 2018 bericht dat hij de mogelijkheid krijgt om zijn mondelinge toelichting telefonisch te geven. Daarbij is gevraagd om met de meegestuurde antwoordkaart zijn voorkeur voor één van de mogelijke data aan te geven. In de brief is tevens vermeld dat als er niet voor 21 mei 2018 wordt gereageerd, de officier van justitie ervan uit gaat dat de gemachtigde afziet van een (telefonische) hoorzitting. Bij brief van 6 juni 2018 heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt dat van horen wordt afgezien, omdat de gemachtigde het antwoordformulier niet heeft geretourneerd.

9. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde daarmee niet op adequate wijze in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Het hof overweegt daartoe dat gelet op artikel 7:19, derde lid, van de Awb slechts van horen in het openbaar kan worden afgezien op verzoek van een belanghebbende dan wel om gewichtige redenen. Het een noch het ander doet zich hier voor. Dat de gemachtigde niet heeft gereageerd naar aanleiding van de antwoordkaart, vormt geen gewichtige reden om van het horen in het openbaar af te zien, nu verzocht was om te worden gehoord. Het niet reageren op de antwoordkaart kan in dit geval niet worden beschouwd als het (alsnog) afzien van het recht te worden gehoord. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

10. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”, welke gedraging zou zijn verricht op 23 februari 2018 om 14:00 uur op de Porporastraat te Zwolle met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

11. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet is verricht, dan wel dat de gedraging de betrokkene niet kan worden verweten. De betrokkene en zijn voertuig zijn op de bewuste dag niet op de plek geweest waar de auto volgens de verbalisant zou hebben gestaan. Een foto van de gedraging ontbreekt en ook is er niemand staandegehouden. De gemachtigde en de betrokkene gaan er vanuit dat de verbalisant zich heeft vergist.

12. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de gemachtigde van de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

13. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast de volgende verklaring:
"Het voertuig stond geparkeerd op een weggedeelte dat is bestemd voor het verkeer van voetgangers, zijnde een voetpad c.q. trottoir. Ik heb voor dat gebied geen geldige ontheffing waargenomen.(…) Reden geen staandehouding: bestuurder niet aanwezig. Geen foto kunnen maken van de situatie."

14. Hetgeen tegenover de verklaring van de ambtenaar wordt gesteld, is in feite niet meer dan een enkele ontkenning dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. De betrokkene hoeft weliswaar niet het bewijs van zijn onschuld te leveren, maar van hem mag wel worden verwacht dat hij door middel van concrete feiten en omstandigheden een begin van twijfel aandraagt aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een voetpad c.q. trottoir. Dit heeft de betrokkene niet gedaan. Nu uit het dossier evenmin blijkt van feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht met het voertuig waarvan het kenteken in het kentekenregister ten name van de betrokkene stond gesteld.

15. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot het matigen of achterwege laten van de sanctie zouden moeten leiden.

16. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Dit betekent dat het verzoek om proceskostenvergoeding moet worden afgewezen.

17. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.