Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6124

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
21-003591-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 7 september 2016 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een medebewoner van de opvang van het Leger des Heils waar verdachte destijds verbleef. De aard en ernst van het feit rechtvaardigen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. Hierbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Daarnaast brengen de aard en de ernst van de problematiek van verdachte mee dat langdurige behandeling evident noodzakelijk is ter voorkoming van recidive en ter maximale beveiliging van de samenleving tegen dergelijke recidive. Daarom wordt tevens de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003591-17

Uitspraak d.d.: 25 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juni 2017 met parketnummer 16-652667-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 LAA te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 31 mei 2018 en 11 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

  • -

    vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest;

  • -

    oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (ongemaximeerd);

  • -

    toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van

€ 3.605,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de vervangende hechtenis wordt beperkt tot de duur van 0 of 1 dag(en).

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. A.J. Sprey, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij het hiervoor genoemde vonnis verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft ten aanzien van dat feit tevens gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.605,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor hetgeen meer is gevorderd is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 07 september 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] meermaals en met kracht:

- ( met geschoeide voet) tegen/op het hoofd en/of (elders) tegen/op het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of

- in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 07 september 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met dat opzet die [benadeelde] meermaals en met kracht:

- ( met geschoeide voet) tegen/op het hoofd en/of (elders) tegen/op het lichaam te schoppen/trappen en/of

- in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen/slaan;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 07 september 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] meermaals en met kracht:

- ( met geschoeide voet) tegen/op het hoofd en/of (elders) tegen/op het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of

- in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de latere bij de politie afgelegde verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet betrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:

'De verklaringen van de getuigen die op respectievelijk 28 en 24 september 2016 zijn afgelegd, lopen niet veel uiteen met hun eerdere verklaringen op respectievelijk 7 en 9 september 2016. De latere verklaringen van beide getuigen zijn weliswaar uitgebreider, maar er zijn geen substantiële onderlinge tegenstrijdigheden met hun eerdere verklaringen. Dat de getuigen met elkaar over het ten laste gelegde hebben gesproken, hetgeen hun latere verklaringen zou hebben beïnvloed, berust op een aanname (…) die niet verder wordt gestaafd.'

Het hof verenigt zich met de bovenstaande overweging en neemt deze over.

In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] in de procedure in hoger beroep zijn gehoord door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof. Tijdens dat verhoor hebben de beide getuigen onder ede verklaard dat zij bij de politie naar waarheid hebben verklaard en zijn ze niet op hun eerder afgelegde verklaringen teruggekomen.

Het hof verwerpt het verweer en acht de later bij de politie afgelegde verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Voorwaardelijk opzet

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Voor een veroordeling ter zake van poging tot doodslag is onder meer vereist dat ten minste het voorwaardelijk opzet van verdachte gericht was op de dood van aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Naar algemene ervaringsregels brengt het meermalen met geschoeide voet met kracht schoppen en trappen tegen het hoofd, op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan (zoals blijkt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ) een aanmerkelijke kans met zich mee dat het slachtoffer ten gevolge daarvan komt te overlijden. Dit geldt te meer nu het geweld werd voortgezet terwijl het slachtoffer bewegingloos op de grond lag. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam. Nu het algemene ervaringsregels betreft, moet het er – behoudens contra-indicaties waarvan hier niet is gebleken - voor worden gehouden dat ook verdachte wetenschap droeg van het bestaan van vorenbedoelde aanmerkelijke kans.

De door verdachte verrichte geweldshandelingen, namelijk (onder andere) aangever meermalen met geschoeide voet tegen zijn hoofd (en lichaam) schoppen, zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood, dat het niet anders kan zijn dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman en acht het hof het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 7 september 2016 te [plaats] , in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] meermaals en met kracht:

- met geschoeide voet tegen/op het hoofd en elders tegen/op het lichaam heeft geschopt/getrapt en

- in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is onderzoek verricht naar de geestvermogens van verdachte.

Verdachte is in de periode van 18 januari 2017 tot 1 maart 2017 opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft gedurende zijn opname geweigerd mee te werken aan het gedragskundig- en milieuonderzoek en heeft beperkt meegewerkt aan de groepsobservatie. Rapporteurs F.R. Kruiswijk, psychiater en R. Haveman, GZ-psycholoog, hebben geen advies uitgebracht ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft, bij gebreke van voldoende zicht op de mate waarin verdachte mogelijk verminderd toerekeningsvatbaar is, het bewezen verklaarde volledig aan verdachte toegerekend.

In de procedure in hoger beroep is verdachte in de periode van 17 december 2018 tot 25 januari 2019 nogmaals opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. Gedurende deze opname heeft verdachte wel zijn medewerking verleend aan het onderzoek. Door de hiervoor reeds genoemde psychiater Kruiswijk en psycholoog Haveman is over verdachte een rapportage Pro Justitia uitgebracht d.d. 8 maart 2019.

Uit het rapport blijkt dat er sprake is van psychopathologie op vier terreinen, met als hoofddiagnose schizofrenie. Deze schizofrenie kenmerkt zich vooral door terugkerende psychotische episodes waarbij waanbelevingen op de voorgrond staan, en negatieve symptomen zoals initiatiefverlies en zeer waarschijnlijk cognitief verval op het moment dat hij psychosevrij is.

Echter, voordat de eerste psychose optrad was verdachte al een antisociale ontwikkelingsgang ingeslagen. Vanwege de aanwezigheid van de schizofrenie wordt geen antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld, maar wordt dit geclassificeerd als ‘antisociale gedragingen als adolescent en volwassene’.

Uit het onderzoek valt tevens te concluderen dat er zeer waarschijnlijk een cognitief verval is opgetreden, mogelijk door de jaren van onbehandelde psychose(n), zodat verdachte op dit moment op verstandelijk beperkt niveau functioneert. De verstandelijke beperking kan als een blijvende handicap worden opgevat.

Als laatste is verdachte bekend met polidrugsgebruik, waarbij vooral cocaïnegebruik ten

tijde van het ten laste gelegde problematisch was en als een stoornis kan worden omschreven. In het verleden was hij ook bekend met misbruik van alcohol en van cannabis. Deze laatste aspecten zijn moeilijk te objectiveren geweest.

Alle vier bovenstaande stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en hebben elkaar ook onderling versterkt. De geconstateerde psychopathologie op vier domeinen hebben verdachte gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed.

Een precieze reconstructie van het ten laste gelegde valt niet te maken vanwege verdachtes opstelling, en het is niet mogelijk het precieze aandeel van de diverse pathologische factoren bij het ten laste gelegde in kaart te brengen. Gelet op deze beperking is het niet mogelijk de precieze doorwerking goed te onderbouwen en blijft onduidelijk of het ten laste gelegde in zijn geheel vanuit de pathologie kan worden verklaard, of dat ook situatieve elementen een rol hebben gespeeld. Als gevolg hiervan kan geen advies tot het volledig niet toerekenen van het ten laste gelegde worden gegeven.

Rapporteurs achten de doorwerking van de vier psychopathologische domeinen, die elkaar onderling beïnvloed hebben, echter dermate groot, dat zij menen dat het ten laste gelegde verdachte in ieder geval in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet hierop oordeelt het hof dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, antisociale gedragingen als adolescent en volwassene, een verstandelijke beperking en een stoornis in polidrugsgebruik, met name cocaïnegebruik. Deze stoornissen zijn van invloed geweest op het handelen ten tijde van het ten laste gelegde. Op grond van het voorgaande rekent het hof, anders dan de rechtbank, de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toe.

Verdachte is echter wel een strafbare dader.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 7 september 2016 in [plaats] schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een medebewoner van de opvang van het Leger des Heils, waar verdachte destijds verbleef. Het slachtoffer had bij vergissing op de kamerdeur van verdachte geklopt. Verdachte heeft zijn kamerdeur geopend en heeft het slachtoffer op diens hoofd geslagen en gestompt. Nadat het slachtoffer door al het toegepaste geweld op de grond gevallen was, bleef verdachte doorgaan met de uitoefening van geweld op het slachtoffer door dit te schoppen met zijn hak en de punt van zijn schoen, met name op het hoofd. Verdachte heeft door zijn handelen het reële risico in het leven geroepen dat het slachtoffer daardoor het leven zou verliezen. Feitelijk heeft hij het slachtoffer pijn en letsel toegebracht en een ernstige inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit.

Verdachte heeft bij de straftoemeting een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juni 2019 in aanmerking genomen. Daaruit is gebleken dat verdachte eerder ter zake van onder meer misdrijven inzake schending van de lichamelijke integriteit onherroepelijk tot straffen is veroordeeld.

De aard en ernst van het feit, ook tegen de achtergrond van de persoonlijke omstandigheden bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toerekent, zoals hierboven overwogen. Daarnaast heeft het hof bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf acht geslagen op de omstandigheid dat het hof de maatregel van terbeschikkingstelling zal opleggen.

Het hof stelt vast dat bij de behandeling van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Weliswaar bedraagt de termijn tussen het instellen van hoger beroep en de einduitspraak meer dan 16 maanden, maar dit is met name veroorzaakt door een omstandigheid die toe te rekenen valt aan het handelen van verdachte. Verdachte weigerde in eerste aanleg medewerking te verlenen aan onderzoek in het PBC, maar heeft in de procedure in hoger beroep zijn procesopstelling gewijzigd. De behandeling van de zaak is op 31 mei 2018 aangehouden om verdachte alsnog te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum. Dit tweede onderzoek heeft de nodige tijd gevergd, waardoor de behandeling in hoger beroep meer dan 16 maanden in beslag heeft genomen.

Oplegging van maatregel

De rechtbank heeft verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd met bevel tot verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft primair bepleit oplegging van de TBS-maatregel achterwege te laten. Subsidiair is bepleit dat TBS met voorwaarden dient te worden opgelegd in plaats van TBS met verpleging van overheidswege. Volgens de verdediging zou gedacht kunnen worden aan een klinische behandeling waarbinnen verdachte goed wordt ingesteld op medicatie en waarbinnen aandacht is voor het gebruik van alcohol en drugs en de nadruk wordt gelegd op het vermijden van alcohol- en drugsgebruik en het medicatietrouw worden en blijven.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.

Uit de hiervoor genoemde gedragskundige rapportage van 8 maart 2019 volgt dat verdachte de ziekte schizofrenie heeft en lijdt aan stoornissen in de zin van antisociale gedragingen als adolescent en volwassene, een verstandelijke beperking en een stoornis betreffende polidrugsgebruik, met name cocaïnegebruik.

Uit het rapport volgt daarnaast, zakelijk weergegeven:

Uit de opgestelde risico-taxatie blijkt van een hoog recidiverisico binnen korte tijd als verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert. Er is vastgesteld dat verdachte eerder geweld heeft toegepast, ook op jonge leeftijd. Verder vallen instabiliteit van relaties op, problemen in het arbeidsverleden en grote problemen met middelengebruik zoals alcohol, cannabis en cocaïne. Er is sprake van een ernstige stoornis in de vorm van schizofrenie, een levenslang beperkende aandoening. Ook moet rekening worden gehouden met cognitief verval dat is opgetreden gedurende jaren, waardoor verdachte op verstandelijk beperkt niveau functioneert. Verdachte voldoet niet aan de cuf-offscore voor psychopathie, maar behaalt wel een score die klinisch relevant is en waarmee in de toekomst wel rekening moet worden gehouden. Daarnaast wordt geconcludeerd dat verdachte een antisociale ontwikkelingsgang heeft doorgemaakt.

Uit eerdere behandelpogingen blijkt dat verdachte zich zeer moeilijk laat behandelen als hij in een psychose verkeert. Verdachte heeft een volledig gebrek aan zelfinzicht en scoort op de taxatie van klinische items het niveau van een hoog recidiverisico. De risicohanteringsitems laten zien dat verdachte totaal geen toekomstplanning heeft noch enig idee wat hij in de maatschappij zal gaan doen.

Rapporteurs achten de blootstelling aan destabiliserende factoren groot als verdachte in de maatschappij terugkeert op dit moment; dan zal hij weer gaan zwerven en verslaafd raken. Verdachtes gebrek aan ziekte-inzicht en -besef veroorzaakten dat hij niet meewerkte aan behandelmogelijkheden en in het PPC Vught werkte verdachte pas mee aan behandeling door de psycholoog toen hij volledig gedepsychotiseerd was na dwangbehandeling.

Het is te verwachten dat verdachte, bij een terugkeer in de maatschappij, een hoog niveau van stress zal ervaren. Door zijn verstandelijke beperking is hij gehandicapt in het zelfstandig regelen van de meest basale levensbehoeften, zoals een daginvulling, een woonplek en voedsel.

Het gebruikte risicotaxatie-instrument in combinatie met de klinische inschatting wijst op een hoog recidiverisico binnen korte tijd als verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert. Ook in een beschermde of klinische omgeving levert betrokkene, indien in een (onbehandelde) actieve psychotische fase verkerend, gevaar op voor personeel en medegedetineerden- of patiënten.

De prominente aanwezigheid van de massale, levenslang beperkende psychopathologie is

een indicatie voor een langdurige klinische behandeling. Rapporteurs menen dat deze behandeling niet in een ambulante setting kan plaats vinden en tevens dat er een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is; het dossier van verdachte met de vele incidenten is hiervoor indicatief.

Volgens de rapporteurs kan een passende behandeling alleen succesvol verlopen binnen een tbs-setting gezien het hoge recidiverisico op identiek of nog ernstiger geweld dan het ten laste gelegde. Vermoedelijk kan dan op termijn worden toegewerkt naar een vorm van beschermd wonen.

Een tbs met voorwaarden is volgens de rapporteurs gedoemd snel te mislukken gezien verdachtes zucht naar cocaïne, zijn geringe inzicht, behandelmotivatie en antisociale grondhouding, waarbij de gestelde voorwaarden al snel geschonden zullen worden.

Rapporteurs adviseren daarom de maatregel tbs met bevel tot verpleging op te leggen.

In de motivering van de strafoplegging is reeds overwogen dat, in weerwil van de wens van verdachte, aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd.

De volgende overwegingen hebben tot dit oordeel geleid.

Zoals hiervoor is vastgesteld is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis schizofrenie en lijdt hij aan stoornissen in de zin van antisociale gedragingen als adolescent en volwassene, een verstandelijke beperking en een stoornis betreffende polidrugsgebruik, met name cocaïnegebruik. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

In deze zaak is sprake van een misdrijf zoals bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Daarnaast is sprake van zodanig recidivegevaar dat die de oplegging van de maatregel eist, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de TBS-maatregel met verpleging van overheidswege eist. Het hof heeft hierbij de ernst van de stoornissen zoals door de deskundigen beschreven in aanmerking genomen en de klinische behandeling en het medicatiegebruik die nodig zijn, evenals de inspanningen die zijn verricht op het gebied van behandeling en begeleiding. De deskundigen schatten het recidiverisico als hoog in.

Gelet op het bovenstaande brengen de aard en de ernst van de problematiek van verdachte mee dat langdurige behandeling evident noodzakelijk is ter voorkoming van recidive en met het oog op een noodzakelijke beveiliging van de samenleving tegen dergelijke recidive. Dit alles maakt dat een behandeling in een andere setting dan de TBS met verpleging van overheidswege naar het hof niet tot de mogelijkheden hoort. Deze maatregel zal dan ook - zoals ook is geëist door de advocaat-generaal - naast eerdergenoemde gevangenisstraf aan verdachte worden opgelegd.

Tot slot stelt het hof vast dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht heeft dit tot gevolg dat deze maatregel niet gemaximeerd is en derhalve een periode van vier jaar te boven kan gaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.225,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.605,00 (bestaande uit € 605,- materiële schade en € 3.000,- immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden zoals door de rechtbank is gemotiveerd en toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Het hof bepaalt de vervangende hechtenis op het minimum van 1 dag omdat niet is gebleken van enig vermogen of inkomen bij verdachte en tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel zeer waarschijnlijk zal leiden tot tenuitvoerlegging van die hechtenis. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.605,00 (drieduizend zeshonderdvijf euro) bestaande uit € 605,00 (zeshonderdvijf euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.605,00 (drieduizend zeshonderdvijf euro) bestaande uit € 605,00 (zeshonderdvijf euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 september 2016.

Aldus gewezen door

mr. A. van Holten, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 25 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Holten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.