Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6125

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
21-002188-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:1260
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:217
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewelddadige woningoverval met dodelijke afloop te Gees. Vormverzuim ex art. 359a Sv. Verwerping niet-ontvankelijkheidsverweer, verwerping verweer bewijsuitsluiting en verwerping verweer strafvermindering.

Veroordeling voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag, welk feit verdachte verminderd kan worden toegerekend. Veroordeling tot 10 jaren gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging. Beslissingen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002188-18

Uitspraak d.d.: 25 juli 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 6 april 2018 met parketnummer 18-930276-16 in de strafzaak tegen

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

thans verblijvende in de [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 9 en 25 oktober 2018, 13, 20, 25, 26 en 27 juni 2019, 25 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van 16 jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gevorderd deze vorderingen volledig toe te wijzen, zij het dat de advocaat-generaal wat betreft het onderdeel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] dat ziet op het gederfd levensonderhoud primair volledige toewijzing en subsidiair toewijzing tot een bedrag van € 252.593,50 en niet‑ontvankelijkverklaring van het overige deel van de vordering heeft gevorderd. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd de vorderingen hoofdelijk, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.E. van der Werf, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 6 april 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast bevat het vonnis de beslissingen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en heeft de rechtbank schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 30 juni 2016 te Gees, althans in de gemeente Coevorden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen, te stompen en/of te slaan, althans door op enigerlei wijze zodanig lichamelijk geweld op die [slachtoffer] uit te oefenen dat deze aan de gevolgen daarvan, althans van het daardoor ontstane letsel, is overleden,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten diefstal met geweld in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, van een of meer geldbedragen, een hoeveelheid sieraden, een portemonnee met inhoud, een envelop met inhoud en/of een of meer sleutels,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


subsidiair:


A.

hij op of omstreeks 30 juni 2016 te Gees, althans in de gemeente Coevorden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen, te stompen en/of te slaan, althans door op enigerlei wijze zodanig lichamelijk geweld op die [slachtoffer] uit te oefenen dat deze aan de gevolgen daarvan, althans van het daardoor ontstane letsel, is overleden;

en/of

B.

hij op of omstreeks 30 juni 2016 te Gees, althans in de gemeente Coevorden, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning aan/nabij [straat] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen, een hoeveelheid sieraden een portemonnee met inhoud, een envelop met inhoud en/of een of meer sleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming

en/of

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en/of die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- zich aan die [slachtoffer] en/of die [benadeelde 1] hebben/heeft vertoond terwijl hun/zijn gezicht(en) waren/was geschminkt, althans waren/was voorzien van kleurstof en/of

- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam hebben/heeft geschopt, gestompt en/of geslagen en/of

- met die [slachtoffer] in gevecht/worsteling zijn/is gegaan en/of

- de armen/polsen van die [slachtoffer] op diens rug hebben/heeft vastgebonden met een of meer snoeren, met tape en/of met een of meer kledingstukken, althans met een of meer voor vastbinden geschikte voorwerp(en), en/of

- de benen/enkels van die [slachtoffer] hebben/heeft vastgebonden met een of meer snoeren, met tape en/of met een of meer kledingstukken, althans met een of meer voor vastbinden geschikte voorwerp(en), en/of

- een of meer snoeren, althans een of meer voor vastbinden geschikte voorwerp(en) om de nek/hals van die [slachtoffer] hebben/heeft gebonden en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft gericht op die [benadeelde 1] , althans dat vuurwapen/voorwerp zichtbaar voor die [benadeelde 1] en/of die [slachtoffer] hebben/heeft vastgehouden en/of

- dreigend tegen die [benadeelde 1] hebben/heeft gezegd: “Jullie hebben drie kluizen”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [benadeelde 1] hebben/heeft vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] hebben/heeft meegetrokken/meegenomen naar de benedenverdieping van die woning en/of

- die [benadeelde 1] hebben/heeft bevolen een kantoordeur in die woning te ontsluiten en/of

- die [benadeelde 1] hebben/heeft bevolen een tas te geven en/of

- dreigend aan die [benadeelde 1] hebben/heeft gevraagd waar de vijftigjes waren, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- dreigend aan die [benadeelde 1] hebben/heeft gevraagd: “Waar is het bungalowgeld”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [benadeelde 1] (met een voorwerp) tegen het hoofd hebben/heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer] naar de overloop van die woning hebben/heeft gesleept en/of

- die [benadeelde 1] hebben/heeft bevolen op de buik op de vloer te gaan liggen en/of

- de armen/polsen en/of de benen/enkels van die [benadeelde 1] hebben/heeft vastgebonden met een of meer riemen, althans met een of meer voor vastbinden geschikte voorwerpen, en/of

- een ring van een vinger en/of een ketting van de hals van die [benadeelde 1] hebben/heeft gerukt/getrokken,

welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging 1

1 De standpunten

1.1.

Verzoek raadslieden met betrekking tot het pleiten

Mrs. Van der Werf, Nillisen en Kellouh (raadslieden van respectievelijk de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] ) hebben voorafgaand aan hun pleidooien laten weten zich te willen aansluiten bij hetgeen mr. Kuijper (raadsvrouw bijstand verlenend aan verdachte [verdachte 4] ) zal gaan opmerken omtrent de door de verdediging bestreden ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Dit om onnodige herhalingen in de pleidooien te voorkomen. Het hof heeft in dit verzoek bewilligd en toegezegd dat wat door de ene advocaat bij pleidooi over de ontvankelijkheidsvraag naar voren zal worden gebracht, als herhaald en ingelast zal worden beschouwd in het pleidooi van de ander. Dit heeft tot gevolg dat in het onderhavige arrest standpunten van meerdere raadslieden zullen worden verwoord.

1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De rechter is misleid, bij deze misleiding is de rol van het openbaar ministerie bepalend geweest en het handelen van het openbaar ministerie is zodanig doelbewust en grof geweest, de misleiding is zo groot en het vertrouwen is zo beschaamd, dat herstel niet meer mogelijk is. In de onderhavige zaak, waar het gaat om valsheid van een proces-verbaal, op instigatie van de officier van justitie en in weerwil van de protesten van opsporingsambtenaren tegen het inbrengen van dit proces-verbaal, is van misleiding sprake.

Subsidiair dient voor de niet-ontvankelijkheid te worden aangehaakt bij artikel 359a Sv. De met opsporing en vervolging belaste ambtenaren hebben zich tijdens het voorbereidend onderzoek schuldig gemaakt aan zeer kwalijke schendingen van normen, waardoor ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Door aldus te handelen is tevens doelbewust aan het recht van verdachten op een eerlijke behandeling van hun zaak tekort gedaan, met onherstelbare schade aan hun belangen tot gevolg.

Meer subsidiair hebben mrs. Van der Werf, Nillesen en Kellouh zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) van het bewijs moet worden uitgesloten dan wel dat de vormverzuimen moeten leiden tot strafvermindering. Hierbij is opgemerkt dat de schendingen niet zijn hersteld, en voor zover deze wel zijn hersteld, dit te danken is aan de inspanningen van de verdediging.

De aan deze verweren ten grondslag liggende argumenten van de zijde van de verdediging volgen hierna.

1.3.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal betoogt dat het optreden van de officier van justitie mr. [officier van justitie] (hierna: [officier van justitie] ) niet zonder fouten was, maar wel dat de fouten die zijn gemaakt niet de conclusie rechtvaardigen dat de officier van justitie de rechtbank heeft misleid. Er was geen kwade trouw bij de officier van justitie. Wel is er – behalve bij verdachte [verdachte 3] – sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek doordat het verhoor van [getuige 1] niet overeenkomstig de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van aangevers, getuigen en verdachten (hierna: Aanwijzing) is opgenomen op een geluidsdrager. De advocaat-generaal concludeert tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank in de zaak van verdachte [verdachte 4] en vordert terugwijzing van deze zaak naar de rechtbank Noord-Nederland. In de zaken van de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] moet de verklaring van [getuige 1] worden uitgesloten van het bewijs. Verder is er geen aanleiding om in de zaken van laatstgenoemde verdachten enig (rechts)gevolg te verbinden aan de kwestie [getuige 1] , derhalve ook geen strafvermindering.

2 Inleiding

2.1.

Aanleiding voor het bestrijden van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Steen des aanstoots voor de verdediging is een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , waarin – anders dan het geval zou zijn – staat weergegeven dat dit verhoor ‘abusievelijk’ niet is opgenomen en voorts dat dit proces-verbaal is opgemaakt op 30 januari 2017 te [plaats 1] , terwijl dit op een andere datum en plaats heeft plaatsgevonden. Ook de vermelding dat de getuige haar verklaring niet heeft doorgelezen en dat zij heeft geweigerd de verklaring te ondertekenen, zou in strijd zijn met de feitelijke gang van zaken. [officier van justitie] is van deze gebreken op de hoogte gesteld door de advocaat van [getuige 1] , mr. Van der Eijk (hierna: Van der Eijk), die bij het getuigenverhoor aanwezig is geweest. Desondanks heeft zij het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal toegevoegd aan het strafdossier en verzuimd op de zitting melding te maken van voornoemde tekortkomingen. Daarbij komt ook nog dat de officier van justitie wist dat er bij de politie twijfels bestonden over de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] .

2.2.

De aan de kwestie verbonden gevolgen

Het voorgaande is in het kort de opmaat geweest voor wat gaandeweg ‘de kwestie [getuige 1] ’ is gaan heten, en die bij de rechtbank Noord-Nederland heeft geleid tot niet‑ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in de zaak van verdachte [verdachte 4] , en in de zaken van de medeverdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] tot bewijsuitsluiting van de verklaring van [getuige 1] en een substantiële strafvermindering.

Om aan te geven welke omvang de kwestie [getuige 1] heeft gekregen, volgt een kort overzicht van de gebeurtenissen, onderzoeken en afdoeningen die zijn gevolgd na het vonnis van de rechtbank.

Door een drietal raadslieden is aangifte2 gedaan tegen het verhoorkoppel [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [officier van justitie] . Naar aanleiding van deze aangiften is er strafrechtelijk onderzoek gedaan naar een eventuele overtreding van de artikelen 207 (meineed) en 225 (valsheid in geschrift) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit onderzoek is verricht door de Rijksrecherche en is gericht tegen [officier van justitie] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Deze zijn als verdachten gehoord. Het onderzoek heeft geleid tot een lijvig procesdossier,3 waarvan de conclusie luidt dat de officier van justitie een op ambtsbelofte valselijk opgemaakt proces‑verbaal d.d. 30 januari 2017 heeft gebruikt, terwijl ze wist dat er onjuistheden in dit proces-verbaal stonden. Het proces-verbaal is vals, in die zin dat het niet de juiste gang van zaken weergeeft. [officier van justitie] is door voornoemde Van der Eijk en door de teamleider van het TGO Gees [teamleider] gewezen op deze onjuistheden in het proces-verbaal, maar zij heeft geen afstand genomen van de inhoud van het proces-verbaal doch het proces-verbaal opzettelijk gebruikt. Het proces-verbaal is namelijk op gezag van de officier van justitie onderdeel van het procesdossier geworden, gebleven en overgelegd aan de rechtbank en de verdediging, zo luidt de conclusie van het onderzoek.4

De zaak tegen de officier van justitie is door het arrondissementsparket Noord-Holland geseponeerd omdat een strafrechtelijke vervolging een te zware reactie zou zijn op hetgeen haar in deze zaak kan worden verweten, aldus de officier van justitie mr. Van der Heijden in zijn sepotbrief5 gericht aan [officier van justitie] . Wel wordt de oplegging van een disciplinaire maatregel aanbevolen. Blijkens een aan de advocaat-generaal gericht schrijven van hoofdofficier van justitie, mr. Schram, heeft laatstgenoemde naar aanleiding van de aanbeveling tot oplegging van een disciplinaire maatregel de Adviescommissie Afdoening Integriteitsincidenten gevraagd om advies uit te brengen omtrent de disciplinaire afdoening. De gezamenlijke conclusie luidt dat [officier van justitie] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Bij de bepaling van een passende disciplinaire maatregel is meegewogen dat het oordeel van de rechtbank, de uitgebreide negatieve berichtgeving in de media en het strafrechtelijke onderzoek grote impact op [officier van justitie] hebben gehad. Op 28 februari 2019 heeft voornoemde hoofdofficier van justitie [officier van justitie] berispt.6

Tegen dit sepot is door mr. Kuijper op 8 april 2019 namens verdachte [verdachte 4] beklag gedaan ex artikel 12 Sv.

2.3.

Volgorde van de te bespreken onderwerpen

Hieronder wordt eerst ingegaan op de aan het verweer ten grondslag gelegde grieven (3), gevolgd door een schets van het wettelijk toetsingskader (4). Vervolgens volgt een beschrijving van de kwestie [getuige 1] (5) waarna ingezoomd wordt op het veelbesproken proces-verbaal van getuigenverhoor (6). Na het plaatsen van enkele kanttekeningen bij een aantal gevolgtrekkingen (7) volgt toetsing van de vastgestelde feiten aan het beoordelingskader (8).

Wanneer hierna verder wordt gesproken over ‘ontvankelijkheid’, wordt steeds gedoeld op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolgingsrecht.

3 De aan het beroep op niet-ontvankelijkheid ten grondslag liggende bezwaren

3.1.

De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte [verdachte 4] bij monde van mr. Kuijper

Mr. Kuijper heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht of zij voor haar feitenvaststelling mag verwijzen naar haar in eerste aanleg gevoerde pleidooi, en wel voor zover zij deze in haar pleitnota onder de nummers 6 tot en met 32 heeft beschreven. Het hof heeft dit verzoek toegewezen en zal dit deel van het pleidooi in eerste aanleg beschouwen als te zijn herhaald en ingelast in hoger beroep. In het pleidooi wijst de raadsvrouw op een groot aantal tekortkomingen in het optreden van de beide zaaksofficieren.

In essentie gaat het om:

  • -

    het gebruik door [officier van justitie] van de verklaring van [getuige 1] in het kader van het voortduren van de voorlopige hechtenis, hetgeen ertoe heeft geleid dat de voorlopige hechtenis onrechtmatig is voortgezet;

  • -

    het ‘wanhopige gevecht van woorden’ waarmee het openbaar ministerie tracht de kwestie te bagatelliseren in plaats van serieus te nemen;

  • -

    het niet geven van de achtergrondinformatie die bij [officier van justitie] bekend was over de tekortkomingen van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] ;

  • -

    het nimmer door haar of door haar opvolger officier van justitie mr. Kappeyne van de Coppello (hierna: Kappeyne van de Coppello) gegeven opdracht tot nader verhoor van [getuige 1] ;

  • -

    het verzet van [officier van justitie] tegen het horen van [getuige 1] bij de rechter‑commissaris;

  • -

    het achterhouden door [officier van justitie] van belangrijke informatie en het feitelijk voorliegen van de rechtbank over de mogelijkheid [getuige 1] te horen bij de politie;

  • -

    het vermoeden dat [officier van justitie] het nader horen van [getuige 1] niet zozeer wilde om de politie kritische vragen te laten stellen aan [getuige 1] over de redenen van wetenschap van [getuige 1] , maar om de verdediging – en daarmee kritische vragen over haar eigen rol bij het inbrengen van de verklaring – buiten de deur te houden;

  • -

    het nadere politieverhoor dat niet heeft plaatsgevonden vóór 23 maart 2017;

  • -

    Kappeyne van de Coppello die wel een heel lijdelijke opstelling heeft gehad en die de raadsvrouw alleen maar kan duiden als het schoonvegen van zijn eigen straatje;

  • -

    het handelen van het openbaar ministerie dat - alles overziend – in dit strafproces jegens niet alleen haar cliënt (verdachte [verdachte 4] ), maar ook jegens de rechterlijke macht, zo uitzonderlijk onbehoorlijk is geweest dat hierop alleen zijn niet‑ontvankelijkheid in de vervolging een adequate reactie is;

  • -

    een valsheid, op instigatie van de officier van justitie en in weerwil van de protesten tegen het inbrengen van dat proces-verbaal van de opsporingsambtenaren, die moet leiden tot niet-ontvankelijkheid als ultieme afstraffing van misleidend gedrag van het openbaar ministerie.

Subsidiair wordt een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op grond van artikel 359a Sv. Dit in het geval dat het hof de niet‑ontvankelijkheid als ultieme afstraffing van misleidend gedrag van het openbaar ministerie niet wenst uit te spreken, vanuit het idee dat er een segment vormverzuimen bestaat dat nóg erger is dan waarvan in de onderhavige zaak sprake is. De raadsvrouw besteedt vervolgens aandacht aan de voor toewijzing van dit beroep door de wet en rechtspraak gestelde eisen.

3.2.

De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte [verdachte 2] bij monde van mr. Nillesen

Mr. Nillesen heeft in aanvulling op de door mr. Kuijper genoemde gronden nog opgemerkt dat de uitspraken van [getuige 1] in haar verhoor van 30 januari 2017, onmiskenbaar belastende informatie bevatten. Informatie die zich telkens in het hoofd nestelt van de lezer van het proces-verbaal. Het is ook nog eens informatie die telkens met elkaar in lijn is: normaal een teken van betrouwbaarheid of waarachtigheid. Als men maar lang genoeg roept dat iets waar is, dan wordt het dat op enig moment ook, aldus de raadsman. Pas na het voegen van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] en op verzoek van de verdediging zijn uiteindelijk de tapgesprekken aan het strafdossier toegevoegd. Uit deze tapgesprekken blijkt dat [getuige 1] juist niet via [verdachte 2] is geïnformeerd over wat er op 30 juni 2016 in Gees is gebeurd. Onder het geven van een aantal andere voorbeelden van (naar de mening van de raadsman) inhoudelijk niet kloppende processtukken, komt hij tot de conclusie dat er op meerdere momenten tijdens de voorfase van het strafproces aan de rechtbank onjuiste informatie is voorgeschoteld. De officier van justitie heeft een actieve dan wel prominente betrokkenheid gehad bij het voegen van deze stukken. Onder het mom van beweerdelijke transparantie wordt de rechtbank – net als de verdediging – voorgelogen door de officier van justitie, aldus de raadsman.

Na beschouwingen over de onherstelbaarheid van het vormverzuim, het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het veroorzaakte nadeel, sluit de raadsman aan bij het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een ernstig vormverzuim, waarbij doelbewust tekort is gedaan aan de belangen van de verdachte op een eerlijk proces. Anders dan de rechtbank en mede gelet op het gegeven dat de kwalijke gang van zaken de rechtspleging in de kern raakt, meent de raadsman dat hieraan de ultieme consequentie van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te worden verbonden.

Subsidiair bepleit de raadsman strafvermindering.

3.3.

De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte [verdachte 3] bij monde van mr. Kellouh

Mr. Kellouh heeft in aanvulling op de door mr. Kuijper genoemde gronden nog opgemerkt dat zij de rechtbank volledig volgt in haar constatering met betrekking tot de vormverzuimen. Maar haar cliënt is – in tegenstelling tot de conclusie van de rechtbank – wel door de werkwijze van het openbaar ministerie in zijn verdediging geschaad.

Feit blijft – aldus de raadsvrouw – dat men de fouten wilde wegmoffelen door [getuige 1] tussen neus en lippen door de verklaring te laten ondertekenen. Ook maakt de raadsvrouw er melding van dat de methode van verhoor als getuige bij de politie niet fijn was. [getuige 1] is onder druk gezet, gemanipuleerd en angst aangejaagd, hetgeen de raadsvrouw baseert op de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris. De raadsvrouw meent dat dit aspect in de zaak in hoger beroep onderbelicht is gebleven.

De grove fouten die zijn gemaakt kunnen niet alleen worden afgedaan met bewijsuitsluiting en strafvermindering. Het oordeel van de rechtbank dat haar cliënt niet in zijn belangen is geschaad en dat daarmee het openbaar ministerie ontvankelijk is, kan en mag volgens de raadsvrouw in hoger beroep niet gelden.

De raadsvrouw stelt dat dit een dusdanig bijzonder geval is dat dit niet valt onder de noemer van factor 3 bij artikel 359a Sv. Dit artikel is niet op dit soort gevallen van toepassing. Immers, de wetgever kan nooit op een soortgelijk geval hebben geanticipeerd. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de vormverzuimen van dusdanige aard zijn, dat er zich geen artikel in onze wetten bevindt waar de normering, bestraffing, nadeel en dergelijke van dit gevolg in is beschreven. Het betreft een unicum.

Aangezien er sprake is van vormverzuimen – waaronder een aantal dat door het openbaar ministerie is erkend in beide requisitoiren – die tevens onherstelbaar zijn, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Dit staat volgens de raadsvrouw geheel los van de vraag naar het nadeel voor haar cliënt.

Tot slot gaat de raadsvrouw kort in op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst en de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan, alsmede de verwijtbaarheid van het verzuim en het nadeel voor haar cliënt.

3.4.

De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte [verdachte 1] bij monde van mr. Van der Werf

Mr. Van der Werf heeft in aanvulling op de door mr. Kuijper genoemde gronden nog opgemerkt dat de aanzienlijke schendingen van een belangrijk vormvoorschrift, zoals deze door mr. Kuijper in de zaak van medeverdachte [verdachte 4] zijn benoemd, niet zijn hersteld. En voor zover deze gedeeltelijk zijn hersteld, is dat te danken aan de inspanningen van de verdediging en niet aan de inspanningen van het openbaar ministerie. Zijn cliënt heeft nadeel ondervonden van deze schendingen doordat zijn recht op een eerlijk proces doelbewust en met veronachtzaming van zijn belangen is geschaad, aldus de raadsman. Primair schaart de raadsman zich achter de conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, zoals beargumenteerd door mr. Kuijper. Subsidiair verzoekt de raadsman het hof om de verklaring van [getuige 1] uit te sluiten van het bewijs en om bij een eventuele strafoplegging de straf te matigen, zoals de rechtbank dat heeft gedaan.

4 Het juridisch toetsingskader

Het hof verstaat de verdediging aldus dat zij primair aan de niet-ontvankelijkheid de al wat oudere jurisprudentie van de Hoge Raad ten grondslag legt. Het gaat om een destijds door de Hoge Raad zelf al als uitzonderlijk aangeduide situatie waarin het de handelswijze betrof van een officier van justitie, die in strijd was met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter, waardoor het wettelijk systeem in de kern werd geraakt. In deze zaak, de zaak Karman, was het fundamentele belang dat de gemeenschap heeft bij inachtneming van de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter aan de orde, zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.7 Bij niet‑ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op deze grond gaat het om extreme gevallen waarin moedwillig door politie dan wel openbaar ministerie is geprobeerd de controlerende taak van de rechter te frustreren.8 Als onderscheidend criterium tussen deze en de op artikel 359a Sv gebaseerde grond voor niet-ontvankelijkheid wordt genoemd dat in de eerste variant niet de eis wordt gesteld dat de belangen van de verdachte in concreto zijn geschaad.

Het hof is van oordeel dat met de inwerkingtreding van artikel 359a Sv er – zeker in het onderhavige geval – geen aanleiding is om in kwesties van normschendingen bij de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden (onder verantwoordelijkheid van politie of openbaar ministerie) terug te vallen op een buitenwettelijke categorie. Al deze vormverzuimen – ook als men die onder de noemer ‘misleiding van de rechter’ wil rubriceren – kunnen worden onderworpen aan het regiem van het toetsingskader van artikel 359a Sv. Dit oordeel heeft tot gevolg dat waar de verdediging een tweesporen-benadering volgt op de weg naar de betoogde niet-ontvankelijkheid, het hof alle tegen de ontvankelijkheid aangevoerde bezwaren langs de lat zal leggen van het toetsingskader ex artikel 359a Sv. Inhoudelijk gezien maakt het voor de toetsing als zodanig in dit geval ook nauwelijks enig verschil.

In de opvatting van het hof appelleren daarmee alle door de verdediging in dit kader aangevoerde grieven aan het in artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder c Sv genoemde – meest vergaande – rechtsgevolg. Het gaat daarbij om de gevallen waarin door toedoen van een onherstelbaar vormverzuim begaan in het voorbereidend onderzoek geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die voldoet aan de beginselen van een goede procesorde, waartoe het hof ook rekent het verbod van misleiding van de rechter.

Bij de toepassing van artikel 359a Sv dient naar vaste rechtspraak het navolgende te worden vooropgesteld:

Indien binnen de door artikel 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid, van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Van belang is voorts dat – gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv – het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot één van de daar omschreven rechtsgevolgen.

Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht, en biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld, de mogelijkheid af te zien van het toepassen van één van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van artikel 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte.

Indien de feitenrechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan één van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet‑ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt op grond van het bovenstaande slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.

Opmerking verdient nog dat indien de rechter tot strafvermindering besluit, hij in zijn beslissing niet alleen moet aangeven dat en waarom hij dit rechtsgevolg aan het verzuim verbindt, maar ook in hoeverre hij de straf in verband met het begane vormverzuim vermindert.

Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Ook bij bewijsuitsluiting gaat het overigens om een bevoegdheid van de rechter, waarvan de uitoefening in de eerste plaats moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van artikel 359a, tweede lid, Sv en van de omstandigheden van het geval. Terzijde zij opgemerkt dat artikel 359a Sv niet van belang is voor vormverzuimen waardoor de betrouwbaarheid van het aldus verkregen onderzoeksmateriaal wezenlijk is beïnvloed. Dan zal het onderzoeksmateriaal immers reeds om die reden door de rechter buiten beschouwing worden gelaten.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan9.

5 Het verhoor van [getuige 1]

5.1.

Voorafgaande opmerking

Door het onderzoek van de Rijksrecherche is een omvangrijk aantal processtukken aan het strafdossier gevoegd. Dit onderzoek heeft als gezegd plaatsgevonden ná de uitspraak in eerste aanleg. De rechtbank heeft van deze stukken dus geen kennis gehad bij haar oordeelsvorming. Ook heeft het hof – anders dan in eerste aanleg – [officier van justitie] en Van der Eijk ter zitting als getuigen gehoord en kennis kunnen nemen van hun verklaringen over de kwestie.

Op basis van de zich op dit moment in het strafdossier bevindende processtukken, waaronder bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen en de daarop voortbordurende verhoren in het Rijksrechercheonderzoek, het grote aantal beschikbaar gekomen e-mails, zittingsaantekeningen en andere documenten, is het hof van oordeel dat met een grote mate van nauwkeurigheid kan worden vastgesteld wat bij de betrokken politie- en justitiefunctionarissen voor ogen heeft gestaan bij het horen van [getuige 1] en de nasleep hiervan.

De periode in het opsporingsonderzoek in de zaak Gees die hierna – wellicht wat ongebruikelijk uitvoerig – wordt beschreven beslaat de tijdspanne van 27 januari 2017 tot en met de voor de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 4] tweede pro forma zitting op

23 maart 2017. Op laatstgenoemde datum verrichtte [officier van justitie] haar laatste ambtshandelingen in dit onderzoek. Vanaf 24 maart 2017 is Kappeyne van de Coppello de voor het onderzoek verantwoordelijke (zaaks)officier van justitie. Op de door de verdediging op hem uitgeoefende kritiek zal hierna ook nog, maar wel veel korter, worden ingegaan.

5.2.

Volgorde van bespreking

Bij de beschrijving van de gang van zaken voor zover deze relevant is wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan de navolgende aspecten van het verhoor van [getuige 1] :

  • -

    de reden van haar verhoor (5.3),

  • -

    de omstandigheden waaronder het verhoor plaatsvond (5.4),

  • -

    de inhoud van de bestreden verklaring (5.5),

  • -

    de afspraken die met [getuige 1] bij het verhoor (zouden) zijn gemaakt (5.6),

  • -

    de vorm waarin het verhoor van [getuige 1] uiteindelijk is gegoten (5.7),

  • -

    de inhoud van de tussen de advocaat van [getuige 1] en de officier van justitie verzonden e-mails (5.8),

  • -

    de inhoud van de e-mail van de advocaat van [getuige 1] d.d. 22 maart 2017 aan de officier van justitie (5.9) en

  • -

    de pro forma zitting van 23 maart 2017 (5.10).

5.3.

Het doel van het getuigenverhoor van [getuige 1]

De teamleider van TGO Gees heeft tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris het doel van het getuigenverhoor van [getuige 1] als volgt verwoord:

‘Het verhoor van [getuige 1] heeft in januari plaatsgevonden. Ze kwam naar voren als een contact van [naam 1] tegen wie een onderzoek liep. Zij woonde in een appartementencomplex in [plaats 1] en [naam 1] had onderdak bij [getuige 2] , de buurvrouw van [getuige 1] . [getuige 1] was een contact van [verdachte 2] , één van de verdachten van het onderzoek Gees. Zij stond op de bezoekerslijst van het Huis van Bewaring waar [verdachte 2] verbleef. Op die manier zagen wij een relatie. We wilden [getuige 1] bevragen over [naam 1] . We verwachtten dat dat mogelijk ruis zou veroorzaken en er dan over Gees gesproken zou worden. (…) Het klopt dat mevrouw [verbalisant 1] die opdracht heeft gekregen. Ik weet niet of die van mij is gekomen, maar dat zou kunnen. Ik heb haar verteld dat [getuige 1] gehoord moest worden als onderdeel van een ruisstrategie’10.

Het doel van het verhoor van [getuige 1] was, zo begrijpt het hof, het veroorzaken van enige beroering in een wat ruimere kring van mogelijke betrokkenen bij de overval te Gees.

5.4.

De gang van zaken tijdens het verhoor: geen auditieve registratie

Kort samengevat blijkt uit de stukken dat het verhoor van [getuige 1] als volgt heeft plaatsgevonden. Aanwezig bij het verhoor van [getuige 1] is haar advocaat Van der Eijk. Niet te achterhalen valt of het de advocaat is die weigert dat er iets op papier komt of dat het verhoor auditief wordt opgenomen. Het is [verbalisant 2] die dit beweert,11 maar deze situatie wordt niet herinnerd door [verbalisant 1] .12 Van der Eijk spreekt het uitdrukkelijk tegen.13 Wel staat vast dat door [verbalisant 2] bij aanvang van het verhoor contact is opgenomen met [teamleider] , die volgens [verbalisant 2] heeft gezegd: ‘Maak aantekeningen en achteraf een gespreksverslag’. [verbalisant 2] verklaart vervolgens: ‘Omdat [teamleider] duidelijk aangaf dat er wel aantekeningen gemaakt moesten worden, impliceerde dat voor mij dus ook dat er geen audio-opnames met de AVR (Audio Visuele Registratie) zou worden opgenomen’.14 [verbalisant 2] verklaart verder: ‘ [verbalisant 1] en ik hebben stilzwijgend aan het verzoek van de advocaat en [getuige 1] voldaan om de opnameapparatuur niet aan te zetten. Daarover is geen contact geweest met de teamleider’15. Deze gang van zaken wordt bevestigd door [teamleider] : ‘Er was ’s ochtends nog gezegd dat het wel opgenomen moest worden. Andere instructies zijn er niet gegeven (…) Het besluit om niet op te nemen is genomen door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] is erin meegegaan, zo herinner ik mij het. Mijn reactie op de mededeling? Ik was verontwaardigd en boos’16.

5.5.

De inhoud van de verklaring van [getuige 1] 17

Vanwege de commotie die is ontstaan door de verklaring van [getuige 1] – zowel over de vorm waarin de verklaring is gegoten als haar inhoud – wordt hierna een belangrijk deel van haar verklaring letterlijk en integraal weergegeven.

Zoals reeds aangekaart wordt in de ogen van de politie vermoed dat [getuige 1] een connectie is van verdachte [verdachte 2] . Desgevraagd beaamt [getuige 1] dit. Nadat haar advocaat is aangeschoven bij het verhoor, steekt [getuige 1] van wal. Zij verklaart dat het gaat om twee zaken die door elkaar lopen: een woningoverval waarbij de bewoner is doodgeslagen en een ripdeal op een weedhok in Den Haag waarbij geschoten is op een auto, een Renault Clio, die op naam van haar buurmeisje staat (het hof begrijpt: [getuige 2] ). Vervolgens begint [getuige 1] te vertellen over de tweede zaak – de ripdeal in Den Haag – waardoor het verhoorkoppel compleet wordt verrast omdat deze casus hen volledig onbekend is18. Hetgeen [getuige 1] over die zaak in Den Haag heeft verklaard, wordt hier verder buiten beschouwing gelaten. Over de zaak Gees verklaart zij het volgende19:

‘Ik ben er niet bij geweest. Ik was eerst niet op de hoogte dat deze zaak er was. Dat heb ik vernomen van [verdachte 2] . Toen ik zijn spullen heb gebracht en hij is toen later overgeplaatst naar Almelo. Dat had te maken met een moord. Ik schrok daarvan en vroeg hoe en wat. Ik wist niet dat het om Gees ging.

Zijn celmaat daar had ik contact mee. En die vertelde mij dat [verdachte 2] met al zijn spullen werd weggehaald en ergens anders geplaatst.

Toen [verdachte 2] in Almelo zat nam hij weer contact met mij en hij zei dat ze hem vasthielden voor moord. Ik wist niet voor wie wat of waar. Hij had het niet naar zijn zin in Almelo en dat hij op zijn zwijgrecht wilde gaan zitten en dat hij terug wilde naar Dordrecht. Dat contact was over de telefoon en hij kon er niet veel over zeggen.

[verdachte 2] vroeg ik: ‘wat is er aan de hand?’

[verdachte 2] zei tegen mij dat ze daar naar toe waren gegaan. [verdachte 4] had een wapen en [verdachte 2] had een wapen. En daar binnen is het mis gegaan. Ik heb daar niet op doorgevraagd wat er mis gegaan was. Dat zei [verdachte 2] .

[verdachte 2] heeft gezegd dat op dat moment daar binnen dat hij genaaid is. Wat daar binnen gebeurd is weet ik echt niet. [verdachte 2] noemde wel de naam [naam 1] .

Over de buit … die jongens hebben echt heel veel geld altijd tot hun beschikking. Ik heb gelezen op internet over sieraden. Als ze die hadden dan is dat in België. Als dat er is geweest dan zijn die sieraden naar België want zij hebben daar iemand zitten die de sieraden direct voor hun omsmelt.

Van [verdachte 2] heb ik begrepen dat [naam 1] heeft gereden. Die jongen kan ook echt goed rijden. Het enige wat ik weet is [verdachte 4] , [verdachte 2] , [naam 1] en van [getuige 2] begreep ik de Amsterdammer (het hof begrijpt steeds: verdachte [verdachte 1] ) ook erbij waren. [getuige 2] weet zoveel maar die is zo bang om iets te vertellen. Er lagen bijvoorbeeld ook wapens in de kelder maar nu zijn ze weggehaald. [getuige 2] heeft gezegd dat de wapens nu weg zijn. Het waren 4 wapens, gewoon zwarte pistolen. Ik heb ze wel eens gezien die wapens.

Over Gees weet ik dat ze met auto’s daar naar toe zijn gegaan. Ik weet dat ze dan een auto huren en als [naam 1] heeft gereden dan is het vast een Porsche of een Mercedes AMG 263, want daar rijdt hij altijd in. Ze huren dan een Porsche bij iemand in Utrecht en op een andere naam, van iemand die zijn id kaart heeft verloren.

Ik weet behalve welke ik al gezegd heb niet weet wie er mee waren naar Gees. Dus [verdachte 4] , [verdachte 2] , [naam 1] en de Amsterdammer. Die Amsterdammer weet ik dus van [getuige 2] .

De mannen komen altijd tussen 07.00 en 08.00 of tussen 09.00 en 10.00 uur thuis als ze op stap zijn geweest voor een klusje. Ze zijn meestal allemaal in donkere kleding en ze dragen een muts. [getuige 2] wordt dan ook boos want die mannen gaan ook allemaal douchen.

[naam 1] zet zijn auto altijd op een andere plaats. De kleding werd ook direct gewassen door [getuige 2] , dat moest ze doen.

Er ligt daar ook nog kleding van [verdachte 4] , [verdachte 2] . Er heeft ook een tijdje een sleutelapparaat gestaan.

[naam 1] (het hof begrijpt: [naam 1] ) is dit afgelopen weekend niet veel thuis geweest maar vannacht zo rond 07.00 uur en 07.30 uur thuis gekomen en hij heeft [getuige 2] hier ook bij het politiebureau afgezet.

Dat ik weet dat het over Gees gaat, [verdachte 2] heeft de naam Gees nooit genoemd. Hij heeft wel aangegeven dat er iets mis is gegaan met [naam 1] . Ik ben op internet gaan zoeken nadat ik gebeld was door de politie. Naar een roofoverval. [verdachte 4] is wel een linke jongen.

[verdachte 4] , [verdachte 2] zijn binnen geweest. Van de Amsterdammer weet ik dat hij mee was. Ook van [naam 1] weet ik ook dat hij mee was.

Ik heb mijn vader ook op de hoogte gebracht dat de politie mij belde en toen is hij ook gaan zoeken op internet. Toen kwamen we in Gees uit waarin in een persbericht stond vermeld dat er een 28 jarige Amsterdammer was aangehouden. Er stond nog bij dat een 69 jarige man was overleden.

[verdachte 2] heeft mij verteld dat hij in Gees is geweest en dat hij genaaid is door [naam 1] en dat het daar binnen mis is gegaan.

Waarom ze in Gees terecht zijn gekomen is mij niet bekend, zij ruiken allemaal geld.

Over de buit … Er is altijd een hoop geld en er zijn ook wel sieraden geweest. De enige die er iets over kan zeggen is [getuige 2] . Ze deden ook heel veel kluizen stelen (…)’.

Aan het slot van het verhoor geeft ze aan bang te zijn om te verklaren. De jongens hebben een code: ‘lullen’ met de politie is een probleem. Ze vreest voor haar leven.

5.6.

De met [getuige 1] gemaakte afspraken

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat de status van het gesprek met [getuige 1] allereerst informatief was, namelijk om erachter te komen wat zij wist over de zaak Gees. De verkregen informatie was al voor 90% bij de politie bekend en van tevoren was tegen [getuige 1] gezegd dat de informatie alleen in het dossier zou komen als het belangrijk was. Uit het gesprek met [getuige 1] kwam geen spectaculaire informatie. Daarom is haar aan het einde gezegd dat de teamleider hoogstwaarschijnlijk zou oordelen dat haar verklaring niet in het dossier zou komen.20 [verbalisant 2] zegt niet anders te hebben geweten dan dat in het geval er door [getuige 1] niet al te veel nieuws werd verteld, de verklaring niet in het dossier zou komen. Als er wel veel vandaan kwam, zou de verklaring wel in het dossier komen. [verbalisant 2] heeft verklaard: ‘Wat [getuige 1] had verteld voegde niet veel toe aan wat wij al wisten’21. Volgens [verbalisant 2] is aan het einde van het verhoor gezegd dat als de gevaarzetting voor [getuige 1] dusdanig zou zijn, dat zij als beschermde getuige dan wel als bedreigde getuige zou moeten worden gehoord, zij dan mogelijkerwijs een nieuwe verklaring zou moeten afleggen. [verbalisant 2] heeft dit aan het einde van het verhoor besproken met Van der Eijk en in aanwezigheid van [getuige 1] . [verbalisant 2] heeft voorgehouden dat er voor de beschermde dan wel bedreigde getuige een speciale procedure is, waar zij ( [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ) niet over gaan. Dit is enkel besproken als scenario en enkel omdat de advocaat daar bij het weggaan over begon. Hij vroeg immers naar de eventuele vervolgstappen en toen zijn wat scenario’s besproken.22

Volgens Van der Eijk is door verbalisant [verbalisant 2] tegen [getuige 1] gezegd dat zij binnenkort nog een keer moest terugkomen naar [plaats 1] , waarna de politie een verklaring van haar zou opmaken met alle vragen en dan met als antwoord van [getuige 1] : ‘ik weet het niet’. Deze verklaring zou dan door [getuige 1] ondertekend worden. Deze verklaring zou dan eventueel wel in het dossier kunnen komen, aldus Van der Eijk. Aanleiding hiervoor was [getuige 1] vrees dat haar buurvrouw [getuige 2] –die op dezelfde ochtend was gehoord en wist dat [getuige 1] diezelfde dag ook een verklaring moest afleggen – haar lastige vragen zou stellen en argwaan zou krijgen door [getuige 1] urenlange afwezigheid thuis.23 Deze toezegging wordt uitdrukkelijk ontkend door de beide verhorende ambtenaren. Er is met [getuige 1] niet over een ‘alternatieve of fake-verklaring’ gesproken, aldus [verbalisant 1] .24 [verbalisant 2] betitelt dit ook als onzin.25 Het hof merkt op dat in de e-mail die Van der Eijk kort na het verhoor van [getuige 1] aan [officier van justitie] heeft gestuurd, ter bevestiging van de gemaakte afspraken, niet wordt gerefereerd aan een dergelijke toezegging door het verhorende koppel.26

5.7.

De omzetting van het gespreksverslag in een proces-verbaal van getuigenverhoor

Uit de verhoren van de rechtstreeks betrokkenen blijkt dat van meet af aan sprake is geweest van een verschil van opvatting tussen politie en openbaar ministerie over de status van het gespreksverslag dat door [verbalisant 1] naar aanleiding van het verhoor van [getuige 1] was opgemaakt. Op de ochtend van het verhoor van [getuige 1] is [officier van justitie] aanwezig bij het overleg van de Vaste Kern Leidinggevenden (hierna: de VKL). Voor zover zij zich herinnert, zijn er in de VKL geen afspraken gemaakt over het opmaken van een gespreksverslag of een proces-verbaal van verhoor. Voor haar gevoel zou [getuige 1] gewoon als getuige worden gehoord. Het staat [officier van justitie] bij dat die ochtend – voor het verhoor – de vraag werd gesteld of [getuige 1] niet als bedreigde getuige kon worden aangemerkt. Er was namelijk contact geweest met de vader van [getuige 1] . [officier van justitie] heeft naar aanleiding van de mogelijke dreiging richting [getuige 1] direct contact opgenomen met haar collega CIE-officier van justitie mr. Wildeman. Mr. Wildeman deelde het standpunt van [officier van justitie] dat [getuige 1] geen bedreigde getuige kon zijn. Daarvoor stond [getuige 1] te dicht op de subjecten van het onderzoek inzake TGO Gees. Mr. Wildeman gaf [officier van justitie] het advies om de verklaring van [getuige 1] niet in Summ-IT (opmerking hof: het landelijk politieregistratiesysteem) op te nemen, maar een Word document op te laten maken. Het advies van mr. Wildeman was om de verklaring van [getuige 1] nog buiten het onderzoek op te slaan en niet met het onderzoeksteam te delen. Op die manier kon de verklaring op een later moment nog beoordeeld worden. Verder kreeg [officier van justitie] naar eigen zeggen het advies om geen toezeggingen te doen aan [getuige 1] en bij haar geen verwachtingen te wekken. ‘Dat advies van de CIE-officier heb ik opgevolgd en daar meteen gedeeld met de VKL’27, aldus [officier van justitie] .

[teamleider] vermoedt dat hij het gespreksverslag van het verhoor van [getuige 1] in de week na 30 januari 2017 in handen heeft gekregen. Het was een kaal document, dat in Word was opgemaakt en niet in Summ-IT. Hij heeft het stuk gekregen van één van de twee verhorende verbalisanten en aan [officier van justitie] ter beschikking gesteld. Hij denkt dat dit op de eerstvolgende VKL was.28 Volgens [teamleider] was het onderzoeksteam, met uitzondering van [officier van justitie] , van mening dat wat [getuige 1] verklaarde – in ieder geval op een aantal heel cruciale punten – wel belastend was richting bepaalde verdachten in het onderzoek Gees, maar dat [getuige 1] alle belastende punten waarover zij verklaarde, niet kon weten. Volgens [teamleider] is dat meteen tegen [officier van justitie] gezegd. Dit was volgens [teamleider] meteen bij het VKL‑overleg toen hij haar het gespreksverslag gaf. De officier van justitie vond de verklaring heel interessant. Er stonden namelijk veel belastende dingen in over bepaalde verdachten. [teamleider] verklaart toen te hebben benadrukt dat [getuige 1] alle belastende dingen die ze noemde niet kon weten. Dat kon herleid worden uit tapgesprekken. Onder andere de tijdlijn in de verklaring van [getuige 1] klopte niet, aldus [teamleider] . [teamleider] benadrukt in zijn verklaring dat ze toen in een ruisstrategie zaten te werken. [teamleider] heeft verklaard dat de officier van justitie diverse malen bij het onderzoeksteam terugkwam en vertelde dat ze erover had nagedacht, met diverse mensen erover had gesproken en toch vond dat er een proces‑verbaal van verhoor opgemaakt moest worden. Op een gegeven moment heeft [teamleider] tegen de officier van justitie gezegd dat de politie adviseert en onderbouwt met argumenten, maar dat zij de leider onderzoek was en dat zij de knoop door moest hakken.29

[officier van justitie] bevestigt dat zij een discussie met [teamleider] heeft gevoerd. Volgens haar was de kern van deze discussie het al dan niet voegen van de verklaring van [getuige 1] in het voortgangsproces-verbaal ten behoeve van de pro forma zitting van 23 maart 2017. Het maakte haar – naar eigen zeggen – niet uit of de verklaring wat betreft de vorm een gespreksverslag was met daarbij een proces-verbaal van bevindingen of een proces-verbaal van verhoor. [officier van justitie] heeft verklaard dat de verklaring moest worden gevoegd in het strafdossier. Het staat haar niet bij dat zij opdracht heeft gegeven om van het gespreksverslag een proces-verbaal van verhoor te maken. Zij beaamt dat [teamleider] haar telefonisch heeft verteld dat [getuige 1] een kwetsbare getuige was en dat er ook informatie was verkregen uit de TELIO-tap. [teamleider] adviseerde [officier van justitie] om de verklaring van [getuige 1] niet in het strafdossier op te nemen. Er was ondertussen enige tijd verstreken om de kwestie te kunnen bespreken met de rechercheofficier van justitie mr. Fahner en TCI‑officier van justitie mr. Wildeman. Tussentijds nam ook de advocaat van [getuige 1] contact op met [officier van justitie] omdat er volgens hem bepaalde toezeggingen aan [getuige 1] waren gedaan. De discussie ging doorlopend over het wel of niet voegen van de verklaring van [getuige 1] in het dossier. [officier van justitie] verklaart: ‘Ik vond het een vervelend en lastig punt in het onderzoek’. Gevraagd naar wat de intentie was om toch een proces-verbaal van het gespreksverslag te laten opmaken, antwoordt [officier van justitie] : ‘De intentie was om haar verklaring te voegen in het voortgangsproces-verbaal voor de pro forma-zitting van 23 maart 2017. Dit altijd met als insteek dat ze voor de zitting van 23 maart 2017 nog nader door de politie gehoord zou worden over de kritieke punten en haar redenen van wetenschap’30.

Op 22 februari 2017 hakt [officier van justitie] de knoop door. Het verhoor van [getuige 1] moet aan het dossier worden toegevoegd, zo laat ze [teamleider] telefonisch weten en geeft, volgens [teamleider] , hem de opdracht om een proces-verbaal van verhoor op te maken.31

Een blik op de achtergrond van deze beslissing van de officier van justitie geeft de afspraakjournaalmutatie van 23 februari 2017, opgemaakt door [teamleider] , waarin hij noteert:

‘Op 22-2-17 Bericht terug gekregen. Op het OM was besloten dat de verklaring van [getuige 1] wel in het dossier opgenomen moest worden. Volgens de OvJ was er anders een te groot risico op problemen bij de inhoudelijke behandeling wat uiteindelijk wel tot een niet ontvankelijkheid van het OM kon leiden. Voor wat betreft de afspraken die gemaakt zijn met [getuige 1] en haar advocaat, zal de OvJ contact opnemen met de advocaat en uitleggen wat er gaat gebeuren’32.

[teamleider] neemt in het journaal ook nog e-mails op waarvan er hier drie worden genoemd.

De eerste e-mail is van [officier van justitie] aan [teamleider] verzonden op 22 februari 2017 met de tekst: ‘Hieronder mails van de advocaat, zijn weergave van het gesprek. Ik moet hem nog antwoorden dat wij de verklaring gaan gebruiken, intentie is dat donderdag te doen’33.

[teamleider] laat hierop per e-mail – dit is de tweede hier te noemen e-mail – aan [officier van justitie] weten: ‘De verbalisanten die [getuige 1] hebben gehoord zijn pas volgende week weer in dienst. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] kan dus pas op maandag of dinsdag worden gemaakt. De kans zit er dus in dat het voortgangsprocesverbaal voor de pro forma zitting van 23 maart 2017 pas eind van de volgende week bij het OM wordt ingeleverd. Daarin wordt dus ook een eventueel vervolg verhoor van [getuige 1] nog niet in meegenomen’34.

De derde e-mail bevat de reactie van [officier van justitie] op de laatste mail: ‘Meest wenselijke is dat jullie haar ook voor die tijd horen. Maar lukt dat echt niet, dan moeten we een vervolgverhoor maar nazenden, maar wil voorkomen dat op zitting alleen eerste verklaring van [getuige 1] in het dossier zit, terwijl jullie nog wel kritische vragen hebben’35.

Van der Eijk, wordt door [officier van justitie] op 23 februari 2017 per e-mail medegedeeld dat [getuige 1] waarschijnlijk ook aanvullend gehoord moet gaan worden door de politie om een en ander verduidelijkt te krijgen. Zijn weergave van het gesprek met de recherche36 zegt zij niet te kunnen bevestigen. Het openbaar ministerie was – aldus de officier van justitie – niet bij dit gesprek aanwezig en het uitgangspunt van het openbaar ministerie is en was dat het een situatie betreft waarin geen toezeggingen konden worden gedaan, aangezien nog niet duidelijk was wat [getuige 1] zou gaan verklaren en of het naar aanleiding van haar verklaring noodzakelijk was om haar identiteit af te schermen.37

[verbalisant 1] maakt vervolgens een proces-verbaal van verhoor op in opdracht van [teamleider] . De datum van het opmaken van het proces-verbaal was ‘op of rond 23 februari 2017 in [plaats 2] ’, aldus [verbalisant 1] .38

5.8.

Het e-mailverkeer tussen Van der Eijk en [officier van justitie]

Van der Eijk reageert verbolgen op de e-mail van [officier van justitie] van 23 februari 2017: ‘Mocht het zo zijn dat de door mij weergegeven inhoud van het gesprek met de recherche niet wordt erkend (ook niet door de recherche), dan zie ik dat als het in twijfel trekken van mijn integriteit. U zult begrijpen dat ik daar grote moeite mee heb’. Hij merkt onder meer op dat tijdens het overleg van 30 januari 2017 aan zijn cliënte uitdrukkelijk kenbaar was gemaakt dat haar ‘verklaring’ alleen in een Word document zou worden opgenomen en niet in het dossier zou belanden. Cliënte, zo hadden de dienstdoende rechercheurs kenbaar gemaakt, moest nog wel een keer terugkomen naar het politiebureau in [plaats 1] om een verklaring af te leggen dan wel te ondertekenen waarin zij – kort gezegd – aan zou geven van niets te weten. Dat was de wijze waarop dit volgens de recherche moest worden aangepakt.39 Zoals hierboven onder 5.6. al besproken wordt een toezegging op het punt van het opmaken van zo’n ‘ik weet niets’-verklaring met grote stelligheid door de verhorende ambtenaren ontkend.

Kort na het versturen van de e-mail aan de officier van justitie, stuurt Van der Eijk een e‑mail met dezelfde strekking als die aan [officier van justitie] aan verbalisant [verbalisant 1] .40 In een reactie op deze e‑mail van [teamleider] aan [officier van justitie] zegt [teamleider] dat hij het nog even bij [naam 2] heeft gecheckt welke afspraken er waren gemaakt in de VKL voorafgaand aan het verhoor. Daarin stond vermeld: in een Word document vastleggen, eerst beoordelen wat er verklaard wordt, het Word document wordt niet in het dossier gevoegd. [teamleider] meldt verder aan [officier van justitie] : ‘Het enige vervelende is dat er door de beide rechercheurs zelfstandig is besloten om geen geluidsopname van het gesprek te maken. Verder is er door de rechercheurs niet gezegd, dat de verklaring pertinent niet in het dossier terecht zou komen. Wat er wel is gezegd is, is dat dit Word document in deze vorm niet in het dossier zou worden opgenomen. Er is vanmiddag weer contact geweest met deze raadsman om een afspraak te maken voor begin volgende week voor een vervolg met [getuige 1] . Dat viel niet helemaal goed. Hij ging het eerst met zijn cliënt bespreken en komt er op terug. Er is door [verbalisant 1] aan de advocaat aangegeven, dat het verschil van mening tussen het OM en de advocaat tussen hen moet worden opgepakt. Daar gaan wij als politie niet tussen zitten’41, aldus [teamleider] aan [officier van justitie] .

Op 16 maart 2017 richt Van der Eijk aan [officier van justitie] een verzoek om nadere inlichtingen:

‘(…) Ik verzoek u mij kenbaar te maken op welke datum het bewuste Word document precies aan het dossier is toegevoegd, alsook op welke datum dit stuk verstrekt is aan de raadslieden van de verdachten. Om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen, zie ik een afschrift van het document zoals dat in het dossier terecht is gekomen, graag tegemoet. (…)’42.

Het antwoord van [officier van justitie] komt op 22 maart 2017:

‘De verklaring is gevoegd in het voortgangsproces-verbaal tbv een pro-forma zitting op 23 maart (morgen). Het pv is waarschijnlijk op 2 maart verstuurd aan advocaten. Bijgaand de verklaring. Zoals eerder bericht vind ik het wenselijk dat uw cliënte nader gehoord wordt door de politie. Zojuist heb ik echter ook een verzoek ontvangen van een van de raadslieden om haar bij de RC te laten horen. Hoewel er nog een formele regiezitting zal volgen, verwacht ik wel dat het verzoek morgen aan de orde zal komen’43.

[officier van justitie] staat op dat moment op het punt om van betrekking te wisselen, zoals eerder al is aangegeven. Met ingang van 1 mei 2017 verruilt zij het arrondissementsparket voor het ressortsparket. Reeds op 6 maart 2017 is in verband met het aanstaande vertrek door de teamleider van [officier van justitie] het besluit genomen dat Kappeyne van de Coppello de leiding van TGO Gees zou overnemen en wel met ingang van 24 maart 2017, de dag na de pro forma‑zitting van 23 maart 2017.44

5.9.

De e-mail van 22 maart 2017 van Van der Eijk

De e-mail – met als bijlage het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] – van [officier van justitie] aan Van der Eijk blijft niet onopgemerkt bij laatstgenoemde. Hij reageert in een uitgebreide e-mail naar [officier van justitie] .45 Naast een uitvoerig beklag over de gang van zaken en het niet aantreffen in het proces-verbaal van wat volgens hem is afgesproken tussen de rechercheurs en [getuige 1] , wijst hij op een drietal onjuistheden in het proces-verbaal:

1. ‘In het proces-verbaal lees ik: ‘Naar later bleek dat het verhoor abusievelijk niet op geluid is opgenomen’. Zo is het niet gegaan. Ik heb tijdens het overleg nog expliciet gevraagd of het gesprek werd opgenomen. De heer [verbalisant 2] antwoordde daarop dat dit niet het geval was, hetgeen duidt op een welbewuste keuze van de recherche. Wanneer de rechercheurs stellen dat pas later bleek het verhoor niet op geluid is opgenomen, en dat dit ook nog abusievelijk is gebeurd, dan klopt dat dus niet. Ik verneem graag van u waarom dit niettemin toch op deze wijze in het proces-verbaal terecht is gekomen, temeer nu beide rechercheurs het proces-verbaal op ambtsbelofte hebben opgemaakt’46.

2. ‘ ‘Aan het slot van het proces-verbaal is opgenomen dat cliënte heeft geweigerd de verklaring te ondertekenen. Ook dat is een opmerking die niet correct is. Alle betrokkenen waren het er op 30 januari 2017 over eens dat er die dag helemaal niet getekend zou worden door cliënte en dat het bewuste Word document niet in het dossier zou worden gevoegd’47.

3. ‘ ‘Zij verklaren tevens op ambtsbelofte dat dit ‘proces-verbaal’ op 30 januari 2017 is opgemaakt. Dat zou betekenen dat zij terstond na het vertrek van cliënte en ondergetekende een geheel andere koers zijn gaan varen, die lijnrecht indruist tegen de eerder die dag gemaakte afspraken’48.

[officier van justitie] verklaart omtrent de ontvangst van deze e-mail dat zij heeft gezien dat zij deze op de genoemde dag en datum heeft ontvangen.49 Zij werd hier tijdens de voorbereiding van het Rijksrechercheverhoor (opmerking hof: op 1 november 2018) op gewezen door haar advocaat. Hierop heeft [officier van justitie] deze e-mail nader bekeken en heeft ze gezien dat ze die e‑mail heeft doorgestuurd.50 Zij had de e-mail helemaal niet meer op haar netvlies staan. Ze weet ook niet meer of ze de e-mail heeft doorgelezen. Het was een hele lange mail. Ze was op dat moment druk bezig met de voorbereiding van de pro forma zitting van de volgende dag, namelijk 23 maart 2017. Ze kan zich niet herinneren of ze er verder nog iets mee gedaan heeft.51 De verhorende Rijksrecherche-rechercheurs confronteren haar vervolgens met de verklaring van [teamleider] . Deze verklaart op het moment van de ontvangst van de door [officier van justitie] doorgestuurde e-mail van Van der Eijk voor het eerst op de hoogte te zijn geraakt van de gebreken in het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] . [teamleider] heeft verklaard: ‘Ik heb haar gebeld en gezegd dat een aantal punten waar Van der Eijk aan refereerde wel klopte en een juiste weergave was zo als het volgens mij ook was gelopen. Het punt dat het verhoor abusievelijk niet was opgenomen klopte niet. Ik gaf aan dat dit niet abusievelijk doch bewust was gebeurd. Ik gaf aan dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tegen ons verteld hadden hoe dat was gegaan. Ik stelde aan de officier voor om hun een opdracht te geven om een PV te maken waarin ze zouden verantwoorden waarom dat fout in het PV terecht was gekomen’52. Eerder bij de rechter-commissaris heeft [teamleider] hierover gezegd: ‘Ik heb voorgesteld om een aanvullend-pv op te laten maken om de omissie vast te leggen. De OvJ was het ermee eens en heeft opdracht gegeven’53.

[officier van justitie] zegt zich geen telefoongesprek met [teamleider] te herinneren, net zoals zij zich de e‑mail (het hof begrijpt: de mail van 22 maart 2017) van Van der Eijk niet meer kan herinneren. ‘In het vonnis las ik dat er ook sprake was van antedatering en dat was voor mij helemaal een volkomen verrassing’54, aldus [officier van justitie] .

5.10.

De pro forma zitting van 23 maart 2017

Buiten discussie is dat op de pro forma zitting van 23 maart 2017 door [officier van justitie] geen aandacht is besteed aan de – door Van der Eijk aan [officier van justitie] kenbaar gemaakte – tekortkomingen in het proces‑verbaal van verhoor van [getuige 1] . Het betwiste proces‑verbaal is wel door het openbaar ministerie aan het voortgangsproces-verbaal gevoegd en daarmee formeel ook onderdeel gaan uitmaken van het totale strafdossier. Op die zittingsdag staat de voortzetting van de voorlopige hechtenis centraal van de verdachten [verdachte 4] , [verdachte 2] en [verdachte 1] . Bij deze gelegenheid heeft [officier van justitie] – blijkens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal – in het kort de stand van het onderzoek weergegeven. Mr. Kuijper heeft namens verdachte [verdachte 4] – net als de toenmalig raadsvrouw van verdachte [verdachte 2] , mr. Drummen, namens haar cliënt deed – de rechtbank verzocht de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen voor het horen van [getuige 1] . De rechtbank wijst deze verzoeken toe. Mr. Kuijper verzoekt ook om onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte [verdachte 4] vanwege zijn ontkenning van het ten laste gelegde feit en het ontbreken van voldoende ernstige bezwaren. Toenmalig raadsman van verdachte [verdachte 1] , mr. Balemans, verzoekt ook om opheffing van de voorlopige hechtenis van zijn cliënt, waarbij hij zijn verzoek grondt op een schending van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Tegen beide opheffingsverzoeken verzet de officier van justitie zich. Zij geeft in dit kader aan dat de ernstige bezwaren en gronden die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid ook thans nog onverkort bestaan. Afgaand op het zittingsproces-verbaal van

23 maart 2017 heeft [officier van justitie] de verklaring van [getuige 1] niet opgevoerd als een nieuwe bezwarende omstandigheid tegen de verdachten.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] nader beschouwd

6.1.

De passage ‘Naar later bleek abusievelijk niet opgenomen’

Met betrekking tot de opname in het proces-verbaal van verhoor van de passage: ‘Naar later bleek dat het het verhoor abusievelijk niet op geluid is opgenomen’, heeft [verbalisant 1] verklaard deze regel zelf te hebben getypt. Zij verklaart: ‘De volgende dag, na het gesprek in [plaats 1] , was ik op het bureau in [plaats 2] en kwam ik bij [teamleider] . Ik vroeg [teamleider] of hij mijn document had ontvangen. [teamleider] bevestigde dat hij mijn Word document had ontvangen. Hij vroeg mij toen of het gesprek wel was opgenomen. Ik zei hem dat dat niet was gedaan. Hij reageerde toen boos en zei dat dat wel had gemoeten, namelijk het gesprek had kennelijk opgenomen moeten worden maar dat was niet gebeurd. Daarom heb ik later in het proces-verbaal geschreven dat het verhoor niet is opgenomen. Abusievelijk had dus betrekking op het kennelijk verschil tussen [teamleider] en ons. Hij vond dus dat het opgenomen had moeten worden en wij waren van mening dat het niet hoefde. [verbalisant 2] heeft dat toen uitgelegd. Ik heb daar al over verklaard. Daar had abusievelijk betrekking op. Abusievelijk had geen betrekking op wel of niet indrukken van de opnameknop van de AVR’55.

6.2.

Het niet tekenen van de verklaring

Met betrekking tot de opgenomen tekst: ‘Nadat de getuige haar verklaring niet had doorgelezen, weigerde zij de verklaring te ondertekenen’, heeft [verbalisant 1] verklaard dat het klopt dat dit is geweigerd. Zij verklaart: ‘Ik heb de advocaat van [getuige 1] gebeld toen duidelijk werd dat er toch een proces-verbaal moest worden opgemaakt en hem gevraagd of zijn cliënt wilde komen en tekenen. Ik kreeg als antwoord: ‘Wat denk jezelf, natuurlijk gaat ze dat niet ondertekenen’56, welke mededeling achteraf wordt bevestigd door Van der Eijk.57 [verbalisant 1] geeft toe dat ze beter in het proces-verbaal van verhoor had kunnen zetten dat tijdens het telefonisch contact met de advocaat van [getuige 1] , hij stellig meedeelde dat zijn cliënt niet zou tekenen.58

6.3.

De datum en plaats van het opmaken van het proces-verbaal

Met betrekking tot de sluitingsdatum en plaats van het opmaken van het proces-verbaal (op 30 januari 2017 te [plaats 1] ) verklaart [verbalisant 1] het volgende: ‘Zij heeft het proces-verbaal in Summ‑IT opgemaakt. Dit had zij al opgemaakt voor het verhoor van [getuige 1] van

30 januari 2017. Zij had toen de ‘kop en kont’ van het proces-verbaal al ingevuld en in het tekstvak de vragen al staan. Als het verhoor normaal was doorgegaan hoefde zij er alleen nog de antwoorden van [getuige 1] onder te typen. Toen ze de opdracht kreeg om van het gespreksverslag alsnog een proces-verbaal van verhoor op te maken, heeft ze het al in Summ-IT voorbereide verhoor opgeroepen en daar het in Word opgemaakte tekstverslag in gekopieerd en geplakt op de plaats waar zij de vragen had staan’59.

Voorts verklaart [verbalisant 1] dat zij de onjuiste vermelding van de datum en plaats van het opmaken van het proces-verbaal pas zag bij het verhoor bij de rechter-commissaris. Dit had ‘ [plaats 2] ’ moeten zijn en ergens in februari 2017. Zij zegt dit niet goed te hebben doorgelezen. Het kwam doordat ze de ‘kop en kont’ (het hof begrijpt: de lay-out) al gemaakt had en ze had daar verder niet meer naar gekeken. Zij heeft dit niet bewust zo neergezet. Het was wel haar fout maar ze heeft nooit de bedoeling gehad om de boel te saboteren. Het is absoluut niet opzettelijk gebeurd, aldus [verbalisant 1] .60

6.4.

De beweerdelijke onbetrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1]

Twee aspecten zijn in dit verband van belang. Het eerste aspect is of de inhoud van de weergegeven verklaring van [getuige 1] een adequate weergave is van wat zij heeft verklaard. Het tweede aspect is of de inhoud van de verklaring van [getuige 1] op voorhand als evident onjuist of onbetrouwbaar is aan te merken.

Van der Eijk heeft zich niet willen uitlaten over de vraag of de inhoud van de verklaring een getrouwe weergave vormt van wat [getuige 1] heeft verklaard. Zowel bij de Rijksrecherche,61 als bij zijn verhoor ter zitting van het hof heeft hij – hiernaar gevraagd – zich beroepen op zijn verschoningsrecht. Gezien de uitgebreide en gedetailleerde opsomming van de gebreken in en aan (de verslaglegging van) het verhoor, houdt het hof het ervoor dat wanneer op dit punt tekortkomingen zouden zijn aan te wijzen, Van der Eijk vermoedelijk niet had geschroomd om deze in zijn e-mails aan [officier van justitie] te benoemen.

Wat de bedenkingen over de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring van [getuige 1] betreft, bij de politieleden van de VKL lijken deze vooral te zijn gebaseerd geweest op de inhoud van tapgesprekken waarbij [verdachte 2] de man was die getapt werd. Het gaat hierbij om de TELIO‑gesprekken. [getuige 1] – zo bleek daaruit – kon haar informatie niet van [verdachte 2] hebben gekregen, afgaand op de inhoud van de gesprekken waarin zij met [verdachte 2] ‘over de tap kwam’. Zoals [getuige 1] echter zelf heeft verklaard in een hierboven niet opgenomen eerste gedeelte van haar verhoor (dat zag op de Haagse ripdeal), zou [verdachte 2] de beschikking hebben gehad over een illegaal communicatiemiddel, namelijk een mobiele telefoon in de cel. Dat [verdachte 2] in detentie heeft beschikt over een eigen mobiele telefoon blijkt uit een op 1 december 2016 afgeluisterd gesprek tijdens een bezoekuur. [verdachte 2] spreekt daar over een telefoon die hij in een lichaamsholte heeft of had verstopt.62 De mogelijkheid dat [getuige 1] buiten de TELIO-gesprekken om informatie heeft ontvangen uit gesprekken met [verdachte 2] via een dergelijk illegaal communicatiemiddel, acht het hof daarom zeer wel denkbaar. Uit het strafdossier blijkt voorts niet dat het onderzoeksteam de mogelijkheid van het bezit van een illegale mobiele telefoon door [verdachte 2] heeft betrokken bij zijn waardering van de inhoud van de verklaring van [getuige 1] .

Het is het hof overigens opgevallen dat tijdens het verhoor van [getuige 1] bij de rechter‑commissaris de getuige op deze beide aspecten door geen van de aanwezige procesdeelnemers grondig is bevraagd, terwijl [getuige 1] daar heeft verklaard dat niet alles wat in haar schriftelijk weergegeven verklaring staat zo door haar is gezegd. Er zijn bijvoorbeeld geen vragen gesteld over de bron van wetenschap van [getuige 1] .

7 Correctie op enkele gevolgtrekkingen

Mr. Kuijper heeft verzocht om voor een samenvatting van de feiten te mogen verwijzen naar haar pleidooi in eerste aanleg onder de nummers 6 tot en met 32 en deze als in hoger beroep herhaald en ingelast te mogen beschouwen. Het hof heeft dit verzoek toegewezen.

Het hof ziet aanleiding tot het plaatsen van enkele kanttekeningen bij haar aan haar verweer ten grondslag gelegde feiten, te beginnen met sommige onderdelen van voornoemde samenvatting in het pleidooi in eerste aanleg.

De verdediging stelt dat het nooit de bedoeling was dat van [getuige 1] een voor het bewijs van belang zijnde verklaring zou worden afgenomen. Voor deze stelling bevatten de processtukken geen steun. Uit de verklaringen van bij het verhoor betrokken functionarissen – afgelegd zowel bij de rechter‑commissaris als later in het onderzoek van de Rijksrecherche – blijkt dat dit nu juist wél de bedoeling was, alleen met het bijkomend oogmerk dat het verhoor voor de nodige ruis zou gaan zorgen. Deze stelling faalt ook al als men het verhoor van [getuige 1] buurvrouw [getuige 2] erbij betrekt. Ook zij maakte deel uit van de dezelfde ruisstrategie en van haar is in de ochtend van 30 januari 2017 een regulier geverbaliseerd verhoor afgenomen.63 Deze verklaring omvat 8 pagina’s en is in vraag en antwoord-vorm opgemaakt. Niet valt in te zien waarom een regulier verhoor van [getuige 1] dan aanvankelijk niet aan de orde zou zijn geweest.

Ook de vaststelling van de verdediging dat [getuige 1] in die periode voorafgaand aan haar verhoor op 30 januari 2017 al onder de tap stond en de vaststelling dat de politie van te voren daarom al wist wat zij zou gaan verklaren, is in hoger beroep feitelijk onjuist gebleken. In map 8 van het BOB-dossier blijkt uit de desbetreffende processen-verbaal aanvraag en bevel opnemen (tele)communicatie dat er op 30 januari 2017 mondelinge verzoeken daartoe zijn gedaan door de officier van justitie en dat ook pas op die dag de desbetreffende machtigingen zijn verleend.64 De ingangsdatum van de tap was dus 30 januari 2017 en wat er door [getuige 1] zou gaan worden verklaard kon om die reden nog niet op voorhand bekend zijn.

Voorts ligt aan de beslissing van de teamleiding om de inhoud van de verklaring van [getuige 1] niet meteen te delen met het team niet – zoals door de verdediging ook in eerste aanleg is betoogd – ten grondslag dat de verhorende verbalisanten en de teamleider wisten dat haar verklaring ‘aan alle kanten rammelde’ en dat zij het team kennelijk niet wilde ‘bevuilen’ met informatie die niet klopte. Uit het verhoor van [teamleider] blijkt onverkort dat de mogelijke gevaarzetting ten aanzien van [getuige 1] de reden was om het verhoor niet meteen in Summ-IT te verwerken, maar eerst in een Word document op te nemen. De veiligheid van [getuige 1] is in de ochtend van haar verhoor in de VKL besproken. De vader van [getuige 1] had aangegeven dat er signalen waren voor het bestaan van een dreigende situatie voor zijn dochter. Voor deze werkwijze is gekozen op voorspraak van de adviserende TCI‑officier van justitie mr. Wildeman. Men beoogde op deze manier de informatie die [getuige 1] zou geven even te ‘parkeren’ om zo de gelegenheid te hebben om de inhoud van de verklaring van [getuige 1] eerst op waarde te schatten.

De vaststelling dat het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] één dag voor de pro forma zitting van 23 maart 2017 onder de raadslieden zou zijn verspreid klopt evenmin. Het voortgangsproces-verbaal dat is gesloten op 1 maart 2017 en waarvan de verklaring van [getuige 1] deel uitmaakt, is op 2 maart 2017 in afschrift aan de rechtbank en de raadslieden gezonden.

Ook is de stelling onjuist dat [officier van justitie] , zoals de verdediging stelt, nimmer opdracht heeft gegeven tot een vervolgverhoor van [getuige 1] als getuige. In de e-mail – hiervoor genoemd onder 5.7. – van [officier van justitie] aan [teamleider] , waarvan mag worden aangenomen dat deze op

23 februari 2017 is verzonden, wordt dat vervolgverhoor immers al besproken. [officier van justitie] tekent daarbij aan dat zij wil voorkomen dat op de zitting (het hof begrijpt: de komende pro forma zitting van 23 maart 2017) bij de stukken alleen de eerste verklaring van [getuige 1] zit ‘terwijl jullie nog wel kritische vragen hebben’65. Dat dit vervolgverhoor van [getuige 1] niet heeft plaatsgevonden vóór laatstgenoemde datum, kwam doordat [getuige 1] op advies van haar advocaat daar niet meer aan wilde meewerken.66 Ná 23 maart 2017 was een dergelijk politieverhoor van de baan omdat (op verzoek van de verdediging) door de rechtbank het verhoor van [getuige 1] werd opgedragen aan de rechter-commissaris. Ook mr. Kuijper zelf was mordicus tegen een politieverhoor, getuige haar brief van 23 maart 2017,67 waarin zij de officier van justitie laat weten dat een politieverhoor in afwezigheid van de verdediging in strijd is met de beslissing van de rechtbank en dat daarmee het recht van haar cliënt op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort zou worden gedaan.

Voorts valt ook niet met de door het hof vastgestelde feiten te rijmen dat het verzet tegen het horen van [getuige 1] van [officier van justitie] op de zitting van 23 maart 2017 was ingegeven door de gedachte op deze wijze te kunnen voorkomen dat er door de verdediging kritische vragen zouden worden gesteld over de rol van [officier van justitie] bij het inbrengen van de verklaring van [getuige 1] in het strafproces.

In de tekst van de op schrift gestelde zittingsaantekeningen van [officier van justitie] – die zij beschikbaar heeft gesteld aan de Rijksrecherche en waarvan zij zegt dat ze de tekst (behoudens aangegeven doorhalingen) ter zitting van 23 maart 2017 heeft voorgelezen – staat het navolgende opgenomen:

‘Mevrouw [getuige 1] moet ook nog nader gehoord worden door de politie en ik vind het wenselijk dat eerst dat nadere politieverhoor plaatsvindt. Dit, omdat in deze fase van het onderzoek de politie beter in staat is om zo nodig relevante onderzoeksgegevens in het verhoor mee te nemen. Mogelijk dat dat ook vragen van de verdediging wegneemt’.

Vervolgens is er met de hand in een (niet al te duidelijk handschrift) bijgeschreven:

‘Proceseconomischer (is handiger, kan op ook op veel korte (opmerking hof: kortere?) termijn wordt (opmerking hof: worden?) geregeld, dan verhoor bij RC waarbij met diverse agenda’s rekening moet worden (opmerking hof: ge?)houden’

En dan vervolgt de op schrift gestelde tekst als volgt:

‘Daarom wil ik verzoeken het verzoek van de advocate nu af te wijzen. Als nav het eindpv het verzoek blijft staan, dan kan dat in de regiezitting opnieuw worden besproken’68.

In het van de zitting opgemaakte proces-verbaal staat opgenomen:

‘De officier van justitie verzet zich tegen het horen door de rechter-commissaris van [getuige 1] in dit stadium van het onderzoek (cursivering door het hof)’.69

Uit vorenstaande passages komt naar het oordeel van het hof niet naar voren dat de officier ter behartiging van enig persoonlijk belang zich op de zitting heeft verzet tegen horen van [getuige 1] door de rechter-commissaris. In haar beleving – zo blijkt – was een politieverhoor efficiënter en op veel kortere termijn realiseerbaar en wellicht ook minder belastend voor [getuige 1] .

8 De toetsing van de feiten aan de juridische beoordelingskaders

8.1.

Onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv

Op basis van de hiervoor door het hof vastgestelde feiten komt het hof tot het oordeel dat met betrekking tot het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] sprake is van de volgende vormverzuimen:

  • -

    ingevolge de ten tijde van het horen van [getuige 1] geldende Aanwijzing is het verhoor ten onrechte niet auditief geregistreerd;

  • -

    voorts staat ten onrechte in het proces-verbaal de passage opgenomen: ‘Nadat de getuige haar verklaring niet had doorgelezen, weigerde zij de verklaring te ondertekenen’; en

  • -

    ten slotte staat in het proces-verbaal een onjuiste sluitingsdatum en plaats van ondertekening vermeld.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het niet opnemen van het verhoor van [getuige 1] een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek oplevert en dat de overige vormverzuimen zijn hersteld, dan wel verduidelijkt dan wel opgehelderd door de verhoren van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [teamleider] .

Met name [verbalisant 1] is als getuige door de Rijksrecherche op de betwiste punten uitvoerig gehoord en heeft op geloofwaardige wijze uiteengezet hoe de vormverzuimen tot stand zijn gekomen. Gelet op deze verklaring stelt het hof vast dat voormeld proces-verbaal op

23 februari 2017 te [plaats 2] is gesloten en door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is ondertekend. Daarmee is dit vormverzuim hersteld.

Op basis van de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] is eveneens duidelijk geworden dat de verklaring van [getuige 1] op 30 januari 2017 niet door [getuige 1] is doorgelezen en dat zij op dat moment niet heeft geweigerd om haar verklaring te ondertekenen. Door de verkregen helderheid over de gang van zaken is het hof van oordeel dat ook dit vormverzuim is hersteld.

Eveneens is door de verklaring van [verbalisant 1] duidelijk geworden hoe het gewraakte woord ‘abusievelijk’ in het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] is terechtgekomen. Het hof acht de verklaring van [verbalisant 1] op dit punt aannemelijk en toereikend. Nu dit punt is opgehelderd, kan worden vastgesteld dat ook dit verzuim is hersteld.

Ten aanzien van het niet auditief registreren van het verhoor van [getuige 1] is het hof als gezegd wel van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van het eerste lid van artikel 359a Sv. Het belang van auditieve (en audiovisuele) registratie is blijkens de paragraaf "Achtergrond" van eerder genoemde Aanwijzing onder meer gelegen in de toetsbaarheid van de verhoren in een latere fase van het strafproces. Gelet op het belang dat dit geschonden voorschrift dient is het hof van oordeel dat schending van de in de Aanwijzing opgenomen norm in beginsel een ernstig vormverzuim oplevert.

8.2.

Geen sprake van misleiding

Misleiding van de rechter kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – tegen de met de teamleiding gemaakte afspraak en in strijd met eerder genoemde Aanwijzing – om wat voor reden dan ook hebben besloten af te zien van het maken van een geluidsopname van het verhoor van [getuige 1] . Dat was hun beslissing. Deze beslissing was fout, maar aan deze beslissing kan geen misleidend motief ten grondslag worden gelegd, zoals blijkt uit hun verhoren bij de rechter-commissaris en in het kader van het Rijksrechercheonderzoek.

De communicatie tussen de teamleiding en het verhoorkoppel [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft misschien niet uitgeblonken door helderheid, maar ook hierin kan geen enkel element van misleiding worden ontdekt. Dit blijkt eveneens niet uit de verhoren van de direct betrokkenen.

Hetzelfde geldt voor de hiervoor onder 6.1. t/m 6.3. gesignaleerde tekortkomingen in het door [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid verdienen de geconstateerde gebreken zeker geen schoonheidsprijs. [verbalisant 1] komt bij haar verhoor daarentegen met een plausibele verklaring waaruit – en dat is hier van belang – niets blijkt van kwade intenties van haar kant. Dat ook andere politiefunctionarissen onvoldoende alert zijn geweest bij het controleren van het proces-verbaal, valt ook te betreuren maar getuigt evenmin van kwade motieven.

[officier van justitie] heeft – in de visie van de verdediging – een uitgesproken dubieuze rol vervuld. Zij is degene die de opdracht heeft gegeven dat het gespreksverslag toegevoegd moest worden aan het voortgangsproces-verbaal, wetende dat het politieteam bedenkingen had over de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring van [getuige 1] .

In het verlengde daarvan heeft zij verzuimd om, tijdens de pro forma zitting van 23 maart 2017 met betrekking tot het aan het dossier gevoegde proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , aandacht te besteden aan de bij het onderzoeksteam levende bedenkingen. Voorts heeft zij tijdens deze zitting geen aandacht besteed aan een aantal gesignaleerde tekortkomingen in het proces-verbaal, van welke tekortkomingen zij de dag voor de zitting door Van der Eijk per e-mail op de hoogte is gesteld.


Het hof acht de keuze van [officier van justitie] tot voeging van de verklaring aan het strafdossier uit het oogpunt van de aan een eerlijk strafproces te stellen eisen, legitiem en aangewezen, zeker wanneer hierbij de in artikel 152 Sv verwoorde verbaliseringsplicht wordt betrokken, die geldt voor alle ambtenaren die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast.

Nu in deze zaak aan het bestaan van zogenoemde ‘koetjes en kalfjes’-processen-verbaal wordt gerefereerd – een optie die door [officier van justitie] resoluut van de hand is gewezen – acht het hof het niet misplaatst onderstaande rechtsoverweging van de Hoge Raad in herinnering te roepen:

‘Het staat de in die bepaling (Hof: artikel 152 Sv) genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.

Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat gedeelte van het opsporingsonderzoek.

Belangen van derden en/of van het opsporingsonderzoek vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten. Aan die belangen kan immers door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in dat proces-verbaal worden gerelateerd voldoende worden tegemoetgekomen’70.

Wat de voeging van het proces-verbaal aan het strafdossier betreft, luidt het geldend recht dat in het dossier alle stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin moeten worden gevoegd en dat kennisneming van de processtukken niet aan de verdachte en zijn raadsman of raadsvrouw kan en mag worden onthouden.71 Tegen deze achtergrond acht het hof – nu de verklaring van [getuige 1] evident belastende maar deels ook ontlastende informatie bevat – de voeging te meer legitiem en aangewezen.

Over het juiste tijdstip van voeging van processtukken in het strafdossier, waarbij de verdediging oppert dat [officier van justitie] nog wel even had kunnen wachten met het inbrengen van het proces-verbaal van verhoor, valt te twisten. In de regel zal het juiste tijdstip van voeging bij de eerste zich daarvoor aandienende gelegenheid zijn. Dit teneinde de verdediging in staat te stellen haar controlerende taak ten opzichte van het optreden van de politie en het openbaar ministerie uit te kunnen oefenen. Een afwachtende houding bij het voegen van stukken wordt doorgaans niet beloond, getuige de opmerking van mr. Kuijper tijdens de pro forma zitting van 23 maart 2017, dat de verdediging slechts mondjesmaat informatie kreeg van het openbaar ministerie. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] was – aldus de raadsvrouw – al anderhalve maand oud. Indien dit proces-verbaal eerder beschikbaar was geweest, had de raadsvrouw er eerder op kunnen reageren en had zij de rechter‑commissaris kunnen vragen om de getuige nader in haar aanwezigheid te horen.72 Zij heeft daarbij vastgesteld dat deze gang van zaken niet in het belang is van haar cliënt.

Het is vervolgens de vraag of de officier van justitie door geen acht te slaan op – wat door de advocaat-generaal genoemd wordt – het verschaffen van ‘contextinformatie’ over de aan haar bekende aan het verhoor klevende gebreken, moedwillig getracht heeft om de controlerende taak van de rechter te dwarsbomen. Ofschoon – zeker achteraf en dan vooral met de kennis van nu – vermelding van de tekortkomingen in het proces-verbaal welkom was geweest en veel ellende had voorkomen, kan niet met vrucht worden betoogd dat hier sprake is geweest van misleiding van de rechter. Het voornaamste tegenargument is dat [officier van justitie] bij de veelbesproken zitting van 23 maart 2017 zelf heeft opgemerkt dat [getuige 1] nog nader gehoord moest worden door de politie. Een dergelijke mededeling is voor elke procesdeelnemer – en ook de rechter – een teken dat het voorliggende verhoor kennelijk niet compleet of ‘af’ is. [officier van justitie] heeft ook uitgelegd waarom zij een nader verhoor door de politie ‘in deze fase van het onderzoek’ verkoos boven een verhoor bij de rechter-commissaris, zoals blijkt uit wat hiervoor is opgenomen uit haar zittingsaantekeningen. Men kon zo tijdswinst boeken en zo’n verhoor zou wellicht vragen wegnemen van de verdediging. Mocht bij het gereedkomen van het eindproces‑verbaal het verzoek van de verdediging om een nader verhoor blijven staan, dan zou dat op de regiezitting onderwerp van gesprek kunnen zijn. Ook hier luidt het oordeel van het hof dat misleidende motieven niet aannemelijk zijn geworden.

Ook op het functioneren van Kappeyne van de Coppello is kritiek uitgeoefend. In essentie wordt hem door de verdediging kwalijk genomen dat hij zich in de kwestie [getuige 1] laakbaar op de achtergrond heeft gehouden en dat hij meer bleek te hebben geweten dan hij voorwendt. Ter adstructie wordt een aantal telefoongesprekken en e-mails tussen hem en Van der Eijk naar voren gehaald waar dit uit zou moeten blijken. Vanwege het grote aantal meningen, indrukken en gissingen van met name Van der Eijk die vervolgens door de verdediging worden gepresenteerd als feiten voor het betoogde gelijk, acht het hof zich niet geroepen hierop in te gaan.

Er is één aspect dat ziet op het eventueel te lijdelijke handelen van Kappeyne van de Coppello, waar het hof wel aandacht aan wil besteden. Bij de eerste VKL die hij als nieuwe zaaksofficier van justitie bijwoont – namelijk op 30 maart 2017 – is de situatie aldus dat de rechtbank een week eerder heeft besloten dat [getuige 1] door de rechter-commissaris als getuige moet worden gehoord. De eerste actie die Kappeyne van de Coppello onderneemt is het opleggen van een contactverbod tussen de leden van het opsporingsteam en Van der Eijk om beïnvloeding, ook van [getuige 1] , te voorkomen. Er mochten tevens geen aanvullende processen-verbaal worden opgemaakt, omdat er op dat moment niets te herstellen viel vanwege het op bevel van de rechtbank en onder verantwoordelijkheid van de rechter‑commissaris te verrichten onderzoek naar de gang van zaken rond het proces‑verbaal van [getuige 1] .

In een e-mail gericht aan Van der Eijk73 houdt Kappeyne van de Coppello overleg met Van der Eijk en [getuige 1] af met als reden dat [getuige 1] in opdracht van de rechtbank als getuige zal worden gehoord door de rechter-commissaris en hij elke schijn van beïnvloeding van de getuige wil voorkomen. Dit in het belang van het strafrechtelijke onderzoek, aldus de nieuwe zaaksofficier. Deze opstelling oogt wellicht te lijdelijk in de visie van de verdediging, maar getuigt naar het oordeel van het hof van rechtsstatelijkheid. Als de rechter‑commissaris in opdracht van de rechtbank aan het werk is, is een dergelijke distantie gepast. Zo liggen naar geldend recht de strafvorderlijke verhoudingen tussen openbaar ministerie en rechter. Dat is naar het oordeel van het hof geen kwestie van – zoals de verdediging stelt – het door de officier van justitie schoonvegen van zijn eigen straatje.

Het hof heeft ook overigens in alle door de verdediging aangevoerde gronden geen sporen aangetroffen van een doelbewust op het verkeerde been zetten van de rechter of van enig procesdeelnemer, noch van pogingen daartoe. Ook van het uitoefenen van oneigenlijke druk tijdens het horen van verdachten en getuigen is het hof niets gebleken.

8.3.

Strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid of enkele vaststelling

Thans dient het hof de vraag te beantwoorden of het geconstateerde vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het hof heeft – gezien al hetgeen hiervoor is overwogen – in het strafdossier geen aanknopingspunten aangetroffen voor een dergelijk oordeel. Ook van een misleiding door het openbaar ministerie van de rechter in zijn controlerende taak of het ondernemen van pogingen daartoe, is het hof niets gebleken.

Het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging als passend rechtsgevolg op het geconstateerde vormverzuim wordt verworpen.

Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Ook bewijsuitsluiting of strafvermindering als passend rechtsgevolg acht het hof niet aan de orde. Verdachten zijn niet daadwerkelijk in de verdediging geschaad, waardoor van ondervonden nadeel niet kan worden gesproken.

Immers, [getuige 1] is op 21 juni 2017 als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Daarbij was de toenmalige raadsman van de verdachte en de (toenmalige) raadslieden van de medeverdachten [verdachte 4] en [verdachte 2] aanwezig. De verdediging is op deze wijze adequaat in de gelegenheid gesteld om de door [getuige 1] op 30 januari 2017 afgelegde verklaring op de inhoud te toetsen. Het hof merkt hierbij op dat de verdediging van die gelegenheid vrijwel geen gebruik heeft gemaakt, nu niet of nauwelijks vragen over de inhoud van de verklaring, bijvoorbeeld over de bron van wetenschap, zijn gesteld, hoewel [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat niet alles wat in haar verklaring staat zo door haar is gezegd. Het hof ziet daarom geen aanleiding om één van de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden aan het geconstateerde onherstelbare vormverzuim en volstaat met het oordeel dat met het niet auditief registreren van het verhoor van [getuige 1] op 30 januari 2017 een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek is begaan in de zin van de wet.

Bewijsmiddelen

Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen als getuige van [benadeelde 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] wordt verwezen naar de bewijsoverwegingen verderop in dit arrest.

1. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 juni 2016 (pagina 1277 e.v. van het procesdossier TGO Gees met nummer 2016187904), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde 1]:

Vanmorgen 30 juni 2016 werd ik wakker in mijn woning aan [straat] [huisnummer] te Gees. Ik loop naar de slaapkamer van [slachtoffer] . Ik zie dat [slachtoffer] naast het bed op de grond zit of ligt. Hij is aan het vechten met twee personen. Ik zie dat [slachtoffer] is vastgebonden met snoeren. Toen ik de slaapkamer binnenkwam, richtte een van deze twee mannen een pistool op mij. Ik zag dat [slachtoffer] gezicht opgezwollen was, zijn ogen. Hij was al erg toegetakeld. Alles was kapot. Ik kreeg dus het pistool op mij gericht en toen kwam een derde persoon op mij afgelopen. Hij pakte mij vast en ik moest van hem naar beneden. Hij zei: “Jullie hebben drie kluizen”. Ik ben naar beneden gegaan met die man. De man heeft alles uit beide kluizen gehaald. Geld, juwelen en een envelop. Er zat ook een envelop in. Deze heeft hij opengescheurd. Hij heeft alles in een tas gedaan. Toen moest ik weer naar boven. Ik ben toen ook vastgebonden in de badkamer.

Ik moest op mijn buik liggen. Ik werd vastgebonden met een riem en met nog wat anders. Mijn armen en voeten werden vastgebonden. Hij vroeg om biljetten van 50 euro. Toen ik in de badkamer lag vastgebonden, hoorde ik dat er gezegd werd: “Jimmy, kom we moeten gaan. We moeten nu gaan”. Toen ik even niets meer hoorde, heb ik mezelf los kunnen maken. Ik ben meteen naar [slachtoffer] gelopen. Hij lag op de overloop. Ik ben naar beneden gegaan en heb 112 gebeld. Toen ik boven kwam zag ik dat [slachtoffer] niet meer leefde.

Er waren twee jongens, mannen bij [slachtoffer] . De man die het pistool op mij richtte, zat op zijn knieën bij [slachtoffer] . De jongen die met mij meeliep heeft de ring van mijn hand en een ketting van mijn hals getrokken. Hij heeft mij ook vastgebonden. Ik ben in de badkamer vastgebonden met een riem. Ze hebben ook nog een snoer om mijn buik gedaan. Ik mis sleutels en mogelijk de portemonnee van [slachtoffer] . Ze hebben een envelop opengescheurd en toen in de tas gedaan. Mijn horloge, oorbellen en andere sieraden zijn weggenomen. Ze vroegen: “Waar is het geld van de bungalows”. Ik zei dat al het geld in de kluis lag. Toen vroeg hij nog naar de 50 euro biljetten.

De derde persoon die met mij liep had een muts op. Een bruine.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2016 (pagina 120 e.v. van het procesdossier TGO Gees met nummer 2016187904), voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 3]:

Op 30 juni 2016, omstreeks 05:21 uur, kregen [verbalisant 4] en ik de melding vanuit het Operationeel Centrum te Drachten om te gaan naar [straat] [huisnummer] te Gees. Ik verbalisant hoorde van de centralist dat de bewoners aldaar waren overvallen.

3. de verklaring van [benadeelde 1], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 13 juni 2019, voor zover inhoudende:

De deur van mijn slaapkamer was dicht en de deur van de slaapkamer van [slachtoffer] was ook dicht. Ik doe de deur van de slaapkamer van [slachtoffer] open en ik stap naar binnen.

[slachtoffer] lag op dat moment op zijn knieën voor het bed. Hij had zijn handen voor zich gebonden. Ik zag dat hij een snoer om zijn nek had. Eén van de mannen hield het snoer vast dat om zijn nek zat. Op dat moment kwam diegene die het snoer vasthield tevoorschijn en richtte het pistool op mij.

Op dat moment deed ik een stapje terug richting de badkamer, waardoor ik gedeeltelijk achter het muurtje stond. Direct erna ging de deur verder open en pakte iemand mij bij mijn schouder. Deze persoon kwam uit de kamer van [slachtoffer] ja. Deze persoon is meegegaan naar beneden.

De eerste persoon zag ik toen ik binnenkwam in de slaapkamer van [slachtoffer] . Hij zat bij [slachtoffer] en richtte een pistool op mij.

De tweede persoon is de persoon die met mij naar beneden is gegaan.

De derde persoon zag ik op het moment dat ik weer boven kwam. Hij vroeg mij om nogmaals naar beneden te gaan, waarop bleek dat dat niet hoefde.

4. het deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, met zaaknummer 2016.06.30.054, d.d. 4 november 2016, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige (pagina 439 e.v. van het forensisch dossier TGO Gees), voor zover inhoudende als haar verklaring:

Overledene

Datum sectie: 1 juli 2016

Naam: [slachtoffer]

De bovengenoemde persoon is overleden te [straat] [huisnummer] in Gees op 30 juni 2016 omstreeks 05.37 uur.

[weergave gedeelte bewijsmiddel]

Interpretatie van resultaten

De letsels aan het hoofd, de romp en de ledematen (sub A4, B1), en de bij radiologisch onderzoek vastgestelde breuken (sub A1) zijn bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld (ter plaatse van de huidverscheuringen), zoals bij (zich) stoten, slaan (al dan niet met een voorwerp), tegen structuren aankomen, (samen)drukkend geweld al dan niet in combinatie met vallen kunnen worden opgeleverd. De breuken aan de rechteroogkas, de neus en de borstkas beiderzijds duiden erop dat de geweldsinwerking op het lichaam heftig is geweest. (Cursivering hof)

In relatie met het bovenstaand stomp botsend geweld is verscheuring van de miltader en de milt ontstaan met 1 liter bloed in de buikholte. Tevens was er in relatie met de breuken aan het hoofd eveneens bloedverlies ontstaan. De bevindingen sub A9 en B7 passen bij fors bloedverlies. Tevens kan er beperking van de ademhalingsbewegingen zijn geweest door pijn als gevolg van de ribbreuken. Het overlijden wordt verklaard als gevolg van algehele weefselschade door fors bloedverlies, al dan niet in combinatie met longfunctiestoornissen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld aan het hoofd en de romp.

De ribbreuk sub B2 kan eveneens door bovenstaand geweld zijn veroorzaakt, maar kan ook zijn veroorzaakt door reanimatiehandelingen, indien deze nog zijn uitgevoerd.

De letsels sub A6 kunnen zowel door bovenstaand stomp botsende geweldsinwerking zijn veroorzaakt en/of door samendrukkend geweld zoals bijvoorbeeld door het samenbinden/samendrukken van de armen. De letsels aan de mond sub A8 en A4 zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld zoals bij (zich) stoten (slaan, vallen, tegen structuren aankomen) en/of door (samen)drukkend geweld. Indien dit geweld gepaard is gegaan met blokkade van de luchtwegen dan kan dit een bijdrage aan het overlijden in de zin van verstikking (door smoren) hebben geleverd. De stipvormige rode verkleuringen sub A2 kunnen in het kader van eventuele verstikking ontstaan, echter ook andere doodsoorzaken, kunnen deze verkleuringen geven.

De letsels sub A5 zijn waarschijnlijk bij leven ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendige scherprandig klievend, snijdend geweld. Ze zijn niet van betekenis geweest voor het intreden van de dood.

De letsels aan het hoofd, de borstkas en de armen zijn met forensisch licht nader in kaart gebracht, waarbij aan de borstkas rechts voor een rode huidverkleuring met een hoekig patroon werd gezien (gefotografeerd onder M), hoog aan de neus (gefotografeerd onder C) en in de nek (sub A7) een streepvormig patroon en aan het voorhoofd rechts en zijwaarts aan de rechteronderarm 2 ronde tot ovale verkleuringen van circa 2 x 2 cm met plaatselijk oppervlakkige huidbeschadiging (gefotografeerd onder A en J).

Ten aanzien van de bevinding aan de rug (sub A7) wordt opgemerkt dat deze aanvankelijk als postmortale verandering werd geïnterpreteerd, echter op basis van letseldateringsonderzoek bleek toch sprake van een letsel die bij leven was ontstaan.

De bevindingen sub B6 kunnen zijn ontstaan als verwikkelingen van het bovenstaand stomp botsend geweld. Ter evaluatie van eventuele letsels aan de hersenen in detail werd neuropathologisch onderzoek verricht, waarbij traumatische schade aan de hersenen is vastgesteld. Deze traumatische hersenschade heeft waarschijnlijk geen substantiële bijdrage geleverd aan het overlijden.

Om ten aanzien van de toedracht meer inzicht te krijgen in een mogelijk volgorde in het ontstaan en/of ouderdom van de letsels, is letseldatering verricht sub C2. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat mogelijk meerdere impacts zijn geweest op eenzelfde locatie (zoals de onderarmen). Dit kan het letseldateringsonderzoek beïnvloedden. Met de ouderdom van het letsel wordt de tijdsperiode bedoeld tussen het ontstaan van het letsel en het intreden van de dood.

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , 69 jaren oud geworden, wordt het overlijden verklaard als gevolg van algehele weefselschade door fors bloedverlies, al dan niet in combinatie met longfunctiestoornissen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld, aan het hoofd en de romp.

5. de verklaring van [verdachte 3], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 25 juni 2019, voor zover inhoudende:

[verdachte 1] was betrokken bij de ten laste gelegde woningoverval in Gees. We zijn op het balkon geklommen. [verdachte 1] , [verdachte 2] en ik stonden alle drie op het balkon voordat we naar binnen gingen. [slachtoffer] sliep nog toen wij binnenkwamen.

Het was mijn taak dat, wanneer er een tweede persoon vrij rondliep in het huis, dat ik dan met [benadeelde 1] de kluis open zou gaan maken.

Ik had een soort skimuts of bivakmuts op: een muts die je ook wel onder een motorhelm draagt. Alleen je ogen en de bovenkant van je neus zijn dan zichtbaar. Ik heb deze muts opgedaan voordat we naar binnen gingen. Ik heb deze muts de hele tijd op gehad. De muts was bruin.

Ik zat met [verdachte 1] en [verdachte 2] in de auto. Na de overval heb ik de auto naar België gereden. Het was een zwarte Volkswagen Golf 5.

Ik wist dat we een inbraak gingen plegen. Tussen ons drieën is besproken dat het altijd kan zijn dat er mensen thuis zouden zijn. Er was een taakverdeling. Ik moest de kluis open maken en ik heb dat ook gedaan. Het was gewoon een feit dat er kluizen zouden zijn daar. Wat betreft de hoeveelheid geld ging het wel iets goeds zijn: een goede buit. Er zou veel geld zijn. In de auto is de taakverdeling gemaakt. Ik moest voor een tweede persoon in de woning kijken. Er is in de auto niet gesproken over het vuurwapen, maar het vuurwapen was er. Dat wist ik. [verdachte 2] had het vuurwapen. In de auto lagen denk ik een paar tassen en een rol duct tape. Ik heb de rol duct tape meegenomen. Ik heb de rol duct tape mee naar binnen genomen. Dit om iemand mee vast te binden.

Het was ons gezegd dat er drie kluizen waren.

Ik droeg handschoenen. [verdachte 1] en [verdachte 2] droegen ook handschoenen. Voordat we naar binnen gingen deden we deze aan.

Op de heenweg hebben we in de auto besproken dat het ging om een inbraak en dat er rekening gehouden werd met de kans dat er iemand thuis was. We hadden geen wapen meegenomen als het puur om een inbraak ging. We hebben rekening gehouden met de kans dat er iemand thuis was. Op het moment dat we zagen dat de balkondeuren open stonden, leek het wel of er misschien iemand thuis was. Ik ben door [verdachte 1] of [verdachte 2] benaderd.

Mijn taak was het om de vrouw vast te binden. De andere twee moesten de man vastbinden en verder zoeken naar geld of iets dergelijks.

Ik heb een deel van de buit gekregen. Het ging om een paar duizend euro, twee of drie duizend. Iedereen ontving evenveel. Het is verdeeld in de wagen. Ik ben gelijk doorgereden naar België. We hebben met ons drieën het geld geteld.

De auto is in Hemiksen, vlakbij Antwerpen in brand gestoken, toen ik al vast zat. Een vriend van mij heeft dit gedaan, op mijn verzoek.

6. de verklaring van [verdachte 2], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof

d.d. 20 juni 2019, voor zover inhoudende:

Na de controle door de politie op 29 juni 2016 ben ik in Den Haag gebleven. Ik ben naar een koffiehuis gegaan, tot 12 uur ’s avonds ongeveer. [verdachte 1] is mij toen op komen halen, samen met [verdachte 3] en toen zijn we richting Gees gereden. Een paar dagen voor de overval werd ik door [verdachte 1] benaderd om een ‘tori’ (het hof begrijpt: overval) te doen. Hij had sleutels van het huis die hij in het bezit had door een eerdere inbraak daar.

We hadden tape mee en ik had een vuurwapen mee, een revolver. We zaten in een donkere Volkswagen Golf 5 met gekloonde kentekenplaat.

We zagen dat de balkondeuren open stonden. [verdachte 1] heeft mij een zetje gegeven, daardoor was ik als eerste op het balkon. Toen kwam [verdachte 3] op het balkon en [verdachte 1] kwam als derde. We kwamen binnen in de slaapkamer van [slachtoffer] . Ik stond voor het bed, [verdachte 1] stond rechts en [verdachte 3] stond links. De bedoeling was dat ik [slachtoffer] onder schot hield en dat [verdachte 1] en [verdachte 3] [slachtoffer] vastbonden. We komen binnen, [verdachte 1] doet het licht aan en ik trek de deken weg van [slachtoffer] . [slachtoffer] wordt wakker en komt overeind. Uit het niets haalt [verdachte 1] uit en heeft hij hem een paar stoten gegeven op zijn gezicht. [slachtoffer] viel toen op bed en is door twee personen vastgebonden. Toen kwam [benadeelde 1] binnen en is [verdachte 3] mee naar beneden gegaan. [verdachte 3] heeft eerst [slachtoffer] vastgebonden en klappen uitgedeeld. [verdachte 3] en [verdachte 1] hebben klappen uitgedeeld. [verdachte 1] heeft [slachtoffer] ook hard geschopt tegen zijn romp. Toen [benadeelde 1] binnenkwam, zat ik bij [slachtoffer] en heb ik het wapen op haar gericht.

Ik droeg een col met gekke kleuren over de onderkant van mijn gezicht, tot onder mijn neus.

Op de heenweg naar Gees hebben we in de auto over de verdeling van de taken gesproken. In auto hadden we al afgesproken dat ik de personen onder schot moest houden.

We hadden één rol tape mee. We droegen allemaal handschoenen. Iedereen had zijn eigen spullen meegenomen.

We hebben met elkaar naar de buit gekeken. Ik heb van [verdachte 1] gehoord dat er een derde kluis moest zijn. Dat heeft hij aan [verdachte 3] en mij verteld. We hebben de buit meegenomen in de auto en ik heb alles geteld en gelijk verdeeld in de auto. Het was € 5000,- in totaal. [verdachte 3] zou de auto wegwerken. Ik heb het wapen weggewerkt: ik heb het wapen verkocht.

Ik wilde weggaan en ik wilde geen namen noemen, dus ik zei: “Jimmy, kom”.

[verdachte 3] en [verdachte 1] hebben [slachtoffer] vastgemaakt. Eerst deden zij tape om zijn armen, maar dat trok [slachtoffer] los. Daarna is hij vastgebonden met kleding. Ik had het wapen vast. [slachtoffer] werd de hele tijd geslagen door [verdachte 1] . [verdachte 3] heeft twee keer geslagen of zoiets.

7. de verklaring van [verdachte 2], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof

d.d. 25 juni 2019, voor zover inhoudende:

[verdachte 1] en [verdachte 3] wisten dat ik een wapen bij mij had. Dat was bekend.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte wordt primair verweten dat hij zich op 30 juni 2016 te Gees schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag van [slachtoffer] . Subsidiair onder A wordt verdachte verweten het medeplegen van moord van [slachtoffer] en subsidiair onder B is het verwijt aan verdachte dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld, de dood van [slachtoffer] ten gevolge hebbende.

Standpunt verdediging

Verdachte heeft in eerste aanleg en in hoger beroep ontkend dat hij op 30 juni 2016 in Gees is geweest en betrokken is geweest bij de woningoverval. Verdachte heeft aldus ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het tenlastegelegde.

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnota, primair en subsidiair betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat de inhoud van de verklaringen van [verdachte 3] en [verdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep niet kan kloppen. Daarentegen wordt de verklaring van verdachte ondersteund door bewijs in het dossier. De raadsman heeft de voorwaardelijke verzoeken gedaan om, mocht het hof ervan uitgaan dat verdachte niet in de Citroën Berlingo reed, zijn broer [naam 3] , als getuige te horen en een deskundige van Vialis te horen. De raadsman heeft meer subsidiair het hof verzocht – indien het hof ervan uitgaat dat verdachte in de woning is geweest – verdachte te beschouwen als degene die met [benadeelde 1] naar beneden is geweest.

Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3]

Het hof gaat allereerst uit van de betrouwbaarheid van de eerste verklaring van [benadeelde 1] tegenover de politie. Deze verklaring is immers zeer kort na de overval door [benadeelde 1] afgelegd, namelijk op 30 juni 2016 om 11:15 uur. Ter terechtzitting van het hof van 13 juni 2019 heeft [benadeelde 1] bovendien aangegeven dat zij op dat moment de gebeurtenissen helder voor ogen had. Het hof gaat tevens uit van de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde 1] als getuige ter terechtzitting van het hof van 13 juni 2019, ten aanzien van de opeenvolgende gebeurtenissen op 30 juni 2016. [benadeelde 1] is wat betreft de opeenvolgende gebeurtenissen op 30 juni 2016 consistent en heeft op de zitting van het hof van 13 juni 2019 naar aanleiding van vragen meer details gegeven.

Het hof merkt ten tweede de verklaringen van [verdachte 2] en [verdachte 3] als getuigen als betrouwbaar aan over de gang van zaken van de (aanloop naar en de nasleep van) de overval van de woning in Gees op 30 juni 2016. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verklaringen van [verdachte 2] en [verdachte 3] op de zittingen van het hof grotendeels met elkaar overeenkomen en daarnaast stroken met de volgorde van de gebeurtenissen in de woning, zoals [benadeelde 1] die heeft geschetst.

Bewijsoverwegingen

Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de juridische beoordeling van het ten laste gelegde medeplegen, het opzet op de dood van [slachtoffer] en het oogmerk van begunstiging dan wel vergemakkelijking van de diefstal met geweld in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning van de geldbedragen, sieraden, de portemonnee en de envelop met inhoud en sleutels.

Medeplegen

Naar geldend recht74 is voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie van medeplegen is, aldus volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit.

Het hof stelt op basis van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, vast dat er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van het feit. [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] hadden gezamenlijk het plan om op 30 juni 2016 in Gees een woningoverval te plegen en zijn daartoe gezamenlijk in een auto naar Gees gereden.

Op de heenweg is in de auto besproken dat er in de woning kluizen met geld aanwezig waren. Het was bij [verdachte 1] en [verdachte 3] bekend dat [verdachte 2] een vuurwapen bij zich had, [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] droegen handschoenen, er werd tape meegenomen naar de woning om mensen mee vast te binden en [verdachte 2] en [verdachte 3] droegen gezichtsbedekking. Er was tevens sprake van een taakverdeling: [slachtoffer] werd vastgebonden door [verdachte 1] en [verdachte 3] . [verdachte 2] hield [slachtoffer] hierbij onder schot. [verdachte 1] en [verdachte 3] hebben beiden geweld op [slachtoffer] uitgeoefend. [verdachte 3] is op zoek gegaan naar een tweede persoon en heeft [benadeelde 1] mee naar beneden genomen om de kluizen te openen. [verdachte 2] heeft het wapen ook op [benadeelde 1] gericht. Tijdens de terugweg in de auto is de buit in gelijke delen verdeeld over [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] . [verdachte 2] heeft het wapen en [verdachte 3] de auto weggewerkt. Het hof acht gelet op het voorgaande bewezen dat sprake is van een nauwe bewuste samenwerking tussen [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] . Het hof is voorts van oordeel dat de bijdragen van alle drie de verdachten aan het strafbare feit van voldoende gewicht zijn om van medeplegen te kunnen spreken.

Opzet op de dood van [slachtoffer]

Gelet op de verklaring van [benadeelde 1] en [verdachte 2] waren [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] in de slaapkamer van [slachtoffer] aanwezig op het moment dat het geweld al op [slachtoffer] werd toegepast. [verdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte 1] bij binnenkomst, via de balkondeuren in de slaapkamer van [slachtoffer] , uithaalde en stoten gaf op het gezicht van [slachtoffer] . Daarnaast heeft [benadeelde 1] verklaard dat, toen zij wakker werd van gestommel, de deur van de slaapkamer van [slachtoffer] open deed en [slachtoffer] voor het eerst zag, [slachtoffer] al erg was toegetakeld en dat [slachtoffer] een snoer om zijn nek had. Uit het rapport van de arts en patholoog volgt verder dat de geweldsinwerking op het lichaam van [slachtoffer] heftig is geweest en dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard als gevolg van algehele weefselschade door fors bloedverlies, al dan niet in combinatie met longfunctiestoornissen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld, aan het hoofd en de romp. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat [verdachte 3] en [verdachte 1] klappen hebben gegeven en dat [verdachte 1] ook hard tegen zijn romp heeft geschopt . Op het moment dat [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] net de slaapkamer van [slachtoffer] via het balkon zijn binnengekomen begon [verdachte 1] uit het niets op [slachtoffer] in te slaan en volgens [verdachte 2] bleef [verdachte 1] de hele tijd slaan. [verdachte 3] heeft [slachtoffer] ongeveer twee keer geslagen. Gelet op het voorgaande en met name op het feit dat er – blijkens het deskundigenrapport van de arts en patholoog – heftig en fataal geweld is gebruikt tegen [slachtoffer] is het hof van oordeel dat sprake is geweest van het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] door hem meermalen in het gezicht, tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen, stompen dan wel te slaan.

Het oogmerk van begunstiging dan wel vergemakkelijking van de diefstal

Het forse geweld dat op [slachtoffer] is toegepast, resulterend in zijn dood, werd gepleegd om de diefstal met geweld in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in de woning van [slachtoffer] en [benadeelde 1] van de geldbedragen, sieraden, de portemonnee en de envelop met inhoud en de sleutels mogelijk te maken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachten is af te leiden dat verdachten de doodslag verrichtten met het oogmerk om [slachtoffer] en [benadeelde 1] van de geldbedragen, sieraden, de portemonnee en de envelop met inhoud en de sleutels te kunnen bestelen dan wel met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad straffeloosheid dan wel het bezit van de weggenomen goederen te verzekeren.

Conclusie

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 30 juni 2016 te Gees schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag ten aanzien van [slachtoffer] .

Verwerping van het verweer van de verdediging

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, inhoudende dat verdachte in het geheel niet in Gees is geweest op 30 juni 2016, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze eerder in dit arrest zijn opgenomen. Het hof is voorts van oordeel dat het meer subsidiaire verweer van de raadsman, inhoudende dat verdachte degene was die met [benadeelde 1] naar beneden is geweest, tevens wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze eerder in dit arrest zijn opgenomen. Ten aanzien van de voorwaardelijke verzoeken van de raadsman is het hof van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken, mede nu de door de raadsman aan deze verzoeken ten grondslag gelegde motivering naar het oordeel van het hof ontoereikend is. Het hof wijst deze verzoeken van de verdediging daarom af.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 juni 2016 te Gees tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen, te stompen en/of te slaan,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten diefstal met geweld in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, van geldbedragen, sieraden, een portemonnee met inhoud, een envelop met inhoud en sleutels,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

In het kader van de verdenking van het bewezenverklaarde feit is er onderzoek verricht naar de geestvermogens van de verdachte.

In het kader van deze strafzaak is een Pro Justitia rapport uitgebracht door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) van 12 september 2017, opgesteld door M. Fluit, psychiater, en B.H. Boer, psycholoog. De verdachte is van 7 juni 2017 tot 19 juni 2017(het hof begrijpt: tot 19 juli 2017) voor zes weken opgenomen in het PBC. De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. Nu het gaat om een zogenoemd weigerrapport bestaat er geen beletsel deze rapportage te gebruiken ondanks de overschrijding van de wettelijke termijn van 1 jaar tussen de dagtekening van het advies en de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting als bedoeld in artikel 37a Sr. Het rapport houdt onder andere in dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De verdachte is hoogstwaarschijnlijk cognitief beperkt, er zijn sterke aanwijzingen voor antisociale persoonlijkheidskenmerken, voorts zijn psychopathie en ADHD niet uitgesloten en is een stoornis in het gebruik van softdrugs (ongespecificeerd) aanwezig. Door Fluit en Boer wordt in algemene zin gesteld dat de combinatie van deze factoren bij de verdachte leidt tot chronisch disfunctioneren vanaf jonge leeftijd. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens was, gezien het chronische karakter van verschillende factoren, zoals de vermoedelijke cognitieve beperkingen en de persoonlijkheidskenmerken, ook aanwezig tijdens het bewezenverklaarde feit. Dit geldt ook voor de stoornis in het gebruik van cannabis. Fluit en Boer zijn echter – door het ontbreken van eigen onderzoek – niet in staat om een advies te geven over de (mate van) toerekenbaarheid van het bewezenverklaarde feit aan de verdachte.

Het hof kan zich verenigen met voornoemde bevindingen van de gedragsdeskundigen over de geestesvermogens van de verdachte.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat deze ook aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Het hof gaat tevens ervan uit dat deze gebrekkige ontwikkeling de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit heeft beïnvloed. Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Het hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Oplegging van straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van de verdediging.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Oplegging van straf

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag ten aanzien van [slachtoffer] .

Het hof is van oordeel dat sprake is van een zeer ernstig strafbaar feit. De verdachten hebben [slachtoffer] en [benadeelde 1] , terwijl zij in de vroege ochtend nietsvermoedend lagen te slapen, totaal overrompeld. Met het eigen financiële gewin voor ogen zijn de verdachten bewapend met duct tape en een vuurwapen de woning binnengedrongen. Ze hebben [slachtoffer] vastgebonden en zeer fors geweld op hem toegepast, waardoor hij is komen te overlijden. [benadeelde 1] heeft op meerdere momenten met eigen ogen gezien hoe haar partner [slachtoffer] eraan toe was door het tegen hem gebruikte geweld. [benadeelde 1] is, nadat zij mee naar beneden moest om de buit te verzamelen, ook vastgebonden. Nadat de buit verzameld was, hebben de verdachten [slachtoffer] en [benadeelde 1] in de (door de verdachten zelf veroorzaakte) machteloze en beangstigende positie achtergelaten. [benadeelde 1] heeft zelf als eerste moeten constateren dat haar partner door het forse geweld overleden was. Zoals de advocaat-generaal in zijn requisitoir heeft aangegeven lijkt het door de verdachten gebruikte buitensporige geweld door de verdachten te zijn gezien als een onvermijdelijk en onlosmakelijk deel van de overval.

De ernst en de impact van dit feit zijn ook in hoger beroep op rake wijze geïllustreerd door [benadeelde 1] , de kinderen van [slachtoffer] en andere nabestaanden. Het verlies van [slachtoffer] heeft hun onmetelijk veel verdriet bezorgd. Zoals de rechtbank in het vonnis heeft overwogen moeten zij hun levensgezel, vader, opa, broer of vriend missen en moeten zij leven met de gedachte dat hij op gruwelijke wijze uit het leven is weggerukt, enkel voor het financieel gewin van de verdachten. Het valt de nabestaanden bovendien zwaar dat zij tot op de dag van vandaag geen antwoord hebben gekregen van de verdachten op hun uitdrukkelijk ter terechtzitting naar voren gebrachte vraag hoe en van wie de verdachten informatie over de woning van [slachtoffer] en [benadeelde 1] hebben verkregen. Voor [benadeelde 1] geldt bovendien dat zij tot op heden de psychische gevolgen ondervindt van het bewezenverklaarde feit. [benadeelde 1] is gediagnosticeerd met een posttraumatische‑stressstoornis (PTSS). Hiervoor staat zij onder behandeling bij een psycholoog. [benadeelde 1] ervaart nog dagelijks psychische en lichamelijke klachten ten gevolge van de traumatische gebeurtenissen op 30 juni 2016 in Gees.

Gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. De wetgever heeft bij dit delict – net als bij moord – de zwaarst mogelijke maximale strafbedreiging bepaald, te weten levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal dertig jaren. In de strekking van de wetsbepaling van gekwalificeerde doodslag ligt het ernstige morele verwijt van de wetgever besloten dat het leven van een ander welbewust wordt opgeofferd uit zelfzucht en – in dit geval – eigen financieel gewin.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogens- en geweldsdelicten. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een dergelijk strafbaar feit.

Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde strafbare feit – vanuit het oogpunt van vergelding – oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien jaren rechtvaardigt.

Het hof houdt verder rekening met het gegeven dat het bewezenverklaarde feit, zoals hiervoor onder ‘Strafbaarheid van verdachte’ is overwogen, in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht, passend en geboden.

Oplegging van TBS-maatregel

Vooropgesteld wordt dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37, tweede en derde lid, en 37a Sr de maatregel TBS kunnen worden opgelegd.

In de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit moet in de tweede plaats een misdrijf betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een van de misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr) zijn vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.

Zoals hiervoor al is vastgesteld, is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De verdachte is hoogstwaarschijnlijk cognitief beperkt, er zijn sterke aanwijzingen voor antisociale persoonlijkheidskenmerken, psychopathie en ADHD zijn niet uitgesloten en een stoornis in het gebruik van softdrugs (ongespecificeerd) is aanwezig. Door de PBC-rapporteurs Fluit en Boer wordt in algemene zin gesteld dat de combinatie van deze factoren bij de verdachte tot chronisch disfunctioneren vanaf jonge leeftijd leidt. Deze gebrekkige ontwikkeling bestond ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

Voorts is in deze zaak sprake van een misdrijf zoals bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr.

Daarnaast is sprake van zodanig recidivegevaar, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de TBS‑maatregel met verpleging van overheidswege eist. Uit voormeld rapport van het PBC volgt dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte is begonnen in de kinderleeftijd van de verdachte, zich heeft voortgezet in de jeugdjaren van de verdachte en in de volwassenheid tot uiting komt in forse beperkingen in de zelfregulatie en in chronisch disfunctioneren op alle belangrijke levensdomeinen (opleiding, werk, financiën, sociaal en wonen). De verdachte had en heeft formeel steeds geen (vast) inkomen, geen prosociaal netwerk en verbleef veel in detentie, aldus de rapporteurs. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte lijkt volgens de rapporteurs de verdachte in de weg te staan om het patroon van het plegen van delicten te doorbreken of af te remmen. Ambulante behandeling van de verdachte is niet van de grond gekomen. Het hof is gelet hierop van oordeel dat er een groot gevaar voor herhaling van het plegen van ernstige strafbare feiten bestaat. Het hof heeft hierbij ook gelet op de eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten en de opbouw in de ernst van de door verdachte begane feiten. Het hof wijst in dit verband op de veroordelingen door de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2008 en het hof Den Haag van 19 september 2013. Daar komt bij dat verdachte nadat hij de slaapkamer heeft betreden direct is overgegaan tot toepassing van grof geweld op [slachtoffer] .

Hoewel er geen advies tot oplegging van TBS is gegeven en het openbaar ministerie ook niet de oplegging van die maatregel heeft gevorderd, acht het hof het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord dat de verdachte na een langdurige gevangenisstraf en zonder dat het recidivegevaar is weggenomen, terugkeert in de maatschappij. Het hof is dan ook van oordeel dat het terugdringen van voornoemd recidiverisico en de bescherming van de maatschappij die nodig is, niet anders kan plaatsvinden dan door middel van het opleggen van TBS met dwangverpleging.

Het hof overweegt dat de TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van gekwalificeerde doodslag. De totale duur van de TBS met dwangverpleging kan daarom, gelet op artikel 38e Sr, een periode van vier jaren te boven gaan.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] .

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.919,71, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 13.388,56, zijnde de kosten voor de begrafenis. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zittingen à € 723,- ten koste van de Staat afgewezen. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte kosten in verband met reiskosten voor de zittingen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Reis- en verblijfkosten bijwoning zittingen

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft op grond van de Europese Richtlijn Minimumnormen Slachtoffers (hierna: de Richtlijn),75 die in de visie van de benadeelde partij rechtstreekse werking heeft, verzocht om een vergoeding door de Nederlandse Staat van de reis- en verblijfkosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van zittingen tot een bedrag van

€ 1.531,15. Zij verzoekt dit onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Noord‑Holland van 4 november 2016.76

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd tot toewijzing van deze vordering ten laste van de Nederlandse Staat. Hij is van oordeel dat de uitvoering van de wetgever van artikel 14 van de Richtlijn tekortschiet. Bij de uitleg van artikel 14 speelt volgens hem punt 47 van de preambule bij de Richtlijn een rol. Daarin staat dat kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, alleen vergoed worden als het slachtoffer verplicht is aanwezig te zijn of door de autoriteiten gevraagd is om aanwezig te zijn. Dat laatste is in deze zaak het geval volgens de advocaat-generaal. De nabestaanden zijn aanwezig, omdat zij uitgenodigd zijn om op de zitting het spreekrecht uit te oefenen. Om dat zinvol te kunnen doen, moeten zij aanwezig zijn bij de zitting. Artikel 14 van de Richtlijn is duidelijk en concreet genoeg om rechtstreekse werking te hebben, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat er geen rechtstreeks beroep kan worden gedaan op de Richtlijn omdat de nationale wetgeving voldoet aan het doel en de strekking van de Richtlijn.

Subsidiair is de verdediging van mening dat de advocaat-generaal een onjuiste lezing heeft van de preambule bij de Richtlijn onder punt 47. Daar staat immers dat kosten alleen behoeven te worden vergoed indien het slachtoffer verplicht is of door de bevoegde autoriteiten is verzocht aanwezig te zijn en om actief aan de strafprocedure deel te nemen.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat – anders dan op het moment van uitspraak van de rechtbank Noord‑Holland en op welke uitspraak de benadeelde partij een beroep doet – thans de Richtlijn zijn uitwerking heeft gekregen in de Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU,77 in werking getreden op 1 april 2017.78

De rechtbank Noord-Holland deed uitspraak toen de implementatie van de Richtlijn nog achterwege was gebleven, terwijl de termijn daarvoor sinds 16 november 2015 was verstreken. De situatie op dit moment en bij de beoordeling van dit verzoek is daarmee een geheel andere.

Voorts stelt het hof vast dat in de strafprocedure tegen een verdachte in het Wetboek van Strafvordering geen enkele voorziening is opgenomen om te procederen over het al dan niet toekennen van een vergoeding ten laste van de Nederlandse Staat voor getuigen, deskundigen en tolken. Hiervoor heeft de wetgever een afzonderlijke procedure gecreëerd voor de personen genoemd in artikel 260 Sv in combinatie met de Wet tarieven in strafzaken en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken. In deze procedure kan een vergoeding van kosten worden verzocht aan de griffier die – onder goedkeuring van de autoriteit die de opdracht tot de uitvoering van de werkzaamheden heeft gegeven – beslist. In artikel 9 van de Wet tarieven in strafzaken is ook een voorziening opgenomen met betrekking tot het indienen van bezwaar tegen de door de griffier genomen beschikkingen.

Op 1 januari 2011 is de wet Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces in werking getreden.

Met deze wet werd mede beoogd om uitvoering te geven aan het kaderbesluit van de Europese Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure.79 In dit kaderbesluit wordt in artikel 7 bepaald dat elke lidstaat het slachtoffer dat de status van partij of getuige heeft de mogelijkheid aanbiedt om de uitgaven vergoed te krijgen die voortvloeien aan zijn deelname aan de strafprocedure.

In de memorie van toelichting wordt het volgende vermeld:

“Sinds 1 mei 2004 bestaat de mogelijkheid voor slachtoffers van ernstige misdrijven (dezelfde categorieën die zijn aangewezen voor de uitoefening van het spreekrecht) een schriftelijke slachtofferverklaring af te leggen en in het strafdossier te doen voegen.

Met betrekking tot de mogelijkheid voor het slachtoffer om reiskosten en kosten voor tijdverzuim vergoed te krijgen, wijs ik op artikel 260. Ook de benadeelde partij ontvangt volgens het huidige artikel 51f, eerste lid, een oproeping van de officier van justitie. Volgens de bestaande regeling in de Wet tarieven in strafzaken kan het slachtoffer dat, eventueel op eigen verzoek, door de officier van justitie is opgeroepen, aanspraak maken op de desbetreffende vergoedingen.

Door de toevoeging van de categorie getuigen en nabestaanden in artikel 260 bij Wet van 21 juli 2004, Stb. 382 (invoering van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden) is verzekerd dat slachtoffers en nabestaanden voor een vergoeding van hun reiskosten en tijdverzuim een beroep kunnen doen op de vergoeding ingevolge de Wet tarieven in strafzaken. Zij worden immers ingevolge een opdracht van de officier van justitie voor de terechtzitting opgeroepen.”80

Het hof constateert dat de wetgever ook uitvoering aan het hiervoor weergegeven voornemen heeft gegeven, nu sinds 1 januari 2011 het eerste lid en het tweede lid van artikel 260 Sv als volgt luiden:

1. De officier van justitie is bevoegd getuigen, slachtoffers of hun nabestaanden, deskundigen en tolken ter terechtzitting schriftelijk te doen oproepen. Een tolk wordt in ieder geval opgeroepen, indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst.

2. Indien de personen, bedoeld in artikel 51e, tweede lid, eerste volzin, of een nabestaande als bedoeld in artikel 51e, derde en vierde lid, en degenen die te kennen hebben gegeven gebruik te willen maken van het spreekrecht op grond van artikel 51e, zesde en zevende lid, schriftelijk verzoeken om oproeping voor de uitoefening van het spreekrecht, geeft de officier van justitie daaraan gehoor.

Uit al het voorgaande leidt het hof af dat de wetgever heeft bedoeld een voorziening te treffen voor slachtoffers of hun nabestaanden om via de procedure beschreven in artikel 9 van de Wet tarieven in strafzaken te voorzien in de mogelijkheid om een vergoeding ten laste van 's Rijks kas te verkrijgen. Dat de uitvoering van deze voorziening niet volledig is geweest, nu de Wet en het daarmee samenhangende Besluit de in artikel 260 Sv toegevoegde categorieën personen niet expliciet noemen, maakt dit niet anders.

Het hof acht dit ook de uit de wetssystematiek volgende aangewezen weg, nu een verdachte die wordt vervolgd ook geen positie dient te hebben in het al dan niet toekennen van een vergoeding voor gemaakte kosten ten laste van 's Rijks kas aan andere personen die vanwege Justitie betrokken worden bij het strafproces.

Uit het voorgaande volgt dat het hof zich onbevoegd acht om te beslissen op het verzoek van de benadeelde partij omdat een dergelijk verzoek naar het oordeel van het hof beoordeeld dient te worden door de griffier via de weg die artikel 9 van de Wet tarieven in strafzaken biedt.

Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor wat betreft de reis- en verblijfkosten ad € 1.531,15 zal worden afgewezen.

Kosten begrafenis

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 13.388,56. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2016.

Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als gelijkgesteld aan een (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof acht het illusoir te menen dat de verdachte, aan wie een zeer langdurige gevangenisstraf en een TBS-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd, in staat zal zijn binnen redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarmee zou de op te leggen vervangende hechtenis, die immers is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, een punitief karakter krijgen, hetgeen het hof ongewenst acht. Daarom wordt bepaald dat bij gebreke aan betaling van het aan de Staat te betalen bedrag slechts één dag vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt (na vermindering in hoger beroep) € 1.195.845,17 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 17.521,- aan materiële schade en tot een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij is niet‑ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van het reeds geleden, het toekomstig gederfd levensonderhoud, de kosten van de berekening daarvan en de advocaatkosten gemaakt in verband met de overdacht van de BV van [slachtoffer] (de nota van Heuzeveldt).

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep met een deels gewijzigde vordering opnieuw gevoegd. De totale vordering bedraagt in hoger beroep € 1.026.612,16, bestaande uit € 1.001.612,16 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd tot volledige toewijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . Subsidiair heeft hij ter zake van de schadevergoeding voor gederfd levensonderhoud gevorderd dat deze tot een bedrag van € 252.593,50, zijnde de reeds verschenen schade, wordt toegewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de beoordeling van de vordering tot vergoeding van schade wegens gederfd levensonderhoud, alsmede de kosten voor de berekening van deze schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit blijkt uit de lengte van de onderbouwing van dit deel van de vordering, de hoogte van het schadebedrag en het feit dat voor de onderbouwing van dit deel van de vordering een deskundige is ingeschakeld. Er wordt gesteld dat een contra-expertise nodig is om het deskundigenrapport van het Nederlands Rekencentrum (NRL) te kunnen beoordelen en dat de deskundige van het NRL zou moeten worden gehoord. Voorts wenst de verdediging dat er een deskundige wordt benoemd om de aannames waarop het rapport van het NRL berust te beoordelen. De benadeelde partij [benadeelde 1] zou bovendien moeten worden gehoord als getuige, alsmede de erfgenamen van [slachtoffer] en de boekhouder van de B.V. Dit onderdeel van de vordering is gecompliceerd en de behandeling daarvan in het kader van het strafproces leidt tot onevenredige vertraging van dit strafproces. De benadeelde partij zou ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair wordt verzocht om het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak te heropenen teneinde de hiervoor weergegeven onderzoekswensen nader uit te werken en aan het hof voor te leggen en eventuele nadere onderzoekswensen te doen.

Voorts verzoekt de verdediging het hof om aan te sluiten bij de beslissing van de rechtbank ter zake van de gevorderde immateriële schadevergoeding en deze te bepalen op € 15.000,-.

De vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de nota van advocaat Heuzeveldt in verband met gemaakte advocaatkosten in het kader van de overdracht van de B.V., moet volgens de verdediging worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten voor gesprekken met de advocaat-generaal en het bijwonen van de zittingen van het hof wordt aangevoerd dat dit geen rechtstreekse schade is, maar proceskosten zijn.

Oordeel van het hof

Kosten bloemstukken begrafenis, kosten verhuizing uit Gees, reiskosten psycholoog

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.727,48, opgebouwd uit de volgende geldbedragen:

  • -

    € 440,- kosten bloemstukken begrafenis;

  • -

    € 1.081,- kosten verhuizing uit Gees;

  • -

    € 1.206,48 reiskosten behandelingen psycholoog.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof merkt op dat de wettelijke rente over het toegewezen geldbedrag dat ziet op de kosten voor de bloemstukken van de begrafenis en de reiskosten voor de behandelingen bij de psycholoog aanvangt op 30 juni 2016. De wettelijke rente over het toegewezen geldbedrag voor de verhuizing uit Gees wordt bepaald op de dag van deze verhuizing, te weten 8 juni 2017.

Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als gelijkgesteld aan een (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof acht het illusoir te menen dat de verdachte, aan wie een zeer langdurige gevangenisstraf en een TBS-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd, in staat zal zijn binnen redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarmee zou de op te leggen vervangende hechtenis, die immers is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, een punitief karakter krijgen, hetgeen het hof ongewenst acht. Daarom wordt bepaald dat bij gebreke aan betaling van het aan de Staat te betalen bedrag slechts één dag vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Kosten voor gederfd levensonderhoud en kosten rapport NRL

Bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt vooropgesteld dat de Hoge Raad ten aanzien van de beoordeling van de benadeelde partij recent het volgende heeft overwogen:

“Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).

De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.

Het bieden van die eenvoudige en laagdrempelige procedure tot schadeloosstelling van de benadeelde partij kan de strafrechter voor complexe afwegingen stellen, nu de rechter ervoor moet zorgen dat daarbij zowel de materiële, civielrechtelijke voorschriften als de processuele regels en waarborgen die gelden bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij in acht worden genomen, terwijl de rechter daarnaast heeft te oordelen over de in de strafzaak zelf aan de orde zijnde vragen.”81

De vordering tot vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud is gebaseerd op artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet in discussie is dat de benadeelde partij tot de kring behoort van de personen die op grond van deze bepaling in beginsel aanspraak kunnen maken op schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Voor het bepalen van de schadevergoeding is van belang tot welke kring van personen de benadeelde behoort.

Voornoemd artikel 6:108, eerste lid, BW luidt:

Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;

b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;

c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien.

De wetgever heeft derhalve in deze bepaling – wat betreft personen – onderscheid gemaakt in de wijze waarop de vordering ten aanzien van schade door gederfd levensonderhoud moet worden beoordeeld.

Desgevraagd heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] aangegeven niet over een (geregistreerd) samenlevingscontract te beschikken. Ook overigens kan het hof het bestaan van een dergelijk contract niet uit de stukken afleiden. Dit betekent dat het hof de vordering zal beoordelen op grond van artikel 6:108, eerste lid, aanhef en onder c BW.

Voor de bepaling van de schade uit gederfd levensonderhoud is onder meer van belang dat inzicht wordt verkregen in de volledige financiële situatie van voor het overlijden alsmede van de financiële positie na het overlijden.82 In het licht van wat de verdediging over dit onderdeel van de vordering naar voren heeft gebracht acht het hof het volgende van belang.

In verband met de financiële situatie van voor het overlijden heeft de benadeelde partij grote hoeveelheden stukken overgelegd bestaande uit diverse berekeningen van het NRL met daarbij de onderliggende stukken die voor de aannames in de berekeningen van het NRL zijn gebruikt.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering voor vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud verminderd van € 1.158.122,- naar € 985.920,- en de nota's voor de berekening van de schade door het NRL verhoogd van € 2.319,57 naar € 6.093,56. Het hof wijst in dit verband op de brief van de advocaat van de benadeelde partij van 17 juni 2019.

Op de zitting van het hof van 26 juni 2019 is bij de toelichting op de vordering van de benadeelde partij de vordering ten aanzien van schade uit gederfd levensonderhoud verhoogd tot € 1.026.612,16 en is subsidiair verzocht om in ieder geval toe te wijzen een bedrag van € 252.593,50 voor reeds geleden schade ter zake van gederfd levensonderhoud tot medio 2019. Dit op grond van de berekening van het NLR die op 19 juni 2019 per e-mail is toegezonden.

Op de zitting van het hof van 27 juni 2019 is bij tweede termijn de subsidiaire vordering voor schade uit gederfd levensonderhoud gewijzigd in € 287.394,- ter zake van gederfd levensonderhoud tot de datum van de terechtzitting bij het hof. Uiterst subsidiair is het totaalbedrag voor schade uit gederfd levensonderhoud gesteld op € 328.086,16, waarbij in de uitgangspunten voor de berekening geen rekening is gehouden met de huurinkomsten uit de bungalowhuisjes die de benadeelde partij en de overleden [slachtoffer] in hun bezit hadden.

Op zichzelf genomen hoeft een vordering tot vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud niet gecompliceerd te zijn, bijvoorbeeld wanneer de enige kostwinner uit een gezin is overleden, en kan de vordering van de benadeelde partij in dat geval in beginsel door de strafrechter in de afdoening van de strafzaak worden meegenomen.

Dit is anders in een geval als het onderhavige, waarbij er kennelijk ook bij de benadeelde partij op verschillende momenten verschillende inzichten hebben bestaan omtrent de aannames die voor de berekeningen van het NRL dienen te gelden, en welke aannames na uitvoering van de berekening van het NRL ook daadwerkelijk hebben geleid tot andere uitkomsten met betrekking tot de hoogte van de schade. Dit geldt te meer, nu het hof constateert dat bij de aannames van andere uitgangspunten wordt uitgegaan dan de uitgangspunten over de financiële situatie van de benadeelde partij en de overleden partner die uit het strafdossier naar voren is gekomen.

De financiële situatie van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de overledene [slachtoffer] , die voor de berekeningen zijn gebruikt, bestaat deels uit inkomsten die uit belastingstukken naar voren komen met daarnaast contante inkomsten uit bungalowhuisjes die aan hen toebehoren. De gegevens van de bungalowhuisjes van [benadeelde 1] zijn gebaseerd op wat de benadeelde partij daarvoor ten behoeve van het NRL heeft aangeleverd. De kosten zijn met stukken onderbouwd, de opbrengsten uit huur daarentegen niet. Een deel van de berekening van de inkomsten van de overledene [slachtoffer] is gebaseerd op contante inkomsten uit zijn bungalowhuisjes. Er zijn echter geen stukken van de diverse B.V. ’s van de overledene [slachtoffer] ingebracht, nu daaraan door de nabestaanden van de overledene [slachtoffer] geen medewerking werd verleend. Het vakantiepark waarop (naar het hof begrijpt) de bungalowhuisjes stonden, was bovendien ondergebracht in [benadeelde 3]

Uit de verklaringen van de benadeelde partij bij de politie,83 blijkt dat de contante inkomsten afkomstig waren uit de bungalowhuisjes van de benadeelde partij zelf en dat deze inkomsten werden gebruikt voor het gemeenschappelijk huishouden. Ook maakte zij voor haar eigen bungalowhuisjes facturen voor de B.V. en – zo volgt verder uit haar verklaringen bij de politie – zijn deze bedragen vaak niet door [slachtoffer] aan haar overgemaakt. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft voorts verklaard dat ze in dat verband nog een vordering heeft op de B.V. Over de contante inkomsten uit de bungalowhuisjes van de overledene [slachtoffer] wordt door de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar verklaringen bij de politie niet gesproken. Bij de laatste berekening door het NRL zijn de inkomsten uit de bungalowhuisjes buiten beschouwing gelaten. Voor de bepaling van de financiële positie zonder overlijden van [slachtoffer] is het echter ook van belang hoe lang de overledene [slachtoffer] zijn bedrijf in de toekomst nog zou voortzetten. De benadeelde partij is bij de berekeningen in tweede instantie uitgegaan van een andere leeftijd dan bij de berekening die in eerste instantie in hoger beroep werd overgelegd. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van de benadeelde bij de politie blijkt ook dat de overledene [slachtoffer] graag wilde dat het bedrijf zou worden overgenomen.

Het hof is van oordeel dat uit het totaal van de stukken waarover het hof beschikt geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de gehele financiële situatie voor het overlijden, waarvan het NRL bij de berekeningen (ook die ten behoeve van de subsidiaire en meer subsidiaire vordering) is uitgegaan. Dat dit deels wordt veroorzaakt door het niet beschikbaar komen van stukken van de B.V. 's is betreurenswaardig voor de benadeelde partij [benadeelde 1] , maar de gevolgen daarvan kunnen in de eenvoudige procedure binnen deze strafzaak niet voor rekening komen van de verdachten. De verdachten kunnen bovendien in het geheel niet over de betreffende stukken beschikken.

Op grond van al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het hof zich in het licht van artikel 6, eerste lid, van het EVRM verplicht acht de benadeelde partij ter zake van de vordering tot vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud, alsmede de kosten voor de vaststelling van deze schade in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof acht zich niet verzekerd dat beide partijen, zijnde de benadeelde partij en de verdachten, in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering en ter verweer op de vordering kunnen aanvoeren en mogelijk daarvan bewijs te leveren.

In het licht hiervan zal het hof ook geen gebruik maken van de schattingsbevoegdheid van artikel 6:97 BW. De rechter die schat moet zijn beslissing immers zodanig motiveren dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.84 Aan deze verplichting kan het hof in deze zaak niet voldoen.

Het hof is van oordeel dat behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kosten overdracht B.V.

Met betrekking tot het onderdeel van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] dat ziet op de kosten voor de overdracht van [benadeelde 3] is het hof van oordeel dat het causale verband tussen die kosten en het primair bewezen verklaarde niet zonder meer kan worden vastgesteld, nu niet is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] in de hoedanigheid van aandeelhouder, bestuurder of vertegenwoordiger van de B.V. bij de overdacht van het bedrijf betrokken is geweest.

Het hof verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Proceskosten (reiskosten)

Met betrekking tot het onderdeel van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] dat ziet op de reiskosten voor gesprekken met de advocaat-generaal en het bijwonen van zittingen van het hof, overweegt het hof als volgt. Dergelijke reiskosten zijn naar het oordeel van het hof niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv, maar als proceskosten waarover de rechter op grond van artikel 592a Sv een beslissing moet nemen. Nu de benadeelde partij [benadeelde 1] deze proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f Sv heeft gevorderd, wordt zij in zoverre in deze vordering niet‑ontvankelijk verklaard.

Het hof is voorts van oordeel dat deze proceskosten, voor zover zij zien op de reiskosten voor gesprekken met de advocaat-generaal ad € 45,76, toewijsbaar zijn. Deze kosten zijn door de verdediging niet betwist. Het hof verwijst de verdachte in deze door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 45,76.

Het hof is voorts van oordeel dat deze proceskosten, voor zover zij zien op de reiskosten voor het bijwonen van de zittingen ad € 97,76 niet toewijsbaar zijn ten laste van de verdachte.

Zoals reeds bij het oordeel van het hof op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is overwogen ten aanzien van reiskosten, leidt het hof uit de Europese Richtlijn Minimumnormen Slachtoffers,85de Wet houdende implementatie van deze Richtlijn,86, artikel 260 Sv, de Wet tarieven in strafzaken, het Besluit tarieven in strafzaken, artikel 7 van het Kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure,87 en de (de memorie van toelichting op) de wet Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer af dat de wetgever heeft bedoeld een voorziening te treffen voor slachtoffers of hun nabestaanden om via de procedure beschreven in artikel 9 van de Wet tarieven in strafzaken te voorzien in de mogelijkheid om een vergoeding ten laste van 's Rijks kas te verkrijgen.

In dit geval komt daar nog bij dat benadeelde bij hof op dezelfde zittingen als waarvoor vergoeding wordt verzocht, als getuige is opgeroepen. Op grond van voornoemde bepalingen kan een vergoeding uit 's Rijks kas ook op die grondslag voor deze kosten worden verzocht.

Het hof zal zich ter zake van deze post dan ook eveneens onbevoegd verklaren omdat ook dit verzoek beoordeeld dient te worden door de griffier via de weg die artikel 9 van de Wet tarieven in strafzaken biedt.

Immateriële schade

Nu de verdediging tegen de vordering van € 25.000,- heeft aangevoerd dat de hoogte hiervan moet worden vastgesteld op het door de rechtbank vastgestelde bedrag, overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat bij de begroting van de immateriële schade de rechter rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij kan worden gedacht enerzijds aan de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds aan de aard van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. De rechter zal bij deze begroting ook rekening moeten houden met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde partij en acht slaan op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegekend door Nederlandse rechters.

Er is in deze zaak sprake van een gruwelijk misdrijf waarbij de benadeelde partij aanwezig was in de woning – waarin zij in gezinsverband met haar partner [slachtoffer] leefde – terwijl hij tijdens de woningoverval is blootgesteld aan grof geweld, bedreigd is met een vuurwapen, vastgebonden is achtergelaten en als gevolg daarvan is overleden. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft dit deels zelf gezien en zij is ook zelf blootgesteld aan geweld, bedreigd met een op haar gericht vuurwapen en vastgebonden in de woning achtergelaten. Zij heeft haar partner [slachtoffer] , nadat zij zichzelf heeft weten te bevrijden, niet meer kunnen helpen.

Door de benadeelde partij is informatie aangeleverd waaruit blijkt dat zij is gediagnostiseerd met PTSS en dat behandeling met EMDR plaatsvindt sinds 5 september 2016. PTSS is een erkend psychiatrisch ziektebeeld. Het blijkt dat er sprake is van een moeizaam verloop van het herstel en dat dit mede veroorzaakt wordt doordat zij door het bewezenverklaarde strafbare feit haar woning en haar werk is kwijtgeraakt.

Er dient dan ook van te worden uitgegaan dat de benadeelde partij langdurig ernstige psychische klachten zal ondervinden als gevolg van de gebeurtenis waarvoor de verdachten jegens haar aansprakelijk zijn, en dat die klachten het functioneren en het welbevinden van de benadeelde partij in aanzienlijke mate negatief zullen beïnvloeden. Van belang is ook dat de schade is veroorzaakt door opzettelijk handelen van de verdachten en dat met de wijze waarop de schade is ontstaan is gegeven dat daardoor een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op het rechtsgevoel van de benadeelde partij, die in het huis waarin zij met [slachtoffer] , haar partner, in gezinsverband woonde werd geconfronteerd met het door de verdachten op haar partner [slachtoffer] uitgeoefende geweld en welk geweld zijn dood tot gevolg had.

Gelet op het bovenstaande, namelijk de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel, de ernst en de duur van het psychisch letsel van de benadeelde partij, de gevolgen daarvan voor haar en mede gelet op wat blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van shockschade en smartengeld,88 stelt het hof de immateriële schade bestaande uit shockschade en smartengeld voor de schade als gevolg van de ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1] gepleegde handelingen vast op een bedrag van € 25.000,-.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2016.

Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als gelijkgesteld aan een (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof acht het illusoir te menen dat de verdachte, aan wie een zeer langdurige gevangenisstraf en een TBS-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd, in staat zal zijn binnen redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarmee zou de normaliter de op te leggen vervangende hechtenis, die immers is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, een punitief karakter krijgen, hetgeen het hof ongewenst acht. Daarom wordt bepaald dat bij gebreke aan betaling van het aan de Staat te betalen bedrag slechts één dag vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt

€ 5.441,-, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De vordering is door de rechtbank toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2016.

Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als gelijkgesteld aan een (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De schadevergoedingsmaatregel is een zelfstandige strafrechtelijk maatregel die beoogt een door een strafbaar feit benadeelde te versterken in zijn positie tot herstel van de rechtmatige toestand. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag de benadeelde de inspanningen om dat herstel te bereiken zoveel mogelijk uit handen te nemen. Die inspanningen worden door het opleggen van de maatregel in handen gelegd van het openbaar ministerie (de Nederlandse Staat). Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr wordt door het hof in dit geval niet passend geacht. [benadeelde 3] is een professionele partij, die in staat moet worden geacht om zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verhoudt zich in dit geval niet met het voormeld doel van die maatregel. Daarom zal de schadevergoedingsmaatregel niet aan de verdachte worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 47, 63 en 288 Sr.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 13.388,56 (dertienduizend driehonderdachtentachtig euro en zesenvijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2016 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 13.388,56 (dertienduizend driehonderdachtentachtig euro en zesenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2016 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 27.727,48 (zevenentwintigduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 2.727,48 (tweeduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 45,76 (vijfenveertig euro en zesenzeventig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 27.727,48 (zevenentwintigduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 2.727,48 (tweeduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

  • -

    30 juni 2016 over een bedrag van € 1.646,48;

  • -

    8 juni 2017 over een bedrag van € 1.081,-;

en van de immateriële schade op 30 juni 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 5.441,- (vijfduizend vierhonderdeenenveertig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2016 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. L.G. Wijma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 25 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 De in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging hierna opgenomen citaten zijn letterlijk weergeven, met uitzondering van de weergave van voornamen om eventuele problemen bij het anonimiseren van het arrest te voorkomen.

2 Mr. Balemans (raadsman in eerste aanleg) namens verdachte [verdachte 1] op 18 juli 2017 (tegen het verhoorkoppel [verbalisant 1] / [verbalisant 2] ), mr. Kuijper namens verdachte [verdachte 4] op 20 september 2017 (tegen het verhoorkoppel) en aanvullend op 21 mei 2018 (tegen de teamleider TGO Gees, [teamleider] en de officieren van justitie [officier van justitie] en Kappeyne van de Coppello) en mr. Drummen (raadsvrouw in eerste aanleg) namens verdachte [verdachte 2] op 2 mei 2018 (tegen alle zojuist genoemde politieambtenaren en officieren van justitie).

3 Rijksrecherche Regio Noord-Oost, procesdossier Cartagena, 3 mappen met in totaal 1476 pagina’s; wanneer hierna wordt verwezen naar vindplaatsen in dit onderzoek geschiedt dit – zie als voorbeeld de volgende noot – door de aanduiding RR met vermelding van het nummer van de map en paginanummer.

4 RR p. 1/250.

5 Sepotbrief d.d. 10 januari 2019 van de hand van mr. Van der Heijden, Rechercheofficier van justitie, openbaar ministerie Noord-Holland.

6 Brief d.d. 13 mei 2019 van de hand van mr. Schram, hoofdofficier van justitie, gericht aan mr. Posthumus.

7 Hoge Raad 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZD1143; NJ 1999, 567 (Karman) en Hoge Raad 3 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2732; NJ 2002, beide m.nt. Schalken. In laatstgenoemd arrest wordt als nadere verfijning van deze buitenwettelijke niet-ontvankelijkheidsgrond de aanvullende eis gesteld dat het wettelijk systeem in de kern moet zijn geraakt.

8 J. Kuiper, Vormfouten; juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken, dissertatie Nijmegen 2014, p. 374.

9 Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 en recenter Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.

10 RC-verhoor [teamleider] d.d. 29 november 2017 en 12 december 2017, p. 3.

11 RR-verhoor [verbalisant 2] d.d. 04-09-18, RR p. 3/1310.

12 RR-verhoor [verbalisant 1] d.d. 11-09-18, RR p. 3/1346.

13 RR-verhoor Van der Eijk d.d. 31-07-18, RR p. 3/1005 en 1008.

14 RR-verhoor [verbalisant 2] d.d. 04-09-18, RR p. 3/1310.

15 RC-verhoor [verbalisant 2] d.d. 05-10-17 en 31-10-17, paginanummering ontbreekt.

16 RC-verhoor [teamleider] 29-11-17 en 12-12-17, p. 5.

17 Gespreksverslag opgemaakt op grond van haar aantekeningen door [verbalisant 1] , niet gedagtekend noch ondertekend, RR p. 3/1364.

18 RC-verklaring [verbalisant 2] d.d. 05-10-17 en 31-10-17, paginanummering ontbreekt, RR p. 1/0101.

19 Het hierna volgende bevat de letterlijke weergave van de tekst van het gespreksverslag, welke tekst later één op één is opgenomen in het format van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , strafdossier ordner 3 p. 1222.

20 RC-verklaring [verbalisant 1] d.d. 05-10-17, paginanummering ontbreekt, RR p. 1/0088.

21 RC-verklaring [verbalisant 2] d.d. 05-10-17 en 31-10-17, paginanummering ontbreekt, RR p. 1/0104.

22 RC-verklaring [verbalisant 2] d.d. 05-10-17 en 31-101-7, paginanummering ontbreekt, RR 1/0100.

23 RR-verhoor Van der Eijk d.d. 31-07-18, RR p. 3/1005.

24 RC-verklaring [verbalisant 1] d.d. 05-10-17, paginanummering ontbreekt, RR p. 1/0088. De uitdrukking ‘fake verklaring’ is afkomstig van [getuige 1] , die dit woord gebruikt in haar verklaring bij de RC op 21-06-17, paginanummering ontbreekt, RR p. 1/0044.

25 RC-verklaring [verbalisant 2] d.d. 05-10-17 en 31-10-17, paginanummering ontbreekt, RR1/0100.

26 E-mail d.d. 03-02-17, 17:53 uur, van Van der Eijk aan [officier van justitie] , RR p’s 3/1143; 3/1152; 3/1402.

27 RR-verklaring [officier van justitie] d.d. 01-11-18, RR p. 3/1380.

28 Dit zou dan op het VKL-overleg van maandag 06-02-17 hebben plaatsgevonden.

29 RR-verhoor [teamleider] d.d. 08-08-18, RR p. 3/1060.

30 RR-verhoor [officier van justitie] d.d. 01-11-18, RR p. 3/1383.

31 RR-verhoor [teamleider] d.d. 08-08-18, RR p. 3/1060.

32 Afspraakjournaalmutatie d.d. 23-02-17, 11:42 uur, RR p. 3/1100.

33 E-mail d.d. 22-02-17, 16:53 uur, van [officier van justitie] aan teamleider [teamleider] .

34 E-mail [teamleider] aan [officier van justitie] d.d. 23-02-17, 09:06 uur, RR p. 3/1100.

35 E-mail [officier van justitie] aan [teamleider] , datum en tijdstip niet vermeld, maar moet 23-02-17 uiterlijk – gezien de opname in de Afspraakjournaalmutatie – voor 11:42 uur zijn ontvangen, RR p. 3/1100.

36 Gedoeld zal worden op de e-mail van Van der Eijk d.d. 03-02-17, 17:53 uur, RR p. 3/1152.

37 E-mail d.d. 23-02-17, 09:43 uur, van [officier van justitie] aan Van der Eijk, RR p. 3/1149.

38 RR-verhoor [verbalisant 1] d.d. 11-09-17, RR p. 3/1347.

39 E-mail d.d. 28-02-17, 09:41 uur, van Van der Eijk aan [officier van justitie] , RR p. 3/1197.

40 E-mail d.d. 28-02-17, 09:49 uur, van Van der Eijk aan [verbalisant 1] , RR p. 3/1141.

41 E-mail d.d. 28-02-17, 15:05 uur, van [teamleider] aan [officier van justitie] , RR p. 3/1140.

42 E-mail d.d. 16-03-17, 16:44 uur, van Van der Eijk naar [officier van justitie] , RR p. 2/0836.

43 E-mail d.d. 22-03-17, 11:33 uur, van [officier van justitie] aan Van der Eijk, RR p. 2/0835.

44 RR-verhoor Kappeyne van de Coppello d.d. 06-11-08, RR 3/1154.

45 E-mail d.d. 22-03-17, 13:54 uur, van Van der Eijk naar [officier van justitie] , RR p. 2/0334.

46 Opgemerkt onder punt 2 van laatstgenoemde e-mail.

47 Opgemerkt onder punt 7 van laatstgenoemde e-mail.

48 Eveneens opgemerkt onder punt 7 van laatstgenoemde e-mail.

49 RR-verhoor [officier van justitie] d.d. 01-11-18, RR p. 3/1387.

50 E-mail d.d. 22-03-17, 14:11 uur (16 minuten na ontvangst om 13:55 uur), van [officier van justitie] aan teamleider [teamleider] , VKL-lid [naam 2] en officier van justitie Kappeyne van de Coppello: ‘Ter info. Met vriendelijke groet’, RR p. 3/1442.

51 RR-verhoor [officier van justitie] d.d. 01-11-18, RR p. 3/1387.

52 RR-verhoor [teamleider] d.d. 08-08-18, RR p. 3/1062.

53 RC-verhoor [teamleider] d.d. 29-11-17 en 12-12-17, p. 7.

54 RR-verhoor [officier van justitie] d.d. 01-11-18, RR p. 3/1389.

55 RR-verhoor [verbalisant 1] d.d. 11-09-18, RR 3/1349.

56 RC-verhoor [verbalisant 1] d.d. 05-10-17, paginanummering ontbreekt, RR p. 3/1351.

57 RR-verhoor Van der Eijk d.d. 31-07-18, RR p. 1009.

58 RR-verhoor [verbalisant 1] d.d. 05-10-17, paginanummering ontbreekt, RR p. 3/1351.

59 RR-verhoor [verbalisant 1] d.d. 11-09-18, RR p. 3/1348.

60 RR-verhoor [verbalisant 1] d.d. 11-09-18, RR 3/1350.

61 RR-verhoor Van der Eijk d.d. 31-07-18, RR p. 3/1012.

62 Dit gesprek is opgenomen in PI De Karelskamp te Almelo, strafdossier ordner 4 p. 1555 en p. 4/1557.

63 Politieverklaring getuige [getuige 2] d.d. 30-01-17, strafdossier p. 1200.

64 De navolgende pagina’s uit ordner 8 van het BOB-dossier betreffen (wegens het ontbreken van nummering in het papieren exemplaar) de PDF-nummering. Op p. 199/366 treft men de aanvraag inzake de vader van [getuige 1] en op p. 205/366 het bevel. Op p. 208/366 treft men de aanvraag inzake [getuige 1] zelf en op p. 214/366 het bevel.

65 Afspraakjournaalmutatie d.d. 23-02-17, 11:42 uur, RR p. 3/1100.

66 Afspraakjournaalmutatie d.d. 10-03-17, 11:32 uur, RR p. 3/1104.

67 Bijlage 2 bij de pleitnota van mr. Kuijper ten behoeve van de inhoudelijke behandeling 25, 26 en 27 juni 2019.

68 Schriftelijke zittingsaantekeningen van [officier van justitie] ter gelegenheid van de pro forma zitting d.d. 23‑03-17 in de strafzaken tegen [verdachte 1] , [verdachte 4] en [verdachte 2] , RR p. 1448.

69 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland op 23‑03‑2017, p. 2 (zowel in de zaak tegen verdachte [verdachte 4] als in de zaak tegen verdachte [verdachte 2] ).

70 Hoge Raad 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995: ZD0328; NJ 1996, 249 m.nt. Schalken (Zwolsman), o.a. herhaald in Hoge Raad 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338.

71 Hoge Raad 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9820 (Dev Sol).

72 Proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, d.d. 23-03-17, p. 2.

73 E-mail d.d. 02-05-17, 11:50 uur, van mr. Kappeyne van de Coppello aan Van der Eijk, ter zitting overgelegd door de advocaat-generaal.

74 Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.

75 Richtlijn 2012/29/EU.

76 ECLI:NL:RBNHO:2016:9089.

77 Stb. 2017, 90.

78 Stb. 2017, 128.

79 2001/220/JBZ.

80 TK 2004-2005, 30143, nr. 3, blz. 14 en 23.

81 Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793

82 zie De letselschade Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade van 12 februari 2015.

83 TGO Gees, map 4, p. 1297 e.v.

84 Hoge Raad 13 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7215,

85 Richtlijn 2012/29/EU.

86 Stb. 2017, 90.

87 2001/220/JBZ.

88 Zie onder meer: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3214, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1695, Rechtbank Rotterdam 18 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10725, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1216 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2017, ECLI:GHARL:2017:1562.